Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW7067

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
10/2017
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ5753, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aangifteplicht/omkering van de bewijslast

Belanghebbende, woonachtig in België, heeft ondanks de (terechte) uitnodiging en aanmaning daartoe geen aangifte inkomstenbelasting gedaan. De inspecteur heeft terecht een aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Omkering van de bewijslast. Belanghebbende heeft de onjuistheid van de uitspraak op bezwaar niet bewezen. Een deel van de aanslag is echter niet naar redelijkheid opgelegd. Vermindering van de aanslag en de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/2017

Uitspraakdatum: 23 maart 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], domicilie kiezende te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Roosendaal,

de inspecteur.

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 18 december 2009 aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2006 ([nummer].H66, hierna: de aanslag) en bij gelijktijdige beschikkingen heffingsrente en een vergrijpboete opgelegd.

1.2. De inspecteur heeft belanghebbendes bezwaren daartegen bij uitspraken met dagtekening 9 april 2010 ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 mei 2010, ontvangen bij de rechtbank op 17 mei 2010, beroep ingesteld.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en de inspecteur een conclusie van dupliek. Beide stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.1. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigden]. De beroepen met procedurenummers 09/4378 en 09/4379, 09/5650 tot en met 09/5653, 10/2016 en 10/2017 zijn gelijktijdig behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan op 7 februari 2011 een afschrift aan partijen is verstrekt.

1.6.2. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 21 december 2010 aan belanghebbende op het adres [adres], België (het bij de rechtbank op dat moment bekende adres), onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Genoemde brief is op 30 december 2010 ter griffie terugontvangen. Blijkens de vermelding op de envelop wordt de post niet (meer) op het vermelde adres ontvangen. De griffier heeft desondanks op 30 december 2010 de uitnodiging opnieuw, maar nu per gewone post aan voormeld adres verzonden. Ook deze is bij de griffie terugontvangen. Belanghebbende heeft bij brief van 14 januari 2011, ontvangen op 18 januari 2011, de rechtbank ingelicht dat hij domicilie kiest te Nederland op de [adres] te [plaats]. De rechtbank heeft de uitnodiging vervolgens op 20 januari 2011 per gewone post naar laatstgenoemd adres verzonden. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende de rechtbank pas op 18 januari 2011 in kennis heeft gesteld van de adreswijziging of domiciliekeuze is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1.7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de inspecteur in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken schriftelijke stukken te overleggen waarna belanghebbende in de gelegenheid is gesteld binnen een door de rechtbank nader te bepalen termijn te reageren.

1.8. De inspecteur heeft met dagtekening 14 februari 2011, ontvangen bij de rechtbank op 22 februari 2011, nadere stukken ingediend. De inspecteur heeft daarbij onder voorwaarden toestemming gegeven tot verdere behandeling zonder nadere zitting. De rechtbank heeft de nadere stukken in afschrift aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende is daarbij, bij brief van 24 februari 2011, in de gelegenheid gesteld daarop binnen drie weken te reageren. Belanghebbende is tevens verzocht aan te geven of hij een nadere mondelinge behandeling van de zaak wenst.

1.9. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 15 februari 2011 (bedoeld zal zijn 15 maart 2011), ontvangen bij de rechtbank op 16 maart 2011 gereageerd. De rechtbank heeft een afschrift daarvan aan de inspecteur verstrekt. Belanghebbende heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank aan te geven of hij een nadere mondelinge behandeling van de zaak wenst.

1.10. De inspecteur heeft bij brief van 30 januari 2012, op dezelfde dag ontvangen bij de rechtbank, nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift aan belanghebbende verstrekt.

1.11. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigden]. Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De beroepen met procedurenummers 09/4378 en 09/4379, 09/5650 tot en met 09/5653, 10/2016 en 10/2017 zijn gelijktijdig behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen is verzonden.

1.12. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de inspecteur ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende, destijds en in 2006 nog woonachtig in België, heeft tot september 2003 in [plaats X] in een maatschap een belastingadviespraktijk geëxploiteerd. Per 1 september 2003 heeft hij een holdingstructuur gecreëerd met hemzelf als bestuurder en enig aandeelhouder van [onderneming D] BV. [onderneming D] BV had een 100% deelneming in [onderneming E] BV, die een 100% deelneming had in [onderneming C] BV. Deze vennootschap en [onderneming A.] BV namen in 2006 ieder voor gelijke delen deel in het aandelenkapitaal van [onderneming B] BV, waarvan belanghebbende medebestuurder was. [onderneming B] BV hield in 2006 onder andere de aandelen van [onderneming F.] BV, een belastingadviespraktijk te [plaats X]. Alle voornoemde vennootschappen zijn naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschappen.

2.2. Belanghebbende heeft, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand geen aangifte inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen over 2006 gedaan.

2.3. De inspecteur heeft in 2007 een boekenonderzoek gestart bij belanghebbende en zijn vennootschappen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2003 tot en met 2005. De inspecteur heeft daarbij geconcludeerd dat belanghebbende in Nederland belastbare inkomsten geniet.

2.4. De inspecteur heeft bij brief van 18 juni 2009 belanghebbende alsnog in de gelegenheid gesteld uiterlijk 7 juli 2009 aangifte te doen. De inspecteur heeft belanghebbende daarbij tevens medegedeeld dat als geen aangifte wordt ingediend de aanslag ambtshalve wordt vastgesteld en dat belanghebbende dan moet bewijzen dat het vastgestelde inkomen over 2006 te hoog is. De inspecteur heeft belanghebbende in deze brief tevens medegedeeld dat een vergrijpboete opgelegd kan worden ter grootte van 100% van de verschuldigde belasting.

2.5. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 13 november 2009 in kennis gesteld dat geen aangifte over 2006 is ontvangen en een ambtshalve aanslag en een vergrijpboete aangekondigd. De brief vermeldt daarover, voor zover hier van belang, het volgende:

´De aanslag IB 2006 wordt bij schatting opgelegd. Vast staat dat zowiezo het gebruikelijk loon aangegeven had dienen te worden omdat u in 2006 loon genoot cq werkzaamheden verrichtte voor een vennootschap waarin u een (middellijke) aanmerkelijk belang positie hield.

Ook is uit informatie ons beschikbaar het vermoeden te ontlenen dat u een vordering hield op een gelieerde vennootschap, de rente daarop is tot de grondslag van box 1 te rekenen.

Ook zou in 2006 genoten voordelen uit het keuze-regime voor binnenlandse belastingplicht in aanmerking kunnen komen voor terugwenteling naar het inkomen van dit jaar.

Rekening houdend met bovenstaande gegevens bepaal ik het inkomen uit box 1 naar een grondslag van € 200.000 en stel de boete wegens het bewust (voorwaardelijk opzet) niet doen van aangifte vast op 75%.”

2.6. De inspecteur heeft met dagtekening 18 december 2009 de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 200.000. De vergrijpboete is daarbij vastgesteld op € 70.511.

3. Geschil

3.1. In het geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende aangifte- en belastingplichtig in Nederland is. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord is in geschil of de aanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslag en de beschikkingen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet in Nederland woont en dat hij geen Nederlandse inkomsten geniet en daarom aangifte- noch belastingplichtig is.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aan de in 2.1 vermelde feiten en omstandigheden in samenhang bezien met de bepalingen in hoofdstuk 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over de heffingsgrondslag van buitenlandse belastingplichtigen, het vermoeden van belastingplicht van belanghebbende in Nederland kon en mocht ontlenen. Belanghebbende is dan ook naar het oordeel van de rechtbank terecht uitgenodigd aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te doen (artikel 6 van de AWR). Dat belanghebbende in België woont waardoor de bilaterale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting met België het effectueren van de uit de nationale wet van Nederland voortvloeiende belastingheffing geheel of ten dele kan verhinderen, doet daar niet aan af.

4.3. Artikel 8 van de AWR bepaalt dat ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte verplicht is dat te doen. Niet in geschil is dat aan belanghebbende een uitnodiging tot het doen van aangifte is gedaan. Vaststaat dat belanghebbende geen aangifte heeft ingediend. Dat belanghebbende meent dat hij geen aangifte hoeft te doen omdat de inspecteur van zijn standpunt als verwoord in 4.1 op de hoogte is, doet hier niet aan af. Het niet doen van de gevraagde aangifte onthoudt de inspecteur de mogelijkheid om belanghebbendes standpunt omtrent diens belastingplicht adequaat te toetsen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur geen misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een aanslag op te leggen.

4.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Nu belanghebbende via [onderneming F.] BV, waarvan hij middellijk aandeelhouder was, in Nederland activiteiten heeft ontplooid, heeft de inspecteur terecht ambtshalve een aanslag opgelegd (artikel 11 van de AWR). Van misbruik van bevoegdheid is dan ook geen sprake.

4.5. De omstandigheid dat belanghebbende de aangifte niet heeft gedaan acht de rechtbank in dit geval bovendien van voldoende gewicht om daaraan het gevolg te verbinden dat op grond van het bepaalde in artikel 27e, aanhef en onderdeel a, AWR, het beroep ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar tegen de aanslag onjuist is.

4.5. Met het door hem overgelegde bewijsmateriaal, zoals de geconsolideerde jaarrekening van [onderneming B] B.V. per 31 december 2007 en de jaarrekeningen van [onderneming C.] BV en [onderneming E] BV per 31 december 2006, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet het bewijs geleverd dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.6. De rechtbank moet dan nog wel beoordelen of de aanslag niet naar willekeur is opgelegd, maar berust op een redelijke schatting. In dit geval stelt de rechtbank voorop dat de inspecteur in gevallen als het onderhavige in het algemeen een zekere armslag heeft, omdat hij niet kan beschikken over (betrouwbare) gegevens en bescheiden, en rekening moet houden met de mogelijkheid dat er - hem niet bekende - inkomsten zijn.

4.6.1. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag aansluiting gezocht bij het door hem in 2007 ingestelde boekenonderzoek en de bij hem bekende gegevens over eerdere inkomensopstellingen. Voor het onderhavige jaar komt de inspecteur dan tot de volgende opstelling:

€ 56.000 Gebruikelijk loon

€ 35.078 Rente op gelieerde vordering

€ 8.644 Bovenmatige autokostenvergoeding

€ 100.000 Terugploegregeling voordeel ex artikel 2.15 wet IB 2001

(twee jaar hypotheekrente van € 50.000)

4.6.2. Het bedrag van € 100.000 dat de inspecteur tot het geschatte inkomen over 2006 heeft gerekend, is als volgt toegelicht. Doordat de aanslagen inkomstenbelasting over 2003 en 2004 van belanghebbende nog niet onherroepelijk vaststaan, kan belanghebbende in die jaren alsnog ervoor kiezen gebruik te maken van de in artikel 2.5, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 neergelegde mogelijkheid om te worden aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige. Indien belanghebbende die keuze voor de jaren 2003 en 2004 alsnog maakt en voor het jaar 2006 ervan afziet die keuze te maken, moet in het onderhavige jaar inhaal plaatsvinden van alsnog over 2003 en 2004 te verlenen aftrekposten. Die aftrekposten zijn door de inspecteur becijferd op € 50.000 voor elk jaar.

4.6.3. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende voor die jaren niet voor de toepassing van voornoemd artikel 2.5, eerste lid heeft gekozen en expliciet heeft verklaard geen gebruik te willen maken van de in dat artikel neergelegde mogelijkheid om te worden aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige. Onder die omstandigheid acht de rechtbank het niet redelijk enig bedrag tot het inkomen van belanghebbende te rekenen zolang belanghebbende niet op zijn keuze is teruggekomen en er geen concrete aanwijzingen zijn dat belanghebbende voornemens is op zijn keuze terug te komen.

4.6.4. De rechtbank acht de correctie van € 100.000 niet redelijk. Voor het overige komen de correcties de rechtbank niet onredelijk voor. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan belanghebbende kennelijk meent staat het ontbreken van een inhoudingsplichtige niet eraan in de weg voor het bepalen van het loon voor de inkomstenbelasting de fictief loonregeling als bedoeld in art. 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 toe te passen. Een fictief loon van € 56.000 acht de rechtbank niet onredelijk. Voorts acht de rechtbank het niet onredelijk daarbovenop het bovenmatige deel van de aan belanghebbende toegekende kilometervergoeding voor zakelijk gebruik van zijn auto als loon aan te merken. Deze bovenmatige vergoeding bedraagt, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, € 8.644. Tot slot acht de rechtbank het niet onredelijk het bedrag van € 35.078 dat belanghebbende in het onderhavige jaar heeft genoten in verband met zijn geldverstrekking aan de in 2.1 genoemde vennootschappen, tot belanghebbendes inkomen uit werk en woning te rekenen.

4.6.5. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank een inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 100.000 (€ 200.000 minus € 100.000) een redelijke schatting van het door belanghebbende in 2006 genoten inkomen.

4.7. Wat de opgelegde vergrijpboete betreft, stelt de rechtbank voorop dat de inspecteur moet bewijzen dat het aan belanghebbendes opzet is te wijten dat de aangifte niet is gedaan (artikel 67d van de AWR). Hierbij is voldoende dat het aan belanghebbendes voorwaardelijke opzet is te wijten dat die aangifte niet is gedaan. Voorwaardelijke opzet is het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat die aangifte niet is gedaan. De inspecteur heeft belanghebbende, een belastingkundige, meermaals gewezen op diens aangifteplicht en heeft onbestreden gesteld dat belanghebbende ook over eerdere jaren niet tijdig of geen aangifte heeft gedaan. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in diens bewijslast. Belanghebbende heeft immers bewust geen aangifte gedaan. Hij was namelijk het standpunt toegedaan dat hij daartoe niet verplicht was, echter naar nu blijkt ten onrechte. Voor de boetegrondslag is de inspecteur uitgegaan van de te weinig betaalde belasting over het gehele inkomen uit werk en woning. De in overweging 4.6.5. gegeven beslissing brengt dan met zich dat het te betalen belastingbedrag, en daarmee de boetegrondslag, moet worden verminderd met € 52.000 tot € 42.015. De rechtbank acht de daarover door de inspecteur opgelegde boete van 75%, ofwel € 31.511 in het onderhavige geval passend en geboden.

4.8. Een beboete heeft op grond van onder meer artikel 6, lid 1, van het EVRM het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, behoudens bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege de inspecteur jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat genoemde termijn aanvangt op 13 november 2009, zijnde de datum van de in 2.5 genoemde brief en eindigt op 23 maart 2012, zijnde de datum van de uitspraak. In totaal bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn bijna 5 maanden. Overeenkomstig het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad HR 19 december 2008, nr. 42 763, LJN BD0191, vermindert de rechtbank de boete met 5% naar € 29.935.

4.9. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000, met handhaving van de overige elementen van de aanslag;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de boete tot € 29.935;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter,

mr. W.A.P. van Roij en mr.dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 4 april 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.