Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6040

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
10/2933
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid

Belanghebbende, voormalig dga van een inmiddels opgeheven BV, is terecht aansprakelijk gesteld voor door de BV niet betaalde omzetbelasting en heffingsrente.

Aannemelijk is dat de BV middels schijntransacties ten onrechte omzetbelasting heeft teruggevraagd; de naheffingsaanslag omzetbelasting aan de inmiddels niet meer bestaande BV is tijdig vastgesteld; de BV was in gebreke; het belopen van de heffingsrente is ook aan belanghebbende te wijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1315
FutD 2012-1391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/2933

Uitspraakdatum: 15 maart 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,

de ontvanger.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De ontvanger heeft bij beschikking van 8 maart 2010 belanghebbende aansprakelijk gesteld voor door [autohandel] B.V., voorheen [de BV], niet-betaalde belastingschulden (beschikking met kenmerk [nummer]AS24026).

1.2. De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juli 2010 de beschikking aansprakelijkstelling gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 14 juli 2010, ontvangen bij de rechtbank op 16 juli 2010, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], en namens de ontvanger, [gemachtigden], en namens de inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Tilburg [gemachtigde]. Belanghebbende heeft ter zitting stukken overgelegd. De rechtbank rekent die, met instemming van de ontvanger, tot de processtukken. De ontvanger heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is van 25 juli 2003 tot en met 4 augustus 2004 onmiddellijk en middellijk aandeelhouder en tevens de directeur geweest van [de BV], een autohandel (hierna: de BV).

2.2. De aandelen van de BV zijn op 4 augustus 2004 overgedragen aan [de heer X] (hierna: [de heer X]), die toen ook directeur werd. Op [datum] 2006 heeft er een statutenwijziging plaatsgevonden waarbij de naam van de B.V. is gewijzigd in [autohandel] B.V. De BV is op [datum] 2006 ontbonden. Volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Brabant is de BV opgehouden te bestaan vanwege het niet meer aanwezig zijn van bekende baten. [de heer X] werd benoemd tot bewaarder van de boeken en bescheiden.

2.3. De inspecteur heeft naar aanleiding van een bij de BV ingesteld boekenonderzoek geconstateerd dat de BV omzetbelasting heeft teruggevraagd vermeld op facturen van [onderneming C] (hierna: [onderneming C]) gericht aan de BV en dat [onderneming C] deze omzetbelasting niet heeft voldaan, Het bedrag van de teruggevraagde omzetbelasting betreffende deze facturen beloopt € 557.321

2.4. De FIOD-ECD heeft in 2004 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen onder anderen belanghebbende en de BV, onder meer naar het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. De FIOD-ECD heeft hiervan op 21 december 2006 een proces-verbaal opgemaakt (nummer [nummer]).

2.5. In het proces-verbaal heeft de FIOD-ECD het vermoeden geuit dat belanghebbende initiator en regisseur was van een btw carrouselfraude. De door de FIOD-ECD vermoede gang van zaken is in het proces verbaal onder meer als volgt omschreven. De BV bestelde auto’s, de leveranciers schreven rekeningen uit aan [Belgische vennootschap] Bvba (een Belgische vennootschap, hierna [Belgische vennootschap]). [Belgische vennootschap] schreef rekeningen uit aan [onderneming C] met daarop vermeld 0% omzetbelasting. [onderneming C] schreef rekeningen uit aan de BV met daarop vermeld 19% omzetbelasting, terwijl de auto’s direct van de leveranciers naar de BV vervoerd werden.

2.6. De FIOD-ECD heeft ook een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [de heer Y] (hierna: [de heer Y]) naar het mogelijk opmaken van valse facturen door [onderneming L] (hierna: [onderneming L]). Het betreft facturen waarvan de daarop vermelde omzetbelasting niet is voldaan. De FIOD-ECD heeft daarvan een proces-verbaal opgemaakt met nummer [nummer]. Een aantal van deze facturen is aangetroffen in de administratie van de BV. De BV heeft over de periode vanaf 1april 2004 tot en met 31 oktober 2004 de op deze facturen vermelde bedragen aan omzetbelasting ten bedrage van in totaal € 293.388,73 op haar aangiften in mindering gebracht.

2.7. De inspecteur heeft de BV over het tijdvak 1 juli 2003 tot en met 31 oktober 2004 een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 1.027.842 (€ 850.709 aan omzetbelasting en € 177.133 aan heffingsrente). Het desbetreffende biljet is op 10 december 2008 aan het adres van [de heer X] betekend.

2.8. [de heer X] heeft bij brief van 16 december 2008 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

2.9. De rechtbank Breda heeft bij beschikking van 16 november 2009 de vereffening van de BV heropend en een vereffenaar benoemd.

2.10. De ontvanger heeft voornoemde naheffingsaanslag op 19 november 2009 aan de vereffenaar betekend.

2.11. De ontvanger heeft, met dagtekening 13 januari 2010, het door de vereffenaar ingediende verzoek tot uitstel van betaling afgewezen.

2.12. De ontvanger heeft met dagtekening 8 maart 2010 belanghebbende als bestuurder ingevolge artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) bij de hier bestreden beschikking aansprakelijk gesteld voor het niet betalen door de BV van de in 2.7 genoemde belastingschuld en heffingsrente.

2.13. Belanghebbende is door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij vonnis van 22 juni 2010 veroordeeld voor onder meer het feitelijk leiding geven aan het door in de periode 1 september 2003 tot en met 19 februari 2004 de BV opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting. Belanghebbende heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

3. Geschil

3.1. In geschil is of belanghebbende terecht en voor het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de ontvanger bevestigend.

Het geschil spitst zich toe op beantwoording van de volgende vragen:

1. Is de naheffingsaanslag omzetbelasting tijdig opgelegd voor zover deze betrekking heeft op het jaar 2003?

2. Heeft de ontvanger bewezen dat sprake was van schijntransacties?

3. Is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld nu de BV niet in gebreke was?

4. Heeft de ontvanger belanghebbende het gehele procesdossier ter inzage gegeven?

5. Is belanghebbende bestuurder geweest tijdens de gehele periode waarvoor hij aansprakelijk is gesteld?

6. Is sprake geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van belanghebbende?

7. Is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld voor de heffingsrente?

8. Is sprake van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur door de ontvanger?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling, althans vermindering daarvan. De ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

1. Is de naheffingsaanslag omzetbelasting tijdig opgelegd voor zover deze betrekking heeft op het jaar 2003?

4.1.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de naheffingsaanslag, voor zover deze ziet op de periode 1 juli 2003 tot en met 31 december 2003, te laat is opgelegd, zodat belanghebbende daarvoor ook niet aansprakelijk gesteld kan worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aanslag eerst op 19 november 2009 aan de BV is bekendgemaakt en dat die datum geldt als dag waarop de naheffingsaanslag rechtsgeldig is opgelegd. De bevoegdheid tot het opleggen van de naheffingsaanslag verliep voor het gedeelte van 2003 op 31 december 2008, aldus belanghebbende.

4.1.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) geschiedt de vaststelling van een aanslag door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. Gelet op de dagtekening van 10 december 2008 en de betekening aan [de heer X] staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de inspecteur het biljet van de naheffingsaanslag voor het einde van de in artikel 20 van de AWR bedoelde termijn heeft opgemaakt en dus tijdig heeft vastgesteld. Dat de bekendmaking van de aanslag pas later, in 2009, heeft plaatsgevonden doet aan dit oordeel niet af. Immers, bekendmaking in 2008 aan de BV was niet mogelijk omdat toen de BV niet meer bestond. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 september 2003, nr. 38 372, BNB 2003/370, overwogen dat het vaststellen van een aanslag ten name van een niet bestaande rechtspersoon in wezen niets anders is dan het constateren dat op die rechtspersoon in het desbetreffende jaar een belastingschuld heeft gedrukt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit arrest dat een latere bekendmaking van een ten name van een niet meer bestaande BV opgelegde aanslag de rechtsgeldigheid van de naheffingsaanslag niet kan aantasten (vergelijk Hoge Raad 18 december 2009, nrs. 08/03396 en 08/02641, respectievelijk BNB 2010/72 en 73). Gelet hierop dient te worden geoordeeld dat de naheffingsaanslag voor zover deze ziet op de periode 1 juli 2003 tot en met 31 december 2003 binnen de hiervoor vermelde termijn, dus tijdig, is vastgesteld. Belanghebbendes beroepsgrond faalt.

2. Heeft de ontvanger bewezen dat sprake was van schijntransacties?

4.2.1. Belanghebbende stelt dat de ontvanger niet het bewijs heeft geleverd dat de teruggevraagde omzetbelasting betrekking had op schijntransacties of gefingeerde leveringen.

4.2.2. Gezien de door de ontvanger overgelegde en in 2.4 en 2.6 genoemde (delen van de) processen-verbaal acht de rechtbank aannemelijk (1) dat aan de facturen van [onderneming C] en [onderneming L] geen prestaties ten grondslag lagen, (2) dat de BV bewust ten onrechte de aan haar door [onderneming C] en [onderneming L] in rekening gebrachte omzetbelasting als voorbelasting in haar aangifte heeft opgevoerd en (3) dat belanghebbende de persoon was die met betrekking tot die feiten de regie voerde en de leiding had. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft gesteld, te weten het hoger beroep tegen zijn veroordeling en het feit dat de ontvanger niet het vonnis van [de heer Y] bij de gedingstukken heeft gevoegd, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De naheffingsaanslag is naar het oordeel van de rechtbank derhalve terecht aan de BV opgelegd. De inspecteur heeft de hoogte van de opgelegde naheffingsaanslag gebaseerd op de door de BV in aftrek gebrachte voorbelasting, welke is begrepen in de facturen van [onderneming C] en [onderneming L]. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat dit tot een te hoog bedrag is geschied. De rechtbank is daarom van oordeel dat die naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbendes stelling faalt.

3. Is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld nu de BV niet in gebreke was?

4.3.1. Belanghebbende heeft gesteld dat van aansprakelijkstelling in het geheel geen sprake kan zijn omdat de BV niet in gebreke is met het betalen van de belastingschuld, zoals is vereist ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Wet. De BV had immers, zo voert belanghebbende aan, bezwaar gemaakt, waarop ten tijde van de aansprakelijkstelling nog niet door de inspecteur was beslist. Omdat, naar belanghebbende verder aanvoert, het indienen van een bezwaarschrift ook geldt als een verzoek tot uitstel van betaling en de ontvanger dit automatisch verleent kan geen sprake zijn van in gebreke zijn van de BV.

4.3.2. De rechtbank stelt vast dat door de ontvanger geen uitstel van betaling voor de bestreden belastingschuld is verleend en dat de BV, na kennisneming van de aanslag op of rond 19 november 2009, de belastingschuld niet (tijdig) heeft betaald, zodat de BV in gebreke is. De stelling van belanghebbende dat de ontvanger uitstel had dienen te verlenen doet aan dit oordeel niet af. Overigens deelt de rechtbank het standpunt van de ontvanger dat deze in dit geval niet verplicht was om uitstel van betaling te verlenen, nu de BV, gezien haar vermogenspositie (zie 2.2), nimmer zekerheid kon verschaffen voor de bestreden belastingschuld (vergelijk artikel 25.2.5. van de Leidraad Invordering 2008).

4.3.3. Belanghebbende is op 8 maart 2010 aansprakelijk gesteld. Dat is nadat de BV in gebreke was met de betaling van haar belastingschuld. Gelet hierop faalt de grief van belanghebbende en mocht de ontvanger overgaan tot aansprakelijkstelling.

4. Heeft de ontvanger alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

4.4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de ontvanger hem niet het volledige procesdossier heeft overhandigd, zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase. Volgens hem brengt dit met zich dat hij zich niet gemotiveerd kan verweren tegen de aansprakelijkstelling. Hij verzoekt dan ook tot terugwijzing van de zaak naar de ontvanger.

4.4.2. De ontvanger heeft gesteld dat hij alle relevante op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase ter inzage heeft gelegd en dat hij deze heeft overgelegd aan de rechtbank. Daarbij heeft de ontvanger gemotiveerd gesteld dat stukken die niet zijn overgelegd betrekking hebben op zaken van andere belastingschuldigen en dat hij deze hoogstens met een beroep op artikel 8:29 van de Awb aan de rechtbank kan overhandigen en voorts dat belanghebbende bij de aanvang van de zitting nog stukken heeft overgelegd die hij tijdens de inzage heeft gekopieerd. Verder zijn geen stukken overgelegd die zien op onderhandelingen tijdens de bezwaarfase.

4.4.3. De rechtbank heeft geconstateerd dat de ontvanger (delen van) de processen-verbaal van de FIOD-ECD ten aanzien van belanghebbende en van [de heer Y] aan de rechtbank heeft overgelegd. De rechtbank heeft tevens geconstateerd dat belanghebbende, gelet op het verslag van het hoorgesprek dat tot de gedingstukken behoort, in de bezwaarfase inzage heeft gehad in zijn complete strafdossier. De rechtbank is daarom van oordeel dat de ontvanger heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Wet opgelegde verplichting belanghebbende op diens verzoek op de hoogte te stellen van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar en het instellen van beroep redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht. De rechtbank is voorts van oordeel dat de ontvanger aldus heeft voldaan aan zijn verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Derhalve kan niet worden gezegd dat belanghebbende zich niet voldoende heeft kunnen verweren tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking aansprakelijkstelling dan wel tegen de aan de BV opgelegde naheffingsaanslag. De omstandigheid dat belanghebbende ter zitting stukken heeft overgelegd die hij bij de inzage in diens dossier tijdens de bezwaarfase heeft gekopieerd en die de ontvanger zelf niet heeft overgelegd, valt de ontvanger weliswaar te verwijten maar doet aan laatstgenoemd oordeel niet af. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende met de aan hem verleende inzage zich in voldoende mate heeft kunnen verweren in de bezwaarfase. Voor terugwijzing op deze grond is dan geen aanleiding. Deze beroepsgrond van belanghebbende faalt dan ook.

5. Is belanghebbende bestuurder geweest voor de gehele periode waarvoor hij aansprakelijk is gesteld?

4.5.1. Belanghebbende betwist dat hij voor de gehele periode waarop de beschikking aansprakelijkstelling ziet aansprakelijk gesteld kan worden omdat hij niet de gehele periode formeel bestuurder is geweest van de BV. Daartoe wijst hij op het feit dat hij de aandelen van de BV op 4 augustus 2004 heeft verkocht aan [de heer X] en dat deze toen ook formeel bestuurder is geworden. De aansprakelijkstelling dient volgens belanghebbende dan ook te worden verminderd voor zover die ziet op de belastingschulden van de BV die zijn ontstaan na 4 augustus 2004.

4.5.2. Artikel 36, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wet bepaalt dat onder bestuurder mede wordt verstaan degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder.

4.5.3. Blijkens het proces-verbaal met nummer [nummer] heeft [de heer X] tegenover verbalisanten van de FIOD-ECD onder andere verklaard dat belanghebbende, ook na de aandelenoverdracht, zelf alle werkzaamheden bleef doen, waaronder de belastingaangiften, alle geldzaken en alles met betrekking tot de handel in auto’s. [de heer X] heeft verder verklaard dat hijzelf hooguit wat hand- en spandiensten voor de BV heeft verricht. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Gelet op deze verklaringen van [de heer X] acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende na de aandelenoverdracht het beleid van de BV heeft bepaald en is blijven bepalen. Belanghebbende kon derhalve ook na de overdracht van de BV aangemerkt worden als bestuurder in de zin van voornoemde wetsbepaling en is dus naar het oordeel van de rechtbank terecht aansprakelijk gesteld voor de gehele in de beschikking aansprakelijkstelling genoemde periode.

4.5.4. Belanghebbende heeft ter zitting aangeboden [de heer X] nog als getuige te willen horen daar deze later heeft verklaard destijds bij de FIOD-ECD niet de waarheid te hebben gesproken, in die zin dat hij zelf meer bestuurderswerkzaamheden heeft verricht dan uit die verklaring blijkt. De omstandigheid dat [de heer X] meer werkzaamheden zou hebben verricht dan hij heeft verklaard, wat daar ook van zij, doet niet af aan het hiervoor in onderdeel 4.5.3 gegeven oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende na de aandelenoverdracht het beleid van de BV heeft bepaald en is blijven bepalen . De rechtbank passeert dan ook het aanbod om [de heer X] als getuige te horen.

6. Is sprake geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van belanghebbende?

4.6. Belanghebbende heeft gesteld dat van zijn zijde geen sprake is van onbehoorlijk bestuur. Er is geen sprake van het opmaken van valse facturen en het doen van onjuiste aangiften, aldus belanghebbende. De rechtbank is, gelet op het overwogene in 4.2.1 en 4.2.2, van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende, als bestuurder van de BV, bewust onjuiste aangiften heeft gedaan. Dat handelen is, gelijk de ontvanger stelt, dermate laakbaar dat dit als kennelijk onbehoorlijk bestuur dient te worden aangemerkt. Belanghebbendes beroepsgrond faalt.

7. Is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld voor de heffingsrente?

4.7.1 Belanghebbende betoogt dat hij niet aansprakelijk gesteld kon worden voor de heffingsrente. De inspecteur had immers de naheffingsaanslag al in 2006 op kunnen leggen omdat hij toen de hoogte van het na te heffen bedrag al kende. De inspecteur heeft echter de naheffingsaanslag pas in 2008 vastgesteld. De door dit onnodig tijdsverloop ontstane heffingsrente kan belanghebbende niet verweten worden, zo stelt hij, onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2011, 09/471, www.rechtspraak.nl, LJN BP5115.

4.7.2. Op grond van artikel 32, tweede lid, van de Wet kan aansprakelijkheid ook gelden voor in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, een en ander voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten.

4.7.3. Op de ontvanger rust de bewijslast aannemelijk te maken dat (in casu) het belopen van de heffingsrente aan belanghebbende is te wijten. In de beschikking aansprakelijkstelling heeft de ontvanger gesteld dat het belanghebbende, als bestuurder van de BV, te verwijten is dat onder andere onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan en dus te weinig omzetbelasting is betaald. Gelet op al hetgeen hiervoor reeds is overwogen is de rechtbank het hiermee eens en daarmee van oordeel dat de ontvanger in zijn bewijsopdracht is geslaagd.

4.7.4. De omstandigheid dat belanghebbende als bestuurder de plicht en de mogelijkheid heeft gehad eerder het juiste bedrag aan belasting op aangifte te voldoen maakt hem, naar het oordeel van de rechtbank, in dit geval ook voor de heffingsrente aansprakelijk. Hij heeft dat immers achterwege gelaten. Nu de inspecteur binnen de termijn die de wet daarvoor stelt de naheffingsaanslag heeft vastgesteld en van omstandigheden op grond waarvan het zorgvuldigheidsbeginsel in de weg staat aan het berekenen van heffingsrente die volgens de wet verschuldigd is, niet is gebleken, bestaat er geen grond voor vermindering van het bedrag aan heffingsrente waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Belanghebbendes betoog faalt derhalve.

8. Is sprake van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur door de ontvanger?

4.8.1. Belanghebbende heeft nog gesteld dat de ontvanger, in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet heeft aangetoond dat de bij de BV nageheven omzetbelasting tevens niet is nageheven bij [onderneming C] of [onderneming L] en dat, als dat zo is, deze geen verhaal hebben geboden. Dubbele betaling van omzetbelasting is immers in strijd met de omzetbelastingwetgeving, zo voert belanghebbende aan.

4.8.2. De ontvanger heeft zich beroepen op de geheimhouding ten aanzien van andere belastingschuldigen en daarbij verklaard dat betaling van een (deel van de) belastingschuld door de een tot vermindering van de schuld van de andere partijen zal leiden. De ontvanger heeft tevens verklaard dat geen van de partijen iets betaald heeft. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen. De beroepsgrond van belanghebbende faalt.

4.9. Gelet op al hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 15 maart 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter,

mr.drs. M.M. de Werd en mr. J.W.M. Tijnagel, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 22 maart 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.