Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW7910

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
11-06-2012
Zaaknummer
10/5369
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vermelding van premie volksverzekeringen op aanslag IB bij niet verzekerde naar oordeel van rechtbank niet mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1807
FutD 2012-1696
V-N Vandaag 2012/1452
V-N 2012/35.2.2
Belastingadvies 2012/17.12

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/5369

Uitspraakdatum: 20 april 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 3 september 2010 voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met het aanslagnummer [nummer]H.86. Daarbij is tevens bij afzonderlijke beschikking heffingsrente vastgesteld. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 16 november 2010 de aanslag en beschikking gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft bij behandeling door een enkelvoudige kamer plaatsgevonden op 9 maart 2012 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde, [gemachtigde], verbonden aan [adviesbureau] te Maastricht, en namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.6.Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is de zaak ter behandeling verwezen naar een meervoudige kamer. Partijen hebben op de zitting verklaard dat zij ermee akkoord zijn dat de meervoudige kamer uitspraak doet zonder nadere zitting.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende woont met haar partner in het Verenigd Koninkrijk. Zij heeft in 2008 een bedrag van € 6.001 aan inkomen uit arbeid genoten ter zake van in Engeland verrichte werkzaamheden. Zij is in Nederland niet belastingplichtig maar heeft, op basis van artikel 2.5, derde volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlands belastingplichtigen. Uit dien hoofde heeft zij op 8 juni 2009 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan voor het jaar 2008. Haar belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 6.001. Ter zake van dit inkomen bedraagt de inkomstenbelasting € 147.

2.2.Belanghebbende is in Nederland niet verzekerd voor de volksverzekeringen en is in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd. Indien over het inkomen premie volksverzekeringen zou worden berekend, bedraagt deze € 1.869.

2.3.De partner van belanghebbende heeft in 2008 looninkomsten uit Nederland genoten. Hij heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor 2008 eveneens gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlands belastingplichtigen. Zijn belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 87.912. Over dit inkomen is hij € 22.913 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd.

2.4.Belanghebbende heeft ingevolge het voorgaande recht op de volgende (bijzondere verhoging van de) heffingskortingen:

-algemene heffingskorting 2.074

-arbeidskorting 107

-combinatiekorting 112

-aanvullende combinatiekorting 746

Totaal 3.039

2.5.Bij voorlopige teruggaaf is aan belanghebbende € 2.892 exclusief heffingsrente betaald. Dit is € 3.039 aan heffingskortingen minus € 147 inkomstenbelasting.

2.6.1.Bij de onderhavige aanslag is de heffingskorting berekend op € 1.023. Dit betreft het voornoemde bedrag van € 3.039 aan heffingskortingen minus € 147 aan inkomstenbelasting minus € 1.869 aan premie volksverzekeringen.

2.6.2.Het hoofd van de aanslag op de eerste pagina luidt: “Aanslag 2008

Inkomstenbelasting”. Op deze pagina staat onder meer:

“Berekening van het te betalen bedrag

Inkomstenbelasting € 0

Uitbetaling heffingskorting(en) af € 1 023

Eerdere voorlopige aanslag(en) bij € 2 892

In rekening gebrachte heffingrente bij € 98

Te betalen € 1 967”

2.6.3.Op de tweede pagina van de aanslag staat onder het hoofd “Inkomstenbelasting” vermeld:

“Inkomstenbelasting box 1 € 147

Premie volksverzekeringen” bij € 1 869”

(…)

Toegepaste heffingskortingen af € 2 016

Inkomstenbelasting € 0”

2.6.4.Op de tweede pagina van de aanslag staat onder het hoofd “Toegepaste heffingskortingen:

Algemene heffingskorting € 2 074

Arbeidskorting bij € 107

Combinatiekorting bij € 112

Aanvullende combinatiekorting bij € 746

Heffingskortingen € 3 039”.

3.Geschil

3.1.Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag terecht rekening heeft gehouden met een bedrag aan premie volksverzekeringen. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het berekenen van de bijzondere verhoging van de heffingskorting ingevolge artikel 8.9a van de Wet inkomstenbelasting 2001 terecht rekening heeft gehouden met een bedrag aan premie volksverzekeringen van € 1.869. Belanghebbende beantwoordt de voorgaande vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot nihil. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Op de aanslag staat expliciet een bedrag aan premie volksverzekeringen van € 1.869

vermeld en wordt expliciet een bedrag aan premie volksverzekeringen van € 1.869 verrekend. Daarmee wordt, naar het oordeel van de rechtbank, bij deze aanslag premie volksverzekeringen tot dit bedrag van belanghebbende geheven. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in Nederland niet verzekerd is voor de volksverzekeringen en dat zij in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd is. Van belanghebbende kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen premie volksverzekeringen worden geheven. Dit leidt tot de conclusie dat op de aanslag ten onrechte een bedrag aan premie volksverzekeringen staat vermeld.

4.2.De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de vermelding op de aanslag van een bedrag aan premie is gedaan om zo een rekencorrectie te kunnen maken. Hij baseert deze handelwijze op het bepaalde in artikel 8.9a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor de berekening van de verhoging van de heffingskorting ingevolge die bepaling dient volgens de inspecteur rekening te worden gehouden met de premie volksverzekeringen die belanghebbende over haar inkomen verschuldigd zou zijn als ware zij in Nederland verzekerd.

4.3.De gecombineerde inkomensheffing is het gezamenlijke bedrag van de belasting die verschuldigd is over het belastbare inkomen uit box 1 (werk en woning), box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen) na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, alsmede de premie voor de volksverzekeringen die verschuldigd is op grond van de Wet financiering volksverzekeringen.

Artikel 8.8. van de Wet IB luidt:

“De gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing.”

Artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB luidt:

“Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 wordt beperkt tot een bedrag beneden het niveau van 73 ?% van de algemene heffingskorting vermeerderd met de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting en ouderschapsverlofkorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.”

Artikel 8.9a, van de Wet IB luidt:

“1. De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting geldt voor de belastingplichtige die recht heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9, maar die deze verhoging als niet-premieplichtige niet-inwoner niet volledig kan effectueren. De bijzondere verhoging geldt uitsluitend voor inwoners van een andere lidstaat van de Europese Unie, van de BES eilanden of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen.

De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is gelijk aan de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, voorzover de belastingplichtige daarop als niet-premieplichtige niet-inwoner geen recht heeft, maar hij daarop wel recht zou hebben indien hij premieplichtig inwoner van Nederland zou zijn.

3. De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is echter niet hoger dan het gezamenlijke bedrag van de belasting na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en de premie voor de volksverzekeringen die zijn partner is verschuldigd over het belastbare inkomen uit werk en woning, verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.”

4.4.Op grond van artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt de gecombineerde heffingskorting voor belanghebbende maximaal € 147. De heffingskorting voor de inkomstenbelasting is dan ook beperkt tot € 147. Gelet op het vermelde in 2.3 heeft belanghebbende ingevolge artikel 8.9, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 echter recht op een verhoging van de gecombineerde heffingskorting tot € 3.039. Omdat van belanghebbende geen premies volksverzekeringen worden geheven kan zij deze verhoging evenwel niet effectueren. Voor dat geval is in artikel 8.9a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaald dat de heffingskorting voor de inkomstenbelasting wordt verhoogd. Op grond van het tweede lid van artikel 8.9a van de Wet IB wordt de omvang van deze verhoging bepaald. Anders dan de inspecteur meent, biedt de tekst van deze bepaling naar het oordeel van de rechtbank niet de mogelijkheid om rekening te houden met een bedrag aan premie volksverzekeringen. De rechtbank acht daarvoor het volgende redengevend. Belanghebbende is geen premie volksverzekering ingevolge de Wet financiering volksverzekeringen of de wetten betreffende de volksverzekeringen verschuldigd. De bovenvermelde wettelijke tekst biedt geen aanwijzing dat voor de berekening van de heffingskortingen rekening kan of moet worden gehouden met een fictief of rekenkundig bedrag aan (verschuldigde) premies volksverzekeringen. Naast de tekst van de wettelijke bepaling verzet ook de systematiek van de Wet inkomstenbelasting 2001 zich tegen een dergelijke uitleg. In hoofdstuk 8 worden immers de heffingskortingen geregeld en niet de heffing van inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen. Bij de bestreden aanslag is daarom ten onrechte een bedrag aan premie volksverzekeringen geheven. Het anders luidend standpunt van de inspecteur wordt verworpen.

4.5.Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Nu het verschil tussen de voorlopige aanslag en de aanslag enkel het bedrag aan premie volksverzekeringen betreft, moet de aanslag worden verminderd met het bedrag van de premie volksverzekeringen tot nihil. Nu de aanslag moet worden verminderd tot nihil is geen heffingsrente verschuldigd en moet de beschikking heffingsrente worden vernietigd.

5.Proceskosten

5.1.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

5.2.De rechtbank acht geen termen aanwezig voor vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, nu niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb, uitspraak op bezwaar is gedaan.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-vermindert de aanslag met het bedrag van de premie volksverzekeringen tot nihil;

-vernietigt de beschikking heffingsrente;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 874;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 april 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. D. Hund, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 3 mei 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.