Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW7054

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
09/5650
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een van vier uitspraken (09/5650 t/m 09/5653)

Formeel belastingrecht

Het beroepschrift is binnen een week na het verstrijken van de beroepstermijn bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende het beroepschrift na de beroepstermijn van de termijn ter post heeft bezorgd. Het beroep, ook die tegen de belopen boete, is niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1796
FutD 2012-1505
V-N Vandaag 2012/1366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/5650

Uitspraakdatum: 23 maart 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], domicilie kiezende te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Roosendaal,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft bij uitspraken met dagtekening 12 november 2009 belanghebbendes bezwaren tegen de aan hem voor het jaar 2003 opgelegde aanslagen premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ([nummer].W36) en premie Ziekenfondswet ([nummer].S36) en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde vergrijpboeten wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 23 december 2009, ontvangen bij de rechtbank op 29 december 2009, beroep ingesteld.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en de inspecteur een conclusie van dupliek. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.1. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigden]. De beroepen met procedurenummers 09/4378 en 09/4379, 09/5650 tot en met 09/5653, 10/2016 en 10/2017 zijn gelijktijdig behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan op 7 februari 2011 een afschrift aan partijen is verstrekt.

1.5.2. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 21 december 2010 aan belanghebbende op het adres [adres], België (het bij de rechtbank op dat moment bekende adres), onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Genoemde brief is op 30 december 2010 ter griffie terugontvangen. Blijkens de vermelding op de envelop wordt de post niet (meer) op het vermelde adres ontvangen. De griffier heeft desondanks op 30 december 2010 de uitnodiging opnieuw, maar nu per gewone post aan voormeld adres verzonden. Ook deze is bij de griffie terugontvangen. Belanghebbende heeft bij brief van 14 januari 2011, ontvangen op 18 januari 2011, de rechtbank ingelicht dat hij domicilie kiest te Nederland op de [adres] te [plaats]. De rechtbank heeft de uitnodiging vervolgens op 20 januari 2011 per gewone post naar laatstgenoemd adres verzonden. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende de rechtbank pas op 18 januari 2011 in kennis heeft gesteld van de adreswijziging of domiciliekeuze is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1.6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de inspecteur in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken schriftelijke stukken te overleggen waarna belanghebbende in de gelegenheid is gesteld binnen een door de rechtbank nader te bepalen termijn te reageren.

1.7. De inspecteur heeft met dagtekening 14 februari 2011, ontvangen bij de rechtbank op 22 februari 2011, nadere stukken ingediend. De inspecteur heeft daarbij onder voorwaarden toestemming gegeven tot verdere behandeling zonder nadere zitting. De rechtbank heeft de nadere stukken in afschrift aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende is daarbij, bij brief van 24 februari 2011, in de gelegenheid gesteld daarop binnen drie weken te reageren. Belanghebbende is tevens verzocht aan te geven of hij een nadere mondelinge behandeling van de zaak wenst.

1.8. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 15 februari 2011 (bedoeld zal zijn 15 maart 2011), ontvangen bij de rechtbank op 16 maart 2011, gereageerd. De rechtbank heeft een afschrift daarvan aan de inspecteur verstrekt. Belanghebbende heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank aan te geven of hij een nadere mondelinge behandeling van de zaak wenst.

1.9. De inspecteur heeft bij brief van 30 januari 2012, op dezelfde dag ontvangen bij de rechtbank, nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift aan belanghebbende verstrekt.

1.10. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigden]. Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De beroepen met procedurenummers 09/4378 en 09/4379, 09/5650 tot en met 09/5653, 10/2016 en 10/2017 zijn gelijktijdig behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen is verzonden.

1.11. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Gronden

2.1. Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn vangt op grond van artikel 26c van de AWR aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking. In laatstgenoemd geval vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die van de bekendmaking van de uitspraak.

2.2. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de beroepstermijn is ontvangen. Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat een beroepschrift bij verzending per post tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat niet-ontvankelijkverkla¬ring van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift achterwege blijft indien redelijker¬wijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.3. Er is geen reden om aan te nemen dat de uitspraken op een datum na die van de dagtekening ervan aan belanghebbende zijn verzonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is daarom geëindigd op donderdag 24 december 2009. Het beroepschrift is gedagtekend 23 december 2009 en is bij de rechtbank binnengekomen op dinsdag 29 december 2009, dus na afloop van de beroepstermijn. Het beroepschrift is per post binnengekomen binnen één week na afloop van de termijn.

2.4. Voor zover het beroep de belasting betreft rust de bewijslast dat het beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, op belanghebbende. Voor zover het beroep de boete betreft, volstaat dat belanghebbende stelt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd.

2.5. Belanghebbende heeft in dit verband het volgende aangevoerd:

“Ter post bezorgen is het in de brievenbus doen van het aangeboden stuk. Indien een stuk ter post wordt bezorgd op een moment gelegen in de periode van donderdagavond 24 december 2009 tot en met maandag 28 december 2009 krijgt het de poststempel 28 december 2009. Immers, donderdagavond wordt de post niet opgehaald en verwerkt, deze vrijdag en deze zaterdag zijn feestdagen (kerstmis) en de zondag is eveneens een vrije dag.”

Naar de rechtbank begrijpt bedoelt belanghebbende te stellen dat hij het beroepschrift uiterlijk 24 december 2009 in de brievenbus heeft gedaan.

2.6. De rechtbank stelt vast dat de envelop waarmee het beroepschrift is binnengekomen geen postzegel bevat maar een zegel waaruit blijkt dat belanghebbende de envelop op 28 december 2009 om 15:24 uur aan een postkantoor van TNT heeft aangeboden en daar de verschuldigde portokosten van € 0,88 heeft voldaan. Daarmee acht de rechtbank de onjuistheid van belanghebbendes stelling bewezen. Het beroep tegen de uitspraken is naar het oordeel van de rechtbank te laat ingediend. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd dat en op welke grond een eventuele termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen. Het beroep dient zowel voor de belasting als voor de boete, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak kan de rechtbank niet toekomen.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter,

mr. W.A.P. van Roij en mr.dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.