Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW5621

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
800274-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt verdachte de maatregel Opname in een psychiatrisch ziekenhuis voor 1 jaar op wegens o.a. bedreiging en mishandeling van zijn ex-partner. De rechtbank motiveert waarom de opname in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgelegd in plaats van de gevorderde TBS-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800274-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

gedetineerd in P.I. Vught, afdeling FPA, te Vught

raadsman mr. Nillisen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 april 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

Feit 2: [slachtoffer 1] heeft geprobeerd zwaar te mishandelen dan wel dat hij haar heeft mishandeld;

Feit 3: twee mobiele telefoons heeft vernield;

Feit 4: met geweld een bankpasje en een identiteitsbewijs/-kaart heeft gestolen dan wel dat hij deze goederen heeft gestolen;

Feit 5: een geldbedrag van € 300,- heeft gestolen door middel van een bankpas;

Feit 6: [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 1] (feit 1). Hij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1], het proces-verbaal waarin het aantreffen van het mes gerelateerd wordt, de verklaring van de broer van verdachte waarin staat dat hij geschreeuw hoorde en de verklaring van verdachte. Ook feit 2 primair acht de officier van justitie bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van verdachte, de foto’s van het letsel en de waarneming van de verbalisanten van dit letsel. Feit 3 acht de officier van justitie bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] en de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 4 verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde diefstal met geweld, omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat het toegepaste geweld is aangewend ten behoeve van de diefstal. Wel acht hij op grond van het dossier de diefstal wettig en overtuigend bewezen. Naar de mening van de officier van justitie kan in het primair tenlastegelegde feit zo gestreept worden dat de diefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Feit 5 acht de officier van justitie ook wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van verdachte en het proces-verbaal waarin wordt gerelateerd dat de bankrekening alleen op naam van [naam slachtoffer] staat. Ten slotte acht hij feit 6 bewezen op grond van de aangiften van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat er naast de aangifte geen ander wettig bewijsmiddel in het dossier aanwezig is. Ten aanzien van feit 2 primair is de verdediging van mening dat verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden, omdat verdachte ontkent aangeefster bij de keel te hebben gepakt. Indien de rechtbank dit wel bewezen acht, levert dit bij de keel pakken onder de omstandigheden die in casu aan de orde zijn niet tot de aanmerkelijke kans op dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling acht de verdediging wel wettig en overtuigend bewezen. Ook feit 3 kan op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte bewezen worden verklaard. Ten aanzien van feit 4 is de verdediging van mening dat verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden, omdat het oogmerk niet aanwezig is. Ten aanzien van de diefstal van de goederen, zoals subsidiair ten laste is gelegd, refereert de verdediging zich. De verdediging is van mening dat het juridisch niet mogelijk is om in het primair tenlastegelegde feit zo te strepen dat de diefstal overblijft. Verdachte dient van feit 5 vrijgesproken te worden, omdat verdachte recht had op het geldbedrag. Er is daarom geen sprake van wederrechtelijke toeeigening van het geldbedrag. Ten slotte dient verdachte ook van feit 6 vrijgesproken te worden. Naar de mening van de verdediging kunnen de bedreigingen niet bewezen worden, omdat het handelen van verdachte niet als een bedreiging gezien kan worden. Verdachte heeft niemand fysiek bedreigd, want wat hij deed, was in zijn eigen richting. Daarnaast verklaren de aangevers verschillend over de woorden die zij gehoord hebben. Verder heeft de moeder het mes van verdachte afgepakt, waardoor er geen sprake is van angst. Ten aanzien van het zwaaien met een aansteker is [slachtoffer 3] de enige die dit zou hebben gezien, waardoor er dus onvoldoende wettig bewijs is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1, 2, 4 en 5

Op 28 februari 2012 kwam [slachtoffer 1] bij haar woning aan de [adres]. Zij zag dat haar ex-vriend, verdachte, achter haar aan de woning kwam ingelopen. Verdachte liep naar de keuken en [naam slachtoffer] zag dat hij een vleesmes met een zwart handvat pakte. Zij zag dat verdachte met het mes in zijn hand naar haar kwam gelopen. [naam slachtoffer] hoorde dat verdachte tegen haar zei:‘ Je moet mij de waarheid vertellen’. [naam slachtoffer] zag dat verdachte dichterbij kwam. [naam slachtoffer] zag dat hij met het mes stekende bewegingen in haar richting maakte. Vervolgens werd [naam slachtoffer] volgens voornoemde aangifte door verdachte met zijn linkerhand bij haar keel vastgepakt en duwde hij haar naar achteren, waardoor zij op het bed viel. Op dat moment had verdachte haar keel nog vast. [naam slachtoffer] probeerde los te komen, maar op dat moment werd zij door verdachte meermalen op haar hoofd geslagen. [naam slachtoffer] voelde een hevige pijn op haar hoofd. Door de verbalisanten is letsel bij [naam slachtoffer] waargenomen. Ondertussen riep verdachte naar [naam slachtoffer]:’ Ik ga jij doodmaken, ik ga niet voor jou zitten’. Door de agenten die als eerste ter plaatse kwamen, werd gezien dat er op de tafel een keukenmes met een zwart handvat lag . De broer van verdachte kwam bij de woning van [naam slachtoffer] . Toen hij binnen was, zag hij [naam slachtoffer] huilen en hij hoorde dat verdachte tegen haar aan het schreeuwen was. Ook hoorde hij verdachte zeggen: ‘ Ik weet het, je moet het zeggen, er zijn mensen die zeggen dat jij dat gedaan hebt’.

Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer 1] twee keer heeft geslagen.

Verdachte pakte volgens voornoemde aangifte vervolgens een bankpasje en een identiteitsbewijs uit de portemonnee van [naam slachtoffer] en nam deze goederen mee. De politie heeft vastgesteld dat het bankrekeningnummer alleen op naam van [naam slachtoffer] staat en dat het aldus geen gezamenlijke rekening is. Verder staat vast dat op 28 februari 2012 met behulp van een bankpas een geldbedrag van € 300,- is gepind. Verdachte heeft toegegeven dat hij uit de tas van [naam slachtoffer] haar legitimatiebewijs en bankpas heeft weggenomen. Vervolgens heeft hij met behulp van de bankpas een bedrag van € 300,- gepind. Verdachte had tevoren niet aan [naam slachtoffer] gevraagd of hij dit bedrag van haar rekening mocht opnemen.

De beoordeling van feiten 1 en 2

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd. Ook acht zij bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van

[slachtoffer 1], zoals onder feit 2 subsidiair ten laste is gelegd. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair tenlastegelegde, omdat naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier en tijdens het onderzoek ter zitting onvoldoende is komen vast te staan of verdachte veel kracht heeft gebruikt bij het dichtknijpen van de keel van [naam slachtoffer]. Evenmin blijkt uit het dossier hoe lang de keel van [naam slachtoffer] dicht is geknepen.

De beoordeling van feiten 4 en 5

De rechtbank zal verdachte van hetgeen hem onder feit 4 primair ten laste is gelegd vrijspreken, omdat uit het dossier en het onderzoek ter zitting blijkt dat het door verdachte gebruikte geweld niet instrumenteel is geweest aan de diefstal van de bankpas en het identiteitsbewijs. De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende. Uit de feitelijke omschrijving van wat verdachte ten laste is gelegd, leidt de rechtbank af dat naar de kennelijke bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging uitdrukkelijk is bedoeld de diefstal met geweld ten laste te leggen. Nu verdachte hiervan vrijgesproken zal worden, zal de rechtbank verdachte integraal van het onder 4 primair tenlastegelegde vrijspreken. Wel acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de bankpas en identiteitsbewijs, zoals onder feit 4 subsidiair ten laste is gelegd. Verder acht zij bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een geldbedrag van € 300,-, zoals onder feit 5 ten laste is gelegd, door dit bedrag met de gestolen bankpas van [naam slachtoffer] te pinnen en mee te nemen.

Feit 3

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie ;

- de aangifte van [slachtoffer 1] .

Feit 6

Op 1 februari 2011 was [slachtoffer 2] in haar woning aan de [adres] Verdachte kwam bij haar, omdat hij van [slachtoffer 1] geld tegoed had. [naam slachtoffer] had geen geld om verdachte te betalen. [slachtoffer 2] zag dat verdachte boos werd. Zij zag dat verdachte naar de keuken liep en dat hij een hakmes pakte. [slachtoffer 2] zag dat verdachte het mes op zijn keel zette. Zij hoorde verdachte zeggen: ‘Als je de politie belt, dan maak ik mijzelf en iedereen hier dood’. Door deze woorden en het mes voelde [slachtoffer 2] zich ernstig bedreigd en was zij bang dat hij haar en de kinderen iets zou aandoen. Haar kinderen waren aanwezig toen verdachte deze bedreiging deed. Verder hoorde zij verdachte zeggen dat als hij vrij komt dat hij dan iedereen dood maakt. [slachtoffer 2] voelde zich door deze woorden ook bedreigd. [slachtoffer 3] bevond zich op 1 februari 2011 ook in de woning van [slachtoffer 2]. Zij zag dat verdachte naar de keuken liep en dat hij een mes vast had. Hij liep de kamer in en zij zag dat verdachte zwaaiende bewegingen met het mes in de richting van [slachtoffer 2] maakte. Zij zag dat verdachte het mes op zijn keel zette, waarna verdachte zei dat hij hen eerst zou afmaken, voordat hij zichzelf dood zou maken. [naam slachtoffer] was bang toen zij dat hoorde. [naam slachtoffer] heeft ook gezien dat verdachte, voordat hij het mes pakte, met een aansteker naar haar, naar haar moeder en zus zwaaide. Verdachte zei daarbij dat hij ‘dit’ met hen zou doen. [naam slachtoffer] dacht dat verdachte bedoelde dat hij hun huis in de fik zou zetten. Ook [slachtoffer 1] bevond zich in de woning van [slachtoffer 2]. [naam slachtoffer] zag dat verdachte naar de keuken liep en een mes vanaf het keukenblad pakte. Zij zag dat [slachtoffer 2] naar verdachte liep, waarna zij weer richting de bank liep of werd geduwd. Zij hoorde verdachte zeggen: ‘Ik maak jullie een voor een dood’. [naam slachtoffer] was bang dat het echt zou gebeuren. Zij zag vervolgens dat verdachte het mes op zijn keel zette en hoorde verdachte zeggen: ‘Bel maar wie jullie willen, dan ga ik mijzelf snijden’. Het kan zijn dat verdachte ook iets zei over dood maken.

De rechtbank is gelet op bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 1].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 28 februari 2011 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte opzettelijk dreigend een mes gepakt en getoond aan die [naam slachtoffer] en is hij, verdachte opzettelijk dreigend met een mes in zijn hand in de richting van die [naam slachtoffer] gelopen en heeft hij, verdachte die [naam slachtoffer] (daarbij) opzettelijk de woorden toegevoegd: "je moet mij de waarheid vertellen" en heeft hij, verdachte met een mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [naam slachtoffer] en die [naam slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga jij doodmaken, ik ga niet voor jou zitten";

2. (subsidiair)

op 28 februari 2011 te Tilburg opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), bij haar keel heeft (vast)gepakt en (vervolgens) (naar achteren) heeft geduwd en meermalen tegen/op haar hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

op 28 februari 2011 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk 2 mobiele telefoons (een Samsung en/of een I-phone) toebehorende aan [slachtoffer 1] heeft vernield;

4. (subsidiair)

op 28 februari 2011 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en een identiteitsbewijs toebehorende aan [slachtoffer 1];

5.

op 28 februari 2011 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een pinautomaat) heeft weggenomen een geldbedrag van 300 euro toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (te weten een gestolen bankpas);

6.

op 1 februari 2011 te Tilburg [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk dreigend

- die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] een (hak)mes getoond en

- met dat (hak)mes zwaaiende bewegingen gemaakt naar/in de richting van/nabij die [slachtoffer 2] en

- dat (hak)mes op zijn eigen keel/hals heeft gezet/gehouden en (daarbij) die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je de politie belt, dan maak ik mijzelf en iedereen hier dood" en dat als hij, verdachte, vrijkomt iedereen doodmaakt en dat hij hen eerst ging afmaken, voordat hij zichzelf ging afmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en

op 1 februari 2011 te Tilburg [slachtoffer 3] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk dreigend

- met een (brandende) aansteker gezwaaid en (daarbij) die

[slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd dat hij 'dit' met hen zou doen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

5.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de uitgebrachte rapportages gevorderd verdachte te ontslaan van rechtsvervolging en hem de TBS-maatregel voor de duur van 1 jaar op te leggen.

5.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt verdachte te ontslaan van rechtsvervolging. De verdediging verzoekt de rechtbank om niet de TBS-maatregel op te leggen, maar verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen voor de duur van één jaar.

5.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Omtrent de persoon van verdachte is gerapporteerd door psycholoog drs. [naam psycholoog] en psychiater drs. [naam psychiater]. Beide gedragsdeskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat verdachte lijdt aan een waanstoornis, die tevens aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. Volgens de gedragsdeskundigen moet verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten als ontoerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Beide rapporteurs zijn van mening dat verdachte een klinische behandeling in een verplicht kader dient te ondergaan, mede gelet op de vermindering van de recidivekans.

Daarom wordt geadviseerd om aan verdachte een strafrechtelijke machtiging ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, binnen welk kader hij gedurende maximaal één jaar opgenomen dient te worden in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank zal de conclusie en het advies van de gedragsdeskundigen overnemen en dienovereenkomstig beslissen. Zij heeft daarbij vastgesteld dat is voldaan aan de criteria die de wet stelt aan het opleggen van een dergelijke maatregel en is voorts van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor zichzelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van goederen. De rechtbank opteert niet voor het opleggen van TBS met dwangverpleging. Hoewel gezien de ernst van de stoornis van verdachte een behandeling van 1 jaar mogelijk niet voldoende zal zijn, heeft de rechtbank de volgende omstandigheden zwaarder laten wegen:

- de ernst van de bewezenverklaarde feiten;

- de aard van de stoornis van verdachte en de behandeling die daarvoor geëigend is, waarvan de deskundige ter zitting hebben aangegeven dat de aard van de stoornis beter ‘past’ in een psychiatrisch ziekenhuis dan in een TBS-kliniek.;

- de mogelijkheid van voorzetting van de behandeling na afloop van de strafrechtelijke maatregel binnen een civielrechtelijk kader (de BOPZ).

6 Het beslag

6.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de sleutel en sleutelbos die onder verdachte beslag zijn genomen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 39, 57, 285, 300, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder feit 2 primair en feit 4 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2 subsidiair: Mishandeling;

feit 3: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen;

feit 4 subsidiair: Diefstal;

feit 5: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van valse sleutels;

feit 6: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en

Bedreiging met brandstichting;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een sleutel en een sleutelbos.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Prenger en mr. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

10 mei 2012. Mr. Peeters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 februari 2011 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft hij, verdachte opzettelijk dreigend een mes gepakt en/of getoond aan die

[naam slachtoffer] en/of is hij, verdachte opzettelijk dreigend met een mes in zijn

hand(en) in de richting van die [naam slachtoffer] gelopen en/of heeft hij, verdachte

die [naam slachtoffer] (daarbij) (vervolgens) opzettelijk dreigend de woorden

toegevoegd: "je moet mij de waarheid vertellen", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking en/of heeft hij, verdachte met een mes een of meer

stekende beweging(en) gemaakt in de richting van die [naam slachtoffer] en/of die

[naam slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga jij doodmaken, ik

ga niet voor jou zitten", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 februari 2011 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet haar keel

gedurende enige tijd heeft dichtgeknepen en/of dicht heeft gedrukt (gehouden)

en/of haar ademhaling zodanig beperkt dat zij daardoor misselijk is geworden

en/of bijna moest overgeven en/of een of meer keren hard met de vuist op het

hoofd heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 februari 2011 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 1]), bij haar keel heeft (vast)gepakt en/of

(vervolgens) (naar achteren) heeft geduwd en/of meermalen tegen/op haar hoofd,

althans lichaam heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 februari 2011 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk

2 mobiele telefoons (een Samsung en/of een I-phone), in elk geval een of meer

goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 28 februari 2011 te Tilburg met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en/of een

identiteitsbewijs/kaart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen deze

[naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat verdachte deze [naam slachtoffer] (vrijwel) direct voorafgaand aan het moment waarop

hij voornoemde goederen (uit een tas) van deze [naam slachtoffer] heeft weggenomen haar

met kracht gedurende enige tijd bij de keel heeft gepakt en/of haar een of

meer keren (met kracht) tegen en/of op het hoofd heeft gestompt en/of geslagen

en/of een mes heeft getoond en/of voorgehouden;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 februari 2011 te Tilburg met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en/of een

identiteitsbewijs/kaart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

art 310 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op omstreeks 28 februari 2011 te Tilburg, althans in Nederland, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een pinautomaat) heeft

weggenomen een geldbedrag van 300 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (te weten een gestolen

bankpas)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

TER BERECHTING GEVOEGD PRK NR 02/800135-11

hij op of omstreeks 1 februari 2011 te Tilburg [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, en/of met brandstichting, immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk dreigend

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] een (hak)mes, althans

een scherp en/of voor bedreiging geschikt voorwerp, getoond en/of

- met een/dat (hak)mes, althans voor bedreiging geschikt(e) voorwerp, (een)

zwaaiende beweging(en) gemaakt naar/in de richting van/nabij die [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of

- een/dat (hak)mes, althans voor bedreiging geschikt(e) voorwerp, op zijn

eigen keel/hals heeft gezet/gehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] en/of .

[naam slachtoffer] en/of [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je de politie

belt, dan maak ik mijzelf en iedereen hier dood" en/of dat als hij, verdachte,

vrijkomt iedereen doodmaakt en/of dat hij hen eerst ging afmaken, voordat hij

zichzelf ging afmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, en/of

- met een (brandende) aansteker gezwaaid en/of (daarbij) die [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd dat hij

'dit' met hen zou doen, althans woorden van gelijke aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht