Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6622

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
10/2660
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1van 3

Belanghebbende heeft aangifte gedaan als buitenlands belastingplichtige. In geschil is de woonplaats van belanghebbende en de belastbaarheid van (fictief) loon. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat de woonplaats van belanghebbende in Nederland is. Ook kan het fictief loon op grond van de arresten van de Hoge Raad van 5 september 2003, nrs. 37.670 geen onderdeel van het belastbaar inkomen uitmaken. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de werkzaamheden voor de Luxemburgse SA in Nederland en Zweden heeft verricht en dat een deel van deze inkomsten in Nederland mogen worden belast. Omdat deze inkomsten absoluut en relatief aanzienlijk zijn wordt de bewijslast omgedraaid. Nu belanghebbende niet heeft doet blijken welk deel van zijn loon aan Zweden moet worden toegerekend, stelt de rechtbank het in Nederland belast deel in redelijkheid op 90% vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1791
FutD 2012-1446
V-N Vandaag 2012/1328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/2660

Uitspraakdatum: 30 maart 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 162.925.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 mei 2010 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 juni 2010, ontvangen bij de rechtbank op 22 juni 2010, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4. De inspecteur heeft op 20 januari 2011 een verweerschrift ingediend.

1.5. Bij brief van 26 april 2011 zijn partijen uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep op 10 juni 2011. Op verzoek van belanghebbende is deze mondelinge behandeling uitgesteld in afwachting van de zaken met procedurenummers 11/1991 en 11/2305 aangezien deze zaken nog niet zittingrijp waren.

Op 12 september 2011 zijn partijen in alle drie de zaken uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep op 4 november 2011. Op verzoek van de inspecteur is deze behandeling uitgesteld in verband met de afwezigheid van de behandelende ambtenaren.

1.6. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2011 te Roermond. De zaken met procedurenummers 10/2660, 11/1991 en 11/2305 zijn daar gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.8. De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde datum als deze uitspraak is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1964 en heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2. Belanghebbende heeft op 8 november 2005 voor het onderhavige jaar aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 4.807. Dit betrof inkomsten uit overige werkzaamheden. In zijn aangifte geeft hij aan in 2004 in Duitsland te wonen.

2.3. Naar aanleiding van de ingediende aangifte over 2004 heeft de inspecteur bij brief van 14 augustus 2007 belanghebbendes gemachtigde een vragenbrief gestuurd. Op 14 september 2007 heeft de inspecteur gerappelleerd. Bij brief van 20 september 2007 heeft de gemachtigde de vragen beantwoord. Bij brief van 21 september 2007 heeft de inspecteur nadere vragen gesteld over, onder andere, de woonplaats van belanghebbende en zijn aandeelhouderschap in de vennootschappen [onderneming A] BV en [onderneming B] BV. Op 23 november 2007 heeft de gemachtigde deze vragen beantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur bij brief van 27 november 2007 een aanslag ter behoud van rechten aangekondigd. Hierbij gaat de inspecteur er van uit dat belanghebbende in Nederland woont, verder stelt hij dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 47 en 49 AWR, dat de vereiste aangifte niet gedaan is, dat belanghebbende € 120.000 heeft genoten uit [onderneming C] SA (hierna [onderneming C]) en dat hij directeur-grootaandeelhouder is van [onderneming B] BV en [onderneming D] BV waarvoor het gebruikelijk loon op € 38.118 gesteld wordt. De aanslag, naar een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 162.925 is op 14 december 2007 vastgesteld.

2.4. Belanghebbende heeft geen aangifte inkomstenbelasting gedaan in Duitsland en heeft ingeschreven gestaan bij de burgerlijke stand in Duitsland van 1 april 2005 tot 26 januari 2010.

2.5. Belanghebbende heeft een “Mietvertrag” vanaf 1 maart 2003 met betrekking tot het pand [adres] te Düsseldorf (appartement van 70 m2) overgelegd. Hierbij heeft hij een verklaring van zijn verhuurder overgelegd waaruit valt op te maken dat de huur het tijdvak 1 maart 2003 tot en met 30 april 2005 betrof.

2.6. Belanghebbende heeft eind 2004 een appartement aan de [adres] te Aken gekocht. Volgens zijn verklaring (in een brief van 14 juli 2008 van zijn gemachtigde aan de Duitse belastingdienst) heeft hij deze woning in april 2005 betrokken. Belanghebbende heeft een drietal verklaringen overgelegd (van [persoon A], [persoon B] en [persoon C]) dat zij belanghebbende gedurende de jaren 2004 tot en met 2008 (2005 voor [persoon A]) op dat adres bezocht hebben.

2.7. In een brief aan Finanzamt Aachen-Innenstadt heeft belanghebbende op 16 maart 2005, onder andere, het volgende aangegeven:

1. Seit wann leben Sie im Ausland (…): seit geburt

(…)

9. Wie wird das Grundstück/das Gebäude/die Wohnung genutzt? Wird noch nicht genutzt.”

2.8. Belanghebbende heeft verschillende rekeningafschriften uit 2004 overgelegd van een rekening met nummer [nummer] bij de ABNAMRO bank te Vaals met als adres [adres] te Düsseldorf.

2.9. Belanghebbende heeft vanaf 1999 een relatie gehad met [persoon C] te [plaats]. Deze relatie is rond 2004 verbroken. Voor haar heeft belanghebbende het perceel [adres] met opstal te Maastricht vanaf 2000 beheerd. Hij heeft hiervoor een vergoeding minus kosten ontvangen van € 4.807.

2.10. Belanghebbende is vanaf 14 oktober 2004 100% aandeelhouder van [onderneming A] BV (vanaf 24 april 2007 is de naam veranderd in [onderneming B] BV). Deze BV is bestuurder van [onderneming E] BV (belanghebbende was betrokken bij de oprichting van deze BV en zijn ex-partner was 100% aandeelhouder op zijn verzoek vanwege zijn concurrentiebeding bij zijn oude werkgever).

2.11. Belanghebbende was vanaf begin 2004 als enige werknemer in dienst bij [onderneming C] SA (hierna: [onderneming C]) te Luxemburg. Zijn loon in 2004 heeft € 61.884 bedragen. Hem stond ook een auto van [onderneming C] ter beschikking. De activiteiten van [onderneming C] betroffen (indirect) uitzendactiviteiten in Nederland (achtereenvolgens via [onderneming E] BV, [onderne[onderneming F] BV en [onderneming F] BVBA en [onderneming H] BV/[onderneming H] BVBA) en het project “[project]” in Zweden.

2.12 [onderneming C] betaalde een deel van de uitzendkrachten van [onderne[onderneming F] BV onder de naam “reis-onkostenv.”. Het ging hierbij om de volgende bedragen:

Periode Uitbetalingen totaal

15-10-2004 t/m 31-12-2004 € 315.321,13

03-01-2005 t/m 31-12-2005 € 3.000.010,36

01-01-2006 t/m 30-06-2006 € 992.696,22

Totaal € 4.308.027,71

2.13. Bij de FIOD zijn door verschillende werknemers in 2009 en 2010 verhoord. In januari 2010 [persoon D], werkneemster [onderneming F] BVBA en [onderneming H] BVBA, en in mei 2009 [persoon E], werkneemster [onderne[onderneming F] BV. Belanghebbende is in november 2009 door de FIOD verhoord.

3. Geschil

3.1. In geschil is:

1. Woonde belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland?

2. Zo ja, kan belanghebbende aan de aanslag over het jaar 2006 het vertrouwen ontlenen dat de belastingdienst het standpunt inneemt dat hij niet in Nederland woonde?

3. Heeft de inspecteur terecht bedragen aan fictief loon en loon bijgeteld?

4. Is de aanslag terecht met omkering van de bewijslast opgelegd?

5. Is belanghebbende verzekerd voor de premies volksverzekeringen?

Belanghebbende beantwoordt de vragen 1, 3, 4 en 5 ontkennend en vraag 2 bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar de proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.807. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Woonplaats

4.1. Op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Een natuurlijke persoon heeft zijn woonplaats in Nederland, indien hij een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland heeft. Bepalend daarbij is of uit uiterlijke omstandigheden blijkt dat de banden van de belastingplichtige met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft. De inspecteur die een natuurlijk persoon als binnenlandse belastingplichtige aanmerkt dient feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat die persoon in Nederland woont. Nu de door de inspecteur gestelde omkering van de bewijslast is gestoeld op een te lage aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen die mede zijn oorzaak vindt in belanghebbendes woonplaats, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de beoordeling of belanghebbende binnenlands- dan wel buitenlands belastingplichtig is, de normale regels van het bewijsrecht gelden. Of die aangifte te laag was hangt immers ook van dit oordeel af.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet in deze bewijslast geslaagd. Hoewel de rechtbank aan de inspecteur moet toegeven dat belanghebbende verschillende relaties heeft met Nederland (aandeelhouderschap van Nederlandse BV, (ex-)vriendin met woning in Nederland, werkzaamheden voor (ex-) vriendin in Nederland) heeft hij tegenover de weerspreking van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat deze in Nederland het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft gehad in 2004. De rechtbank acht hier mede van belang het feit dat hij in Duitsland een woning ter beschikking had en niet enkel in Nederland activiteiten ontplooide. Met name op grond van de in 2.6 bedoelde verklaringen acht de rechtbank niet aannemelijk dat dit middelpunt van de persoonlijke levensbelangen in Nederland was gelegen.

4.3. Het tweede geschilpunt behoeft dan geen behandeling meer.

4.4. Met betrekking tot belanghebbendes activiteiten in het onderhavige jaar overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende vanaf 2000 actief is in de uitzendbranche. Belanghebbende is vanaf dat jaar tezamen met zijn broer een uitzendbureau gaan exploiteren. Dit gebeurde met name vanuit kantoren in [plaats] en [plaats]. Deze uitzendactiviteit is gedaan met diverse vennootschappen al dan niet opgericht naar Nederlands recht. De uitzending van personeel geschiedde vanuit Nederlandse vennootschappen waarbij deze als franchisenemers functioneerde van Luxemburgse vennootschappen. Bij de franchiseovereenkomsten werd overeengekomen dat de franchisegever zijn vakkennis van de markt inbrengt en de franchisenemer de expertise op financieel en administratief gebied inbrengt. Belanghebbende en zijn ex-vriendin waren hierbij de aandeelhouders van de Nederlandse vennootschappen en belanghebbendes broer was aandeelhouder van de Luxemburgse vennootschappen. Belanghebbende ontving van de Luxemburgse vennootschappen de beschikking over een personenauto en een inkomen van aanvankelijk € 5.000 per maand en later € 10.000 per maand. De rechtbank acht hierbij aannemelijk dat belanghebbende voor die inkomsten steeds arbeid in Nederland heeft verricht voor de uitzending van personeel. Belanghebbende was immers de initiatiefnemer en zijn activiteiten voor [onderneming I] vormden de basis voor het opzetten van de uitzendactiviteiten. De rechtbank hecht daarbij geen geloof aan belanghebbendes verklaring dat hij enkel actief is geweest bij de opstart van de uitzendactiviteiten en tijdens de detentie van zijn broer en dat hij de inkomsten gedurende de jaren 2000 tot en met 2009 enkel daarvoor heeft ontvangen.

Fictief loon [onderneming A] BV

4.5.1. Voor een buitenlands belastingplichtige bestaat het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland volgens artikel 7.2 van de Wet IB 2001 onder andere uit het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid.

4.5.2. Nu niet in geschil is dat belanghebbende sinds 14 oktober 2004 100% aandeelhouder en bestuurder is van (toen nog) [onderneming A] BV, wordt op grond van artikel 7.2, lid 7 van de Wet IB 2001 geacht de dienstbetrekking voor de bestuurder van een in Nederland gevestigd lichaam, in casu belanghebbende, in Nederland te zijn vervuld. Op grond van artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964 dient een fictief loon te worden toegekend van € 38.118 voor een heel jaar. Nu belanghebbende echter pas sinds 14 oktober 2004 aandeelhouder is van de vennootschap acht de rechtbank het redelijk aan belanghebbende een bedrag van 79/366 maal € 38.118 is € 8.227 aan fictief loon toe te rekenen.

4.5.3. Inkomsten uit arbeid mogen op grond van artikel 10 van de overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van inkomen en van vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied van 16 juni 1956, met aanvulling van het Eerste aanvullend protocol van 13 maart 1980, Tweede aanvullend protocol van 21 mei 1991 en het Derde aanvullend protocol van 4 juni 2004 (het verdrag met Duitsland), door Nederland worden belast. In het onderhavige geval gaat het echter om het heffen van belasting over inkomsten die niet daadwerkelijk zijn verkregen en die, indien zij in de toekomst alsnog worden verkregen, als dividend of vermogenswinst kunnen toevloeien aan de ontvanger. Deze kunnen op grond van artikel 13 van het verdrag met Duitsland aan Duitsland (woonland) worden toegewezen. Daarmee brengt de fictie, nu het verdrag met Duitsland voor inkomsten uit dienstbetrekking andere toewijzingsregels kent dan voor dividend en vermogenswinst, potentieel een verschuiving teweeg in de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen Nederland en Duitsland, welke is gebaseerd op het onderscheid naar de aard van de inkomsten. Derhalve laat het verdrag met Duitsland een op die fictie gebaseerde heffing niet toe (zie ook de Hoge Raad in haar arresten van 5 september 2003, nrs. 37.670 en 37.651). Het fictief loon kan daarom geen onderdeel van het belastbaar inkomen uitmaken.

Loon [onderneming C]

4.6.1. Niet in geschil is dat [onderneming C] een vennootschap naar Luxemburgs recht is die in Luxemburg is gevestigd. Tevens is niet in geschil dat deze vennootschap belanghebbende een loon betaalde en hem een personenauto ter beschikking stelde. Gezien het in 4.4 overwogene is de rechtbank met de inspecteur van oordeel dat de werkzaamheden voor [onderneming C] aan Nederland toegerekend moeten worden. De rechtbank acht immers aannemelijk dat belanghebbende voor [onderneming C] actief was in het uitzendwerk dat in Nederland werd verricht vanuit de vestigingen in Nederland.

4.6.2. Gelet op de verklaringen tegenover de FIOD van belanghebbende zelf acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende zijn werkzaamheden voor [onderneming C] nagenoeg geheel heeft verricht voor de uitzendactiviteiten in Nederland en voor het resterende voor het project in Zweden. Gelet op het verdrag met Duitsland mag de werkstaat, Nederland, over deze inkomsten belasting heffen. Het feit dat belanghebbende stelt dat deze loonbetalingen eventueel terug betaald zou kunnen gaan worden doet hier niet aan af. Niet in geschil is immers dat de bedragen daadwerkelijk (als loon) aan belanghebbende zijn betaald en dat belanghebbende die betalingen niet in het onderhavige jaar heeft terug betaald.

Omkering bewijslast

4.7.1. Gelet op het onder 4.6 overwogene is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval een deel van het loon van [onderneming C] in Nederland belast mag worden. Dit bedrag is ten opzichte van de aangegeven inkomsten, zowel absoluut als relatief, aanzienlijk. Voor dat geval is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende een aanzienlijk te lage aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft gedaan voor het onderhavige jaar.

4.7.2. Op grond van het bepaalde in artikel 27e van de AWR verklaart de rechtbank het beroep ongegrond tenzij is gebleken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. Op belanghebbende rust dan ook de last te bewijzen dat de uitspraak op bezwaar onjuist of de aanslag te hoog is.

4.7.3. Met hetgeen belanghebbende stelt omtrent zijn werkzaamheden in Zweden heeft hij aangetoond dat de volledige belasting van zijn loon van [onderneming C] in Nederland te hoog is.

Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, welk deel van zijn loon aan Zweden toegerekend zou moeten worden. Belanghebbende houdt geen agenda bij en heeft op geen enkele wijze bewijs geleverd omtrent de omvang van de werkzaamheden die betrekking hebben op Zweden of Nederland. Ook heeft belanghebbende geen rekening gehouden met de door [onderneming C] ook voor de werkzaamheden in Nederland ter beschikking gestelde personenauto.

4.7.4. Belanghebbende is niet geslaagd in de bewijslast in welke mate de correctie te hoog is. Hierdoor zal de rechtbank moeten beoordelen in hoeverre de correctie niet willekeurig is. Gelet op de verschillende verklaringen van belanghebbende en de werknemers is het aannemelijk dat belanghebbende regelmatig in Nederland was en daar werkzaamheden verrichtte voor [onderneming C]. Op grond hiervan stelt de rechtbank zijn loon van [onderneming C] dat belast kan worden in Nederland in goede justitie vast op 90% van het totaal genoten loon. Met betrekking tot de bijtelling voor de personenauto acht de rechtbank een daarmee overeenkomende verhouding eveneens redelijk. Het in aanmerking te nemen loon bedraagt dan inclusief bijtelling auto € 108.000.

4.8. Nu de rechtbank op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel is dat de aanslag te hoog is vastgesteld zal de rechtbank de aanslag inkomstenbelasting verminderen. Het belastbaar inkomen wordt dan € 4.807 en € 108.000 is € 112.807.

Premieheffing

4.9. Voor de heffing van de premie volksverzekeringen gaat de rechtbank uit van de in 4.4 vastgestelde feiten. In aanvulling daarop acht de rechtbank niet aannemelijk dat belanghebbende enige arbeid heeft verricht in Luxemburg. Dat is gesteld noch aannemelijk geworden.

4.10.1. Nu belanghebbende in Duitsland woont en in Nederland en in Zweden als werknemer van een Luxemburgse SA in loondienst werkzaam is, is de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening) van toepassing. De Verordening voorziet niet in een harmonisatie van de sociale zekerheid binnen de Europese Unie maar voorziet in een regeling ter voorkoming van onder meer dubbele verzekering en daarmee dubbele premieplicht. In een geval dat ten aanzien van een burger een verplichte sociale verzekering van toepassing is voorziet het gemeenschapsrecht erin dat de bevoegdheid om premies te heffen binnen de Unie slechts kan worden toegepast door één lidstaat. Het gemeenschapsrecht bepaalt daarbij niet onder welke voorwaarden het recht op of de verplichting tot aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel is geregeld. De Nederlandse wetgever heeft op grond van het gemeenschapsrecht inzake de sociale zekerheid een hoge mate van vrijheid een eigen stelsel van sociale zekerheid in te richten.

4.10.2. Met betrekking tot de werkzaamheden voor [onderneming A] BV merkt de rechtbank het volgende op. Uit het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2003, nr. 37.793, BNB 2003/152 valt op te maken dat een bestuurder als belanghebbende die in Nederland anders dan in loondienst beroepswerkzaamheden verricht, ook al ontvangt hij daarvoor geen beloning, binnen de personele werkingssfeer van de Verordening valt.

4.10.3. Belanghebbende is zowel werkzaam in loondienst in Nederland als in Zweden en werkzaam anders dan in loondienst in Nederland geweest. Op grond van het bepaalde in artikel 14 quater, onderdeel a van de Verordening is dan, behoudens het bepaalde in onderdeel b, de wetgeving van de Lidstaat van toepassing die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 14, punt 2. Onderdeel b is niet van toepassing omdat het onderhavige geval niet voorkomt in bijlage VII van de Verordening.

4.10.4. Op grond van artikel 14, punt 2, onderdeel b, ii van de Verordening is de wetgeving van Luxemburg op belanghebbende van toepassing. Hij is immers bij de in Luxemburg gevestigde vennootschap in dienst en hij verricht de werkzaamheden niet in zijn woonstaat. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 quinquies wordt dan die wetgeving op alle werkzaamheden van toepassing geacht te zijn. Dit betekent dat de werkzaamheden die op het grondgebied van de andere lidstaten (in casu Nederland en Zweden) zijn verricht, worden beschouwd alsof deze zijn verricht op het grondgebied van Luxemburg. De Nederlandse volksverzekeringen zijn dan niet op belanghebbende van toepassing, zodat hij daarvoor ook niet premieplichtig kan zijn.

4.10.5. Nu belanghebbende niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen dient de aanslag premie volksverzekeringen te vervallen. De rechtbank zal daarom de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen wijzigen in een aanslag inkomstenbelasting. De aanslag premie volksverzekeringen en het bedrag aan premieheffing komen dan te vervallen.

4.11. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van drietal samenhangende zaken waarin belanghebbenden geheel of gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft de zaken met nummers 10/2660, 11/1991 en 11/2305.

5.2. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.196 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1 voor de zwaarte en wegingsfactor 1 voor het aantal samenhangende zaken).

5.3. De rechtbank zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van (€ 1.196 : 3 =) € 399.

6. Schadevergoeding

6.1. Met betrekking tot belanghebbendes verzoek om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt.

6.2. In het arrest 10 juni 2011, 09/05112, BO5080 heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 EVRM niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend, ook indien het beroep tegen de aanslag of beschikking ongegrond is verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

6.3. In het arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn in beginsel twee jaar is (voor bezwaar- en beroepsfase) tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;

b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

6.4. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 28 december 2007, zijn ten tijde van de onderhavige uitspraak ruim vier jaar en twee maanden verstreken. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 12 mei 2010. De bezwaartermijn heeft dan 29 maanden geduurd en de beroepstermijn 21 maanden.

6.5. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009 (LJN: BH1009) dient per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, hierbij wordt de bezwaarfase als een afzonderlijke instantie beschouwd. Voorts is in deze uitspraak vastgesteld dat de bezwaarfase niet langer mag duren dan een half jaar en voor de beroepsfase een termijn geldt van anderhalf jaar. Indien deze termijnen worden overschreden, dient een vergoeding te worden toegepast van € 500 per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

Termijnoverschrijding in de bezwaarfase

6.6.1. Vast staat dat het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift op 28 december 2007 door de inspecteur is ontvangen. De in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van de inspecteur zijn gedagtekend 12 mei 2010. Het horen heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Naar aanleiding van dat horen heeft een briefwisseling plaatsgevonden op 10 maart 2008 van belanghebbende en 19 maart 2008 van de inspecteur. In laatstgenoemde brief vraagt de inspecteur nadere inlichtingen. Op 27 januari 2010 en 31 maart 2010 herinnert de inspecteur belanghebbende aan die vragen waarop nog steeds geen antwoord was ontvangen. Nadat nog steeds geen reactie van belanghebbende is ontvangen heeft de inspecteur met dagtekening 12 mei 2010 uitspraak op bezwaar gedaan

6.6.2. De rechtbank is op grond van vorenstaande gang van zaken en de aard van de materie, het betreft een beoordeling van de woonplaats en de toepassing van belastingverdragen, van oordeel dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar niet is overschreden. De termijn heeft weliswaar 29 maanden geduurd maar die duur is met name het gevolg geweest van het feit dat belanghebbende niet heeft gereageerd op vragen van de inspecteur.

Termijnoverschrijding in de beroepsfase

6.7. Belanghebbendes beroepschrift is op 22 juni 2010 door de rechtbank ontvangen. De onderhavige uitspraak is gedaan op 30 maart 2012. Van deze 21 maanden zijn 5 maanden verstreken op grond van een verzoek om uitstel van behandeling van belanghebbende. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook met de duur van de behandeling van het beroep van 21 maanden de behandelingstermijn in beroep niet onredelijk lang is geweest. Die langere duur was immers aan belanghebbende zelf is te wijten.

6.8. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat met de behandeling van het bezwaar en beroep de redelijke termijn niet is overschreden zodat de rechtbank geen aanleiding ziet voor een schadevergoeding daarvoor. De rechtbank wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- wijzigt de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen in een aanslag inkomstenbelasting en vermindert die aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.807;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 399;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg- Braspenning, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 april 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.