Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW7488

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
11/6400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding taxatierapport. Taxateur en gemachtigde zijn in dienst van dezelfde vennootschap die niet is gelieerd aan belanghebbende. Heffingsambtenaar voert groot aantal grieven aan tegen toekenning vergoeding taxatierapport naast de door hem toegekende vergoeding voor beroepsmatig verleende bijstand. Rechtbank kent vergoeding toe van € 50 per uur exclusief omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/6400

Uitspraakdatum: 27 maart 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de heffingsambtenaar van 15 november 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [het appartement] te [plaats] (hierna: het appartement), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2011.

Zitting

Partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover deze betrekking heeft op de beslissing op het verzoek om proceskosten;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 590,13;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1.De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van het appartement per waardepeildatum 1 januari 2010 vastgesteld op € 210.000. Daartegen heeft [gemachtigde] (hierna: gemachtigde) namens belanghebbende bij brief van 8 april 2011 bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 april 2011 is het bezwaarschrift gemotiveerd. Daarbij is een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 12 april 2011 door [taxateur W.], namens [kantoornaam taxateur W.]. [kantoornaam taxateur W.] en [gemachtigde] zijn beide handelsnamen van [A. BV]. [Taxateur W.] is gediplomeerd makelaar/taxateur en werkzaam bij [A. BV].

2.2. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase

tot een bedrag van € 551,20 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en € 333,20 voor het taxatierapport, zijnde 3,5 uren maal een uurtarief exclusief omzetbelasting van € 80).

2.3. Bij uitspraak op bezwaar van 15 november 2011 is de waarde van het appartement verminderd tot € 196.000. Dit is conform de in het taxatierapport van [kantoornaam taxateur W.] genoemde waarde en de in bezwaar door belanghebbende bepleite waarde. De heffingsambtenaar heeft bij de uitspraak enkel € 218 aan kostenvergoeding toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift. Tussen partijen is in geschil of terecht aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van kosten van het taxatierapport en in het bevestigende geval de hoogte daarvan.

2.4. De heffingsambtenaar stelt zich primair op het standpunt dat er geen ruimte is voor een vergoeding van het taxatierapport. Subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat een bedrag van € 50 per uur redelijk is voor een woningtaxatie, nu deze werkzaamheden niet van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn. Belanghebbende bepleit de in 2.2 vermelde vergoeding.

2.5. Voor zijn primaire stelling heeft de heffingsambtenaar – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

- het initiatief voor beroepszaken over proceskosten in dit soort gevallen ligt doorgaans volledig bij gemachtigde en niet bij de belanghebbenden;

- belanghebbende heeft geen belang bij de onderhavige procedure nu de waarde niet meer ter discussie staat;

- belanghebbende heeft geen belang bij de onderhavige procedure omdat gemachtigde op ‘no cure, no pay’ basis werkt;

- gemachtigde en [kantoornaam taxateur W.] kunnen volgens fiscaal juristen niet aan elkaar facturen, zodat gemachtigde geen kosten verschuldigd kan zijn aan [kantoornaam taxateur W.] waardoor belanghebbende op zijn beurt geen taxatiekosten verschuldigd kan zijn aan gemachtigde;

- [kantoornaam taxateur W.] is gelieerd aan gemachtigde en derhalve niet onafhankelijk en onpartijdig zodat de kosten voor taxatie niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen;

- de uitspraken van de rechtbank Dordrecht van 11 november 2011, LJN BU4918 en 2 december 2011, LJN BU8235 alsmede de conclusie van procureur-generaal IJzerman van 3 juli 2009, LJN: BJ7919, BJ7924, BJ7928 en BJ7929 steunen het primaire standpunt.

- het taxatierapport is niet onafhankelijk opgesteld nu het taxatierapport is opgesteld met het specifieke doel het reeds ingediende bezwaarschrift te onderbouwen;

- er is geen sprake van kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken;

- de vraag kan gesteld worden of er sprake is van een ‘no cure, no pay’-afspraak nu op de website van gemachtigde staat dat de volledige dienstverlening van de gemachtigde geheel kosteloos is en dat de gemachtigde een kostenvergoeding van de gemeente kan krijgen;

- belanghebbende heeft gemachtigde ‘slechts’ gevolmachtigd beroep aan te tekenen tegen de WOZ-waarde en/of daarop gebaseerde aanslag onroerende zaakbelastingen en het onderhavige beroep kwalificeert niet als een zodanig beroep;

- ook gemachtigde zelf kan geen aanspraak maken op enige vergoeding.

2.6. Niet aannemelijk is geworden dat gemachtigde op eigen naam en niet als gemachtigde van belanghebbende, in beroep is gekomen. Daarbij overweegt de rechtbank dat uitlatingen van andere cliënten van gemachtigde geen voldoende sterke aanwijzing geven dat gemachtigde voor zichzelf en niet voor belanghebbende in beroep is gekomen.

2.7. De beslissing op het verzoek om kostenvergoeding is geen zelfstandige voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Immers ingevolge art. 7:15, derde lid, tweede volzin, Awb, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase bij de beslissing op het bezwaar. Het is de uitspraak op bezwaar die de rechtsingang vormt. Niet in geschil is dat gemachtigde door belanghebbende is gevolmachtigd beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende daarmee een toereikende volmacht aan gemachtigde verleend voor het aanhangig maken van het onderhavige geschil.

2.8. In een beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar kan, zoals hier, het geschil beperkt blijven tot de beslissing op het verzoek om kostenvergoeding (HR 27 november 2009, nr. 08/00316, LJN BJ7919). Derhalve verwerpt de rechtbank de opvatting van de heffingsambtenaar dat een processueel belang ontbreekt nu niet (mede) de waarde in geschil is.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank geven de vermeldingen op de website van gemachtigde geen voldoende sterke aanwijzingen over de afspraken die met belanghebbende zijn gemaakt over de kosten voor deze zaak. Voor dat geval is niet in geschil, zo begrijpt de rechtbank de heffingsambtenaar, dat belanghebbende en gemachtigde een ‘no cure no pay’-overeenkomst zijn aangegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Het bestaan van een dergelijke overeenkomst brengt mee dat bij gegrondheid van het ingestelde rechtsmiddel, er kosten aan belanghebbende in rekening worden gebracht ter hoogte van de proceskostenvergoeding voor de werkzaamheden die zijn verricht op grond van de opdrachten die belanghebbende gemachtigde heeft verstrekt. Blijkens het in 2.3 genoemde taxatierapport heeft gemachtigde de opdracht namens belanghebbende aan [kantoornaam taxateur W.] verstrekt. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook de kosten van [kantoornaam taxateur W.] op basis van ‘no cure no pay’ op belanghebbende drukken. Aan de stelling van de heffingsambtenaar dat volgens fiscaal juristen [kantoornaam taxateur W.] geen kosten in rekening kan brengen aan gemachtigde, gaat de rechtbank voorbij. Deze stelling vraagt om een nadere onderbouwing van de heffingsambtenaar die evenwel ontbreekt.

2.10. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de taxateur niet onafhankelijk zijn werkzaamheden heeft verricht. De omstandigheden dat belanghebbende alleen bij gegrondheid de kosten van de taxateur is verschuldigd, het taxatierapport is opgesteld nadat een pro forma bezwaarschrift is ingediend en zowel gemachtigde als taxateur in dienst zijn van dezelfde werkgever, zijn onvoldoende om in deze zin te oordelen. De rechtbank ziet voorts in de beslissingen van rechters van andere rechtbanken noch in de door de heffingsambtenaar aangehaalde conclusie van [Advocaat-Generaal I.] aanleiding voor een andersluidend oordeel.

2.11. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden van de taxateur niet zozeer zijn verweven met de werkzaamheden van gemachtigde dat in wezen één dienst is verricht, te weten het door een derde beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit. Kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, komen ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank ziet geen reden de in geschil zijnde kosten niet als zodanig aan te merken. Dat zou anders kunnen zijn indien het taxatierapport is gebaseerd op onbetrouwbare of irrelevante gegevens waardoor het taxatierapport niet als bewijsmiddel kan dienen. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

2.12. De vergoeding van de kosten voor een deskundige dient te worden vastgesteld op het bedrag dat redelijkerwijs aan kosten verschuldigd is. Volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, geldt voor de hoogte van het te vergoeden bedrag de Wet tarieven in strafzaken 2003. De hoogte van de vergoeding bedraagt (via artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van die wet) op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven strafzaken 2003 maximaal € 81,23 per uur. Ingevolge artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden de in dit besluit genoemde bedragen verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.

2.13. Voor wat betreft de redelijkheid van de hoogte van de kosten overweegt de rechtbank als volgt. De heffingsambtenaar betwist niet dat er 3,5 uren zijn besteed aan het taxeren van het object en het opstellen van een taxatierapport. Gelet op de inhoud van het taxatierapport en het type woning acht de rechtbank dit aantal ook redelijk. Voor wat betreft het gehanteerde uurtarief overweegt de rechtbank dat zij een uurtarief van € 50 exclusief omzetbelasting redelijk acht, zodat voor het taxatierapport, inclusief omzetbelasting, een bedrag van € 208,25 vergoed dient te worden.

2.14. Gelet op het voorgaande dient de heffingsambtenaar voor de bezwaarfase € 426,25 aan belanghebbende te vergoeden in verband met kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (€ 218) en kosten van een deskundige (€ 208,25).

2.15. Nu het beroep gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 163,88 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek met een waarde van € 437 en een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaak). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,25 nu in beroep slechts de hoogte van de kostenvergoeding in geding is.

2.16. In totaal dient € 590,13 (€ 426,25 + € 163,88) aan belanghebbende te worden vergoed. Gelet op het voorgaande is beslist als voormeld.

Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 6 april 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.