Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW7481

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
11/1908
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking NiNbi. In beroep is gebleken dat de beschikking NiNbi tot een te laag bedrag is vastgesteld. De oorspronkelijke beschikking kan niet in beroep worden verhoogd, de inspecteur is erop aangewezen binnen de daarvoor geldende regels een voor bezwaar en beroep vatbare herzieningsbeschikking af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1805
FutD 2012-1545
V-N Vandaag 2012/1388
V-N 2012/40.4

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/1908

Uitspraakdatum: 27 maart 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats] (België), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland, de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 21 februari 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de vastgestelde beschikking “Niet in Nederland belastbaar inkomen” (hierna: NiNbi) 2008 (beschikkingsnummer NiNbi.[nummer]NB.86B1).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigde].

Belanghebbende is door de griffier bij brief van 4 april 2011 gevraagd domicilie binnen Nederland te kiezen. Belanghebbende heeft echter geen adres in Nederland aangewezen waar de correspondentie van de rechtbank naartoe gestuurd kan worden. De rechtbank heeft daarom alle correspondentie verstuurd naar het door belanghebbende in zijn beroepschrift genoemde adres in België.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 15 februari 2012 aan belanghebbende op het adres [adres] te [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu de brief waarin belanghebbende is uitgenodigd ter zitting te verschijnen voorafgaand aan de zitting niet ter griffie is terugontvangen, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 5 maart 2012 gevraagd in te stemmen met afdoening van de onderhavige zaak zonder zitting. Belanghebbende heeft die toestemming verleend. Nu die toestemming eerst na de zittingsdatum is verleend, is het beroep op de aangekondigde zitting behandeld.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de beschikking NiNbi;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is geboren op [datum] 1939 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd met [echtgenote]. Zij waren in het jaar 2008 woonachtig in België.

2.2. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar uit Nederland een AOW-uitkering van € 11.875, een ABP-pensioen van € 2.432 en een Shell-pensioen van € 43.455 ontvangen. Zijn echtgenote heeft in dat jaar geen inkomsten uit Nederland genoten. De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen bedraagt € 1.845.660; het voordeel uit sparen en beleggen 4% daarvan of € 73.826.

2.3. De AOW-uitkering en het ABP-pensioen, alsmede de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben belanghebbende en zijn echtgenote in hun aangiften inkomstenbelasting ieder voor de helft aangegeven. Het Shell-pensioen is in geen van beide aangiften aangegeven. Belanghebbende heeft niet geopteerd voor behandeling als binnenlands belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Het verzamelinkomen in de aangifte van belanghebbende bedraagt daarmee € 44.066 (€ 5.937 AOW + € 1.216 ABP-pensioen + € 36.913 voordeel uit sparen en beleggen)

2.4. Met dagtekening 19 november 2010 is de aanslag inkomstenbelasting aan belanghebbende opgelegd conform de ingediende aangifte.

2.5. Op 19 januari 2011 is de beschikking NiNbi vastgesteld op € 50.609. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. In zijn bezwaar bepleit belanghebbende een Ninbi van € 55.329. Bij de uitspraak op bezwaar is het NiNbi vastgesteld op € 87.522.

2.6. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. In zijn beroepschrift geeft belanghebbende aan dat het in de uitspraak vermelde bedrag van het verzamelinkomen in Nederland onjuist is. Belanghebbende zet daarbij uiteen dat uitsluitend het voordeel uit sparen en beleggen en het ABP-pensioen in Nederland belastbaar zijn. De inspecteur bepleit in beroep een Ninbi van € 55.330.

2.7. Artikel 8 van de Algemene Wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) (wettekst 2008) bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. Toetsingsinkomen is, het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

2. Niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, wordt in aanvulling op het eerste lid mede als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.”

2.8. Artikel 2 van de Awir bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

(…)

i. toetsingsinkomen: het inkomen bedoeld in artikel 8;

(…)

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;”

2.9. Artikel 21, aanhef en onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt, voor zover hier van belang:

“In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

e. inkomensgegeven:

1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatste bepaalde verzamelinkomen;”

2.10. Uit het voorgaande volgt dat het toetsingsinkomen van belanghebbende bestaat uit enerzijds het verzamelinkomen dat in Nederland belastbaar is zoals dat is vastgesteld bij (navorderings)aanslag en anderzijds het niet in Nederland belastbare inkomen van belanghebbende zoals dat is vastgesteld bij beschikking. De bedragen die zijn vermeld op de beschikking NiNbi en op de uitspraak op bezwaar tegen die beschikking onder de noemer ‘totaal wereldinkomen’ en ‘in Nederland belastbaar loon / verzamelinkomen’ zijn niet van betekenis voor het toetsingsinkomen en daardoor ook niet voor de daarop gebaseerde inkomensafhankelijke tegemoetkomingen. Die vermeldingen geven uitleg over de berekeningswijze, maar raken het toetsingsinkomen niet. Relevant voor het toetsingsinkomen is immers uitsluitend de uitkomst van de berekening, te weten het bedrag dat is vastgesteld aan Niet in Nederland belastbaar inkomen. Als die uitkomst onjuist is, moet de beschikking NiNbi worden vernietigd. Als het bedrag aan Niet in Nederland belastbaar inkomen niet op een te hoog bedrag is vastgesteld, is er geen reden de beschikking NiNbi te vernietigen, ook niet indien de berekening verkeerde bedragen vermeldt. Dit kan worden verklaard door de omstandigheid dat de omvang van het verzamelinkomen in Nederland uitsluitend wordt bepaald aan de hand van de vastgestelde (navorderings)aanslag inkomstenbelasting en niet wordt beïnvloed door de vermeldingen daarover op de beschikking NiNbi. Voor zover het beroep van belanghebbende is gericht tegen meer of andere bedragen vermeld op de uitspraak op bezwaar dan het bedrag van € 87.522 aan Niet in Nederland belastbaar inkomen is het beroep niet-ontvankelijk.

2.11. Voor zover het beroep van belanghebbende is gericht tegen voormeld bedrag van € 87.522 aan Niet in Nederland belastbaar inkomen is het beroep ontvankelijk. Bij het beoordelen van de gegrondheid van dit beroep neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

2.12. Artikel 8a van de Awir bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. Het niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld door de inspecteur.

2. Het niet in Nederland belastbaar inkomen is:

(…)

b. ten aanzien van degene die buitenlands belastingplichtige is voor de inkomstenbelasting: het verschil tussen enerzijds het verzamelinkomen dat hij zou hebben genoten ingeval hij op de voet van artikel 2.5 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 zou hebben gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen en, ingeval van vrijstelling op grond van bepalingen van interregionaal of internationaal recht, zonder die vrijstelling, en anderzijds het verzamelinkomen dat hij heeft genoten als buitenlands belastingplichtige;

(…)

3. Indien er grond is voor het vermoeden dat (…) dit inkomen tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur (…) het vastgestelde niet in Nederland belastbaar inkomen herzien.

(…)

5. Bij de in het derde lid bedoelde (…) herziening van het niet in Nederland belastbaar inkomen zijn, in afwijking in zoverre van de Algemene wet bestuursrecht, de bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de hoofdstukken VA en VIIIA, van toepassing als betrof het de vaststelling van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting.

6. Een beschikking op grond van dit artikel wordt aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.”

2.13. Ingevolge de artikelen 18 en 19 van het Verdrag tussen Nederland en België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en vermogen (hierna: het Verdrag) is Nederland heffingsbevoegd voor het ABP-pensioen van belanghebbende, maar niet voor de AOW-uitkering en het Shell-pensioen. Het niet in Nederland belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt derhalve € 55.330, bestaande uit AOW-uitkering van € 5.937 en het Shell-pensioen van € 43.455.

2.14. Het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde NiNbi van € 87.522 is dan ook tot een te hoog bedrag vastgesteld. Het NiNbi bedraagt immers zoals vermeld in 2.13 € 55.330. Reeds in zoverre is het beroep gegrond.

2.15. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de beslissing in deze zaak kan leiden tot een hogere NiNbi (€ 55.330) dan het NiNbi zoals vastgesteld bij beschikking, zijnde € 50.609. Hoewel artikel 8a, lid 3, van de Awir de inspecteur de mogelijkheid biedt de beschikking ten nadele van belanghebbende te herzien en belanghebbende zelf om verhoging heeft verzocht, kan de inspecteur dit naar het oordeel van de rechtbank niet realiseren door de oorspronkelijke beschikking bij de uitspraak op bezwaar tegen die beschikking te verhogen. Allereerst geldt als algemeen uitgangspunt dat een belanghebbende door het instellen van bezwaar en beroep niet in een nadeliger positie kan worden gebracht, dan waarin hij verkeerde voordat hij bezwaar en beroep instelde. Verder volgt uit de verwijzing in artikel 8a, lid 5, van de Awir naar de bepalingen over navordering in de AWR dat een herziening niet plaatsvindt binnen de oorspronkelijke beschikking maar dat een aparte (herzienings)beschikking wordt vastgesteld. Tot slot kan erop worden gewezen dat artikel 8a, lid 6, van de Awir voorschrijft dat de herziening geschiedt bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Een herziening bij uitspraak op bezwaar tegen de oorspronkelijke beschikking zou inhouden dat een herziening niet voor bezwaar en louter nog voor beroep vatbaar is. Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat de oorspronkelijke beschikking niet mag worden verhoogd. Om die reden handhaaft de rechtbank het NiNbi zoals vastgesteld bij beschikking op € 50.609. Voor het formaliseren van het juiste bedrag aan NiNbi is de inspecteur erop aangewezen binnen de daarvoor geldende termijn een voor bezwaar en beroep vatbare herzieningsbeschikking af te geven tot het bedrag van € 55.330.

2.16. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 6 april 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.