Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6251

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
246151 FA RK 12-936
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling is afgewezen, nu er geen sprake meer is van family life tussen de man en de minderjarigen en de minderjarigen zich ernstig verzetten tegen het verzoek van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 246151 FA RK 12-936

Beschikking

in de zaak van

[naam vader]

wonende te [adres]

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.G.A. Mattheussens,

en

[naam moeder]

wonende te [adres]

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L.A.P. van Haperen.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 27 februari 2012 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 27 maart 2012 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 april 2012.

2. De verzoeken

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vaststelling van een informatieregeling, waarbij de vrouw wordt verplicht hem eenmaal per drie maanden te informeren omtrent gewichtige aangelegenheden (waaronder begrepen het welzijn, de ontwikkeling en opvoeding) betreffende na te noemen minderjarigen, tot de dag dat de minderjarigen de meerderjarige leeftijd zullen bereiken.

De vrouw verzoekt:

Primair

de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans zijn verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen;

Subsidiair

toewijzing van het verzoek van de man met dien verstande, dat de vrouw wordt verplicht de man eenmaal per jaar te verplichten te informeren omtrent gewichtige aangelegenheden (waaronder begrepen het welzijn, de ontwikkeling en opvoeding) betreffende na te noemen minderjarigen, tot de dag dat de minderjarigen de meerderjarige leeftijd zullen bereiken.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staat, op grond van de stellingen en overgelegde stukken, het hierna vermelde vast.

- Partijen zijn van 31 juli 1996 tot 19 april 2001 met elkaar gehuwd geweest.

Uit hun huwelijk zijn geboren de minderjarigen

1. [naam zoon] december 1997,

2. [naam dochter] februari 2000.

- De vrouw heeft het gezag over de minderjarigen.

- De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

2.2 Ter toelichting op zijn verzoek stelt de man dat partijen diverse procedures hebben gevoerd met betrekking tot verzoeken van de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen. Bij beschikking van 5 oktober 2009 heeft de rechtbank het (laatste) verzoek afgewezen. De man is de afgelopen jaren in een stabiel vaarwater gekomen. Hij kampt niet langer met psychische problemen en zijn ziekte belemmert hem niet langer om deel te nemen aan het dagelijkse bestaan. De man heeft sinds 2008 zelfstandige woonruimte, een baan en een relatie. Hij heeft nog steeds de wens om het contact tussen hem en de minderjarigen te herstellen. De minderjarigen zijn inmiddels op de hoogte van het bestaan van de man als hun biologisch vader. Gezien de leeftijd van de minderjarigen is te verwachten dat zij hierin meer inzicht willen krijgen, vragen gaan stellen en zich mogelijk op eigen initiatief tot de man zullen wenden. De man is bereid de vrouw meer inzicht te verschaffen over zijn persoonlijke situatie, zodat de vrouw de minderjarigen correct kan informeren omtrent hun vader. Gelet hierop acht de man het in het belang van de minderjarigen dat hij middels een informatieregeling betrokken blijft bij hun welzijn en ontwikkeling. De vrouw heeft niet gereageerd op zijn verzoek om hieraan haar medewerking te verlenen. De man verzoekt dan ook alsnog te voorzien in een informatieregeling.

2.3 In reactie op het verzoek van de man voert de vrouw aan dat zij na de beschikking van

5 oktober 2009 opnieuw niets meer van de man vernomen heeft. Zij is er niet van overtuigd dat de man kampt met de ziekte van Graves en dat dit hem belette om contact te hebben met de minderjarigen; hiervan is geen enkel bewijs overgelegd. Als de man in 2008 al zelfstandige woonruimte en een relatie had, had hij zijn leven toen al redelijk op orde en had hij op dat moment inspanningen kunnen verrichten om het contact met de minderjarigen te herstellen.

De man heeft de minderjarigen elf jaar lang niet bezocht, een kaartje gestuurd of in een andere vorm contact met hen gezocht. De vrouw heeft de verzorging en opvoeding van de minderjarigen ruim elf jaar op zich genomen, van communicatie tussen partijen is al die tijd geen sprake en bij beschikking van 8 november 2010, hersteld bij beschikking van 15 november 2010 heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over de minderjarigen voortaan aan haar alleen toekomt.

Mogelijk willen de minderjarigen in de toekomst meer informatie over en contact met de man en de vrouw zal hen daarin ondersteunen. De minderjarigen geven echter op dit moment aan dat zij geen contact met de man wensen. De vrouw maakt graag gebruik van het aanbod van de man om meer inzicht te verschaffen in de persoonlijke situatie van de man, zodat zij na elf jaar mogelijk duidelijkheid krijgt. Omdat de man op geen enkele wijze een band heeft met de minderjarigen, is er geen noodzaak voor een informatieregeling. Bovendien verzetten de minderjarigen zich fel tegen informatieverstrekking aan de man. Het verstrekken van informatie over de minderjarigen is niet in hun belang; het brengt onrust mee en het belast de verhouding met de vrouw. Daarnaast is gebleken dat de minderjarigen te lijden hebben onder de procedures van partijen. Hun cijfers op school zijn sterk gedaald. Met verwijzing naar een tweetal uitspraken van het hof (LJN: BJ9646 en BP5300) meent de vrouw dat het belang van rust voor de minderjarigen dient te prevaleren boven het belang van de man bij het verkrijgen van een informatievoorziening.

Subsidiair stelt de vrouw dat de informatieregeling zo min mogelijk belastend moet zijn voor haar en de minderjarigen. Mede gelet op het verleden is een frequentie van eenmaal per jaar reëel.

2.4 Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

Namens en door de man is betwist dat de man niets ondernomen heeft om het contact met

de minderjarigen te herstellen. Hij heeft immers diverse procedures gestart teneinde een omgangsregeling vast te stellen. Hoewel er geen contact met de minderjarigen heeft plaatsgevonden, heeft de man altijd interesse in hen gehad. De man betreurt het dat de vrouw geen noodzaak voor een informatieregeling ziet. Hij begrijpt niet dat de minderjarigen zich verzetten tegen informatieverstrekking. Nu de man enkel verzoekt om informatie over de minderjarigen, ziet de man geen beletsel in het verstrekken daarvan. Daarbij komt dat hij op de hoogte wil blijven van het wel en wee van de minderjarigen, zodat hij goed voorbereid is indien zij hem in de toekomst vragen willen stellen. De man meent dat beide partijen zich hiervoor in het belang van de minderjarigen moeten inspannen. Hij ziet in mediation nog mogelijkheden.

Door en namens de vrouw is aangevoerd dat de man voor de minderjarigen een vreemde is. Zij verzetten zich tegen het verstrekken van informatie aan iemand die zij niet kennen. Volgens de vrouw is al 11 jaar geen sprake van family life. In dat kader is dan ook geen grond aanwezig voor informatieverstrekking. Bovendien is artikel 1:377b BW niet gericht op het opbouwen van een band maar om deze te behouden. Gelet op de ervaringen in het verleden is mediation volgens de vrouw geen optie meer.

2.5 Ter terechtzitting is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden- en West Brabant, hierna te noemen de raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

De raadsvertegenwoordiger heeft naar voren gebracht dat er nu geen mogelijkheden zijn voor contact tussen de man en de minderjarigen. De minderjarigen hebben geen beeld van de man kunnen opbouwen. Ondanks het verzet van de minderjarigen is informatieverstrekking van belang als investering in de toekomst. Indien in de toekomst contact tot stand zou komen is van belang dat de man de ontwikkeling van de minderjarigen gevolgd heeft.

2.6 De rechtbank overweegt als volgt.

De man baseert zijn verzoek op artikel 1:377b BW. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Volgens lid 2 kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

Bij de beoordeling van de vraag of het opleggen van een informatieregeling aan de vrouw in het belang van de minderjarigen moet worden geacht, is naar het oordeel van de rechtbank van belang of sprake is van family life als bedoeld in artikel 8 EVRM. Immers, het recht op informatie wordt beschouwd als een tot zijn meest oppervlakkige vorm teruggebracht omgangsrecht en voor dit recht geldt de eis dat sprake moet zijn van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarigen.

Partijen waren op het moment van de geboorte van de minderjarigen wettig gehuwd. De relatie tussen echtgenoten levert family life op. De minderjarigen geboren uit deze relatie maken hiervan deel uit. Daaruit vloeit voort dat vanaf het moment van de geboorte van de minderjarigen en door het enkele feit van die geboorten er family life tussen de man en de minderjarigen is ontstaan.

Niet uitgesloten is echter dat family life door latere gebeurtenissen wordt verbroken. Aan

de verbreking moeten strenge eisen worden gesteld; tussen een ouder en het kind dat tijdens huwelijk is geboren bestaat family life, dat behoudens uitzonderlijke omstandigheden niet verbroken kan worden.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van bedoelde uitzonderlijke omstandigheden.

Vanaf het moment dat de man de echtelijke woning heeft verlaten is het contact tussen

de man en de minderjarigen geheel verbroken. De man is naar eigen zeggen onbereikbaar geweest vanwege zijn psychische problematiek. Door de vrouw is ter terechtzitting

-onweersproken- aangevoerd dat de man de minderjarigen elf jaar lang niet bezocht heeft, een kaartje gestuurd heeft of in een andere vorm initiatieven getoond heeft om contact met hen te zoeken dan wel te herstellen, ook niet vanaf het moment dat het vanaf 2008 kennelijk psychisch beter met hem ging. Evenmin heeft hij, ondanks verzoeken daartoe van de vrouw, inzichtelijk gemaakt dan wel (medisch) onderbouwd waarom zijn psychische gesteldheid hem belette om op welke wijze dan ook contact met de minderjarigen te zoeken.

Dat de man diverse procedures heeft gestart strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling doet daaraan niet af. Uit de beschikking van 20 juli 2001 blijkt dat de eerder door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling geen doorgang heeft gevonden wegens het niet nakomen van afspraken door de man. De rechtbank zag voldoende aanleiding om de man het recht op omgang met de minderjarigen te ontzeggen. Bij beschikking van 5 oktober 2009 is een nieuw verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen omdat de man onvoldoende blijk heeft gegeven van inspanningen van zijn kant om een traject in gang te zetten om tot contact met de minderjarigen te komen. Het verzoek van de vrouw tot éénoudergezag is bij beschikking van 8 november 2010 toegewezen nu de man daartegen geen verweer heeft gevoerd, noch heeft gereageerd op de oproep van de rechtbank om ter terechtzitting te verschijnen. Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat thans van family life tussen de man en de minderjarigen geen sprake is.

De rechtbank merkt daarbij op dat het onderhavige verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling volgt kort op de beschikking van de rechtbank waarin het verzoek van de vrouw en haar huidige partner tot adoptie van de minderjarigen is afgewezen. Nu het verzoek van de man is gericht op het verkrijgen van informatie over de minderjarigen en niet op vaststelling van een omgangsregeling, ziet de rechtbank dit verzoek als een middel om zijn positie als juridisch vader te benadrukken.

Voorts is gebleken dat de minderjarigen zich ernstig verzetten tegen het verzoek van de man. In een gesprek met de raad hebben zij afzonderlijk van elkaar aangegeven dat zij in 2009/ 2010 op de hoogte zijn gesteld van het bestaan van de man en dat zij geen herinneringen aan hem hebben. Ter gelegenheid van het minderjarigenverhoor hebben zij -samengevat- verklaard dat zij de man als een vreemde zien en dat zij geen contact met hem willen.Tevens zijn zij van mening dat de man lang genoeg de tijd heeft gehad om contact met hen te zoeken. Dit maakt het verzet van de minderjarigen en hun kennelijke behoefte aan eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, mede gelet op hun leeftijd, begrijpelijk.

Met enkel het verkrijgen van informatie over de minderjarigen wordt daarbij geen invulling gegeven aan de verantwoordelijkheid als vader en staat niet vast dat de minderjarigen in de toekomst wel degelijk iets van de man als vader te verwachten hebben. De rechtbank acht het dan ook niet in hun belang dat informatie aan de man wordt verstrekt, nu daardoor het risico bestaat dat eventueel contact tussen de man en de minderjarigen in de toekomst geheel wordt uitgesloten. De rechtbank geeft de man daarbij in overweging om zijn toezegging aan de vrouw (en daarmee ook aan de minderjarigen) om inzicht te geven in zijn ziekteverloop en huidige levenssituatie gestand te doen. Wellicht dat een dergelijk -niet door derden afgedwongen- initiatief van de man na verloop van tijd leidt tot een omslag bij de vrouw en minderjarigen, waarna zij wel in staat zijn de initiatieven van de vader positief te beoordelen.

2.7 Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Schoonen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van Dekkers, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: