Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW7485

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
11/1980
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek voor toepassing 30%-regeling is bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen. Die beschikking staat onherroepelijk vast. In deze procedure tegen de aanslag inkomstenbelasting wordt opnieuw verzocht om toepassing 30%-regeling. Rechtbank komt niet toe aan de beoordeling of aan voorwaarden voor toepassing van 30%-regeling is voldaan nu 30%-regeling afzonderlijke rechtsgang kent. De juistheid van de onherroepelijk geworden beschikking kan dan zowel voor de loon- als voor de inkomstenbelasting niet meer ter discussie worden gesteld, noch door de werknemer, noch door de inhoudingsplichtige, noch door de inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-1548
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/1980

Uitspraakdatum: 27 maart 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats] ([land]), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 februari 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Blokker, en namens de inspecteur, [gemachtigden]. Gelijktijdig zijn behandeld de zaken die bij de rechtbank bekend zijn onder de procedurenummers 11/1980 en 11/1983.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is geboren op [datum] 1982 en heeft de [buitenlandse] nationaliteit.

2.2. In 2005 is belanghebbende door de betaald voetbalorganisatie (hierna: BVO) [naam BVO] N.V. te [plaats X] (hierna: [naam BVO]) uit het buitenland aangeworven. Op [datum] 2005 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst bij [naam BVO] gesloten voor de periode [datum] 2005 tot en met [datum] 2008.

2.3. In het addendum behorend bij de arbeidsovereenkomst zijn partijen een afspraak overeengekomen met betrekking tot een vergoeding voor extraterritoriale kosten. Het addendum is opgesteld in de Engelse taal. Tussen partijen staat vast dat de tekst van dit addendum overeenkomt met de Nederlandse tekst van het antwoord op vraag 18 van het vraag- en antwoordbesluit van de Staatssecretaris van 21 oktober 2005 (Besluit van 21 oktober 2005, nr. CPP2005/2378M, BNB 2006/26).

2.4. Op 14 november 2005 hebben belanghebbende en [naam BVO] een verzoek ingediend voor toepassing van de 30%-regeling. Met dagtekening 15 november 2006 heeft de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking het verzoek voor toepassing van de 30%-regeling afgewezen.

2.5. Belanghebbende heeft tegen deze afwijzing bezwaar aangetekend en tegen de uitspraak op bezwaar pro forma beroep aangetekend. Op 2 november 2007 is het beroep betreffende de afwijzende beslissing voor toepassing van de 30%-regeling bij de rechtbank ingetrokken.

2.6. [naam BVO] heeft in het onderhavige jaar loon uitbetaald aan belanghebbende dat volledig in de loonheffing is betrokken. Belanghebbende bepleit dat zijn loon voor de inkomstenbelasting 70% daarvan bedraagt.

2.7. De inspecteur heeft met dagtekening 19 maart 2009 de aanslag inkomstenbelasting over het onderhavige jaar opgelegd waarin het loon van [naam BVO] voor 100% in plaats van voor 70% is begrepen. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 23 februari 2011, de aanslag gehandhaafd.

2.8. In geschil is primair het antwoord op de vraag of in de inkomstenbelasting de juistheid van de inhoudingen onderzocht kunnen worden en zo ja, of het loon voor de inkomstenbelasting in aanmerking moet worden genomen voor het bedrag van 70% van het in de loonheffing betrokken loon.

2.9. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de aanslagregeling in de inkomstenbelasting (mede) de beoordeling omvat of het loon tot het juiste bedrag is aangegeven. De omstandigheid dat in het onderhavige geval een onherroepelijke beschikking over de 30%-regeling aan de bestreden aanslag voorafgaat, staat volgens belanghebbende niet eraan in de weg om het door de inhoudingsplichtige aan belanghebbende betaalde bedrag voor de inkomstenbelasting aan de wettelijke bepalingen in de Wet op de loonbelasting 1964 te toetsen.

2.10. In artikel 15 van de Wet op de loonbelasting 1964 in verbinding met hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2006) is de 30%-regeling nader uitgewerkt. De regeling houdt voor een ingekomen werknemer in dat de inspecteur op het gezamenlijke verzoek van de inhoudingsplichtige en de werknemer beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. De minimale looptijd van de bewijsregel bedraagt in alle gevallen vijf jaren (art. 9d, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965). Voor inwilliging van het verzoek moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Bij de beschikking worden echter geen voorwaarden gesteld.

2.11. Bij de beoordeling van het verzoek om toepassing van de 30%-regeling gaat het om een beslissing die een zelfstandig karakter bezit en een afzonderlijke rechtsgang kent. Het is voor de belastingplichtige (de werknemer) en de inhoudingsplichtige van belang dat in een vroeg stadium duidelijkheid bestaat over de fiscale gevolgen van hun rechtsverhouding. Hoewel zulks niet rechtstreeks uit de wettekst volgt, brengt naar het oordeel van de rechtbank de rechtszekerheid met zich mee dat, als de beschikking over de toepassing van de 30%-regeling onherroepelijk komt vast te staan, daarmee rechtens de juistheid van die beschikking vaststaat. In een later stadium kunnen de elementen van een aanslag die zijn terug te voeren op hetgeen de beschikking onherroepelijk heeft vastgelegd, dan ook - in het belang van de rechtszekerheid voor zowel de belastingplichtige als voor de inhoudingsplichtige als voor de inspecteur - in een procedure niet meer (opnieuw) aan de orde worden gesteld. Nu de beschikking over de toepassing van de 30%-regeling onherroepelijk vaststaat, kan de juistheid daarvan zowel voor de loon- als voor de inkomstenbelasting niet meer ter discussie worden gesteld, noch door de werknemer, noch door de inhoudingsplichtige, noch door de voor de werknemer bevoegde inspecteur, noch door de voor de werkgever bevoegde inspecteur.

2.12. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de onderhavige situatie wezenlijk anders is dan die in de procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010, nr. 09/01580, onder meer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met kenmerk LJN BO7489. Uit dat arrest volgt dat het een belastingplichtige is toegestaan in het kader van een aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting op te komen tegen de toepassing van een standaardvoorwaarde die is opgenomen in de door de inspecteur in het kader van de geruisloze omzetting genomen beschikking, waartegen de belastingplichtige noch de inbrenger - degene aan wie de beschikking was gericht -, bezwaar heeft ingesteld. De Hoge Raad heeft hiertoe redengevend geoordeeld dat van een belastingplichtige bezwaarlijk kan worden gevergd dat hij met het oog op de eventuele aanwending van een rechtsmiddel tegen een beschikking dan wel de eventuele niet aanvaarding van de op hem betrekking hebbende voorwaarden, onderzoek doet naar alle mogelijke consequenties die de beschikking in een toekomstige constellatie zal kunnen blijken te hebben. Een dergelijke situatie is niet aan de orde bij de 30%-bewijsregel.

2.13. Ter zitting is nog de situatie naar voren gebracht waarin een werkgever een reiskostenvergoeding toekent aan de werknemer en de werkgever deze reiskostenvergoeding voorzichtigheidshalve in de loonheffingen betrekt. Ter zake van dergelijke vergoedingen voorziet de wet echter niet in een afzonderlijke rechtsgang hetgeen bij de 30%-regeling wel het geval is. De belastbaarheid van een reiskostenvergoeding kan om die reden wel worden getoetst door rechtsmiddelen aan te wenden tegen de inhouding, de afdracht op aangifte dan wel de aanslag inkomstenbelasting.

2.14. Belanghebbendes beroep op het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999, nr. 34 654 (BNB 2000/124) kan hem evenmin baten. Voornoemd arrest is gewezen onder de Wet op de Inkomstenbelasting 1964. Onder die wet werd de beslissing voor toepassing van de vergoeding voor extraterritoriale kosten niet bij voor bezwaar vatbare beschikking genomen, hetgeen onder de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 wel het geval is.

2.15. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat de stelling van belanghebbende, dat zijn loon voor de inkomstenbelasting op een lager bedrag moet worden gesteld dan voor de loonheffing, ter beoordeling aan de belastingrechter voorgelegd kan worden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring van het rechtsmiddel dat tegen de aanslag inkomstenbelasting is gericht. De inspecteur heeft derhalve de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar terecht achterwege gelaten.

2.16. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 6 april 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.