Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW4577

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
02-700007-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Geen verwijt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Wel in gevaar brengen van de veiligheid op de weg: Door inhalen van fietsers en door de situatie ter plaatse was er sprake van een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag en bestond er een reële kans op een ongeval."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/700007-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 mei 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Koningsveld, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 april 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Sterk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft veroorzaakt, tengevolge waarvan iemand is overleden;

1e subsidiair: gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt;

2e subsidiair: zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn motorvoertuig tijdig te doen stoppen;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] en de bevindingen van het forensisch technisch onderzoek.

Uitgaande van de situatie ter plaatse, te weten de breedte van de rijstrook voor verdachte, de breedte van zijn vrachtauto, de breedte van de fietsstrook, alsmede de omstandigheid van de hem tegemoetkomende vrachtauto, is aan verdachte te wijten dat hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt door de rechts van hem, op de fietsstrook rijdende fietsers, te gaan inhalen. Er bleef daardoor te weinig ruimte over tussen de vrachtauto en de fietsers, waardoor de fietser die het dichtst bij de vrachtauto reed, in aanraking is gekomen met de vrachtauto en is gevallen. Tengevolge van het bij die val opgelopen letsel is de fietser overleden.

Verdachte heeft door zijn rijgedrag in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld. Dit levert, aldus de officier van justitie, een verwijt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet op.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde.

Op het moment dat de vrachtauto van verdachte en de hem tegemoetkomende vrachtauto elkaar passeerden, was er geen uitwijkmogelijkheid voor verdachte. Er is geen manoeuvre waargenomen waaruit blijkt dat de vrachtauto van verdachte dichter bij de fietser is gaan rijden. Voor de hand liggend is dat de sturen van de fietsers in elkaar zijn geraakt en de linksrijdende fietser daardoor is gevallen. Dat levert geen zodanige mate van schuld op aan een verkeersongeval als bedoeld is in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Het subsidiair tenlastegelegde kan, aldus de verdediging, bewezen worden verklaard.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 29 september 2011 vond een verkeersongeval plaats op de Kwaadeindstraat te Tilburg. Bij dit ongeval was een vrachtauto (Daf) en een fietser betrokken. Verdachte, [naam verdachte] was de bestuurder van de vrachtauto. De fietser, [slachtoffer 1], heeft bij het ongeval ernstig letsel opgelopen. Tengevolge van dit letsel is zij enige dagen later overleden.

Uit de verkeersongevalanalyse komt het volgende naar voren. De rijbaan op de Kwaadeindstraat te Tilburg bestaat uit twee rijstroken van 270 cm. Aan weerszijden van de rijstroken was een suggestiestrook van 100 cm met een wegmarkering van 10 cm. Tevens bevonden zich aan weerszijden van de weg parkeerstroken met geparkeerde auto’s. Verdachte reed met zijn vrachtauto in dezelfde richting als de fietsers, die op de rechtsgelegen suggestiestrook fietsten. Op enig moment is de vrachtauto van verdachte de fietsers gaan inhalen, waarna door een niet vast te stellen oorzaak het meisje op de linksrijdende fiets is gevallen en zeer waarschijnlijk in contact is geweest met de rechterzijde van de vrachtauto van verdachte. Bij metingen en reconstructie was te zien dat de beschikbare vrije ruimte voor de vrachtauto zeer beperkt was tijdens het inhalen van de fietsers.

Verschillende getuigen hebben het ongeval waargenomen.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard te hebben gezien dat de vrachtauto het meisje op de linkerfiets raakte en door de balansverstoring de sturen van beide fietsers in elkaar kwamen, waardoor er een valpartij ontstond. De getuige [getuige 1], de bestuurder van de verdachte tegemoetkomende vrachtauto, heeft verklaard dat hij zag dat de vrachtwagen de meisjes in ging halen en daarbij dacht dat dat niet goed kon gaan.

De getuige [getuige 4], de rechts rijdende fietser, heeft verklaard dat toen de vrachtauto voorbijreed zij met haar vriendin [voornaam slachtoffer 1] aan het kletsen en lachen was. Volgens haar raakte de vrachtauto het stuur van de fiets van haar vriendin. Hun sturen raakten in elkaar en vervolgens vielen zij beiden in de richting van [voornaam slachtoffer 1].

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de fietsers steeds goed in de gaten heeft gehouden, omdat hij zag dat zij druk met elkaar in gesprek waren. Er was volgens hem voldoende ruimte om met de vrachtauto te passeren.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte ondanks het feit dat hij goed op de fietsers heeft gelet een verkeerde inschatting heeft gemaakt. Verdachte had een andere keuze moeten maken en de fietsers niet moeten inhalen, omdat hij geen uitwijkmogelijkheid had door de hem tegemoetkomende vrachtauto en de ruimte tussen hem en de fietsers te beperkt was.

Het rijgedrag van verdachte wijst er echter niet op dat hij roekeloos of in hoge of aanzienlijke mate onvoorzichtig, onachtzaam, onnadenkend of ondeskundig heeft gehandeld. Zeker niet, nu niet is komen vast te staan dat verdachte met een, gelet op de omstandigheden, te hoge snelheid heeft gereden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan verdachte niet een verwijt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet kan worden gemaakt. Zij zal hem van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de veiligheid op de weg in gevaar gebracht. Door het inhalen van de fietsers en de situatie ter plaatse was er sprake van een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag en bestond er een reële kans op een ongeval. Van dat gevaar had verdachte zich bewust moeten zijn.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair:

op 29 september 2011, te Tilburg, op de weg, de Kwaadeindstraat, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto, DAF), daarmede rijdende, niet voldoende maatregelen heeft genomen, toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een aanrijding te voorkomen met twee, zich voor zijn, verdachte's, motorrijtuig op die weg bevindende fietssters, waarna (vervolgens) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met een van die, op die weg bevindende fietssters, waarna beide fietssters ten val zijn gekomen en waarbij een van die fietssters, een persoon genaamd: [slachtoffer 1], werd gedood, door welke gedraging van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen, een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis, 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar, uitgaande van een bewezenverklaring voor het primair tenlastegelegde.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat een werkstraf op zijn plaats is. Verdachte is ook bereid deze uit te voeren. Tot het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf ziet de verdediging geen aanleiding. Verdachte heeft jarenlange rij-ervaring en heeft een blanco strafblad. Hij heeft zijn rijbewijs al enige tijd moeten inleveren. Ter preventie is een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet noodzakelijk.

Voor verdachte heeft het feit ook grote gevolgen gehad voor zijn gezondheid. De verdediging heeft verzocht bij het opleggen van een straf daarmee rekening te houden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van artikel 5 van de Wegen-verkeerswet. Door een verkeerde inschatting heeft hij gevaar veroorzaakt voor andere weggebruikers. Tijdens het inhalen met zijn vrachtauto ontstond er te weinig ruimte voor de naast hem rijdende fietsers. Deze zijn daardoor ten val gekomen en één van hen is tengevolge van het daarbij opgelopen letsel overleden.

Het gaat hier om een zeer trieste afloop van een verkeersongeval. Het slachtoffer was een jong meisje, [voornaam slachtoffer 1] [achternaam] oud. Aan de nabestaanden is hierdoor groot leed toegebracht, nu zij [voornaam slachtoffer 1] hun verdere leven zullen moeten missen. Dat blijkt ook uit de slachtofferverklaring die zich bij de processtukken bevindt.

Daarvan is verdachte zich ook terdege bewust. Op hem heeft het ongeval ook grote impact gehad, naar de rechtbank ter zitting heeft constateren, en ook ondervindt hij nog dagelijks de gevolgen ervan voor zijn gezondheid.

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank, behalve met de ernst van het feit, rekening met het blanco strafblad van verdachte en met zijn persoonlijke omstandigheden. Ter zitting is duidelijk geworden hoezeer hij onder het gebeuren heeft geleden en nog lijdt en hoezeer hij meeleeft met de nabestaanden.

De rechtbank acht het opleggen van een werkstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis op zijn plaats. Nu verdachte zijn rijbewijs al enige tijd heeft moeten missen acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegheid niet noodzakelijk. Zij zal verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen in voorwaardelijke vorm voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar, nu verdachte belang heeft bij het behouden van zijn rijbewijs in verband met zijn werk. De rechtbank ziet, evenals de verdediging, geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 9.093,66 voor het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij], wonende [adres], van € 9.093,66;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, [naam benadeelde partij] € 9.093,66 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 80 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mrs. Scheffers en Van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oostlander-Vink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 mei 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij, op of omstreeks 29 september 2011, te Tilburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto, DAF, voorzien van het kenteken: [( - - )]), daarmede rijdende over de weg, de Kwaadeindstraat, en naderend, twee, gezien de rijrichting "rechts", in gelijke richting als hij, verdachte, over de fietsstrook, gelegen aan de rechterzijde van de rijbaan van die weg, rijdende fietssters,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig,

het door hem, verdachte, bestuurde motorrijktuig niet, althans niet tijdig, tot stilstand te brengen en/of de snelheid van dat motorrijtuig niet, althans niet tijdig, te verminderen en/of door niet behoorlijk (gezien de rijrichting "naar links") uit te wijken,

en/of door niet voldoende maatregelen te nemen, en/of door niet, althans onvoldoende, afstand van die fietssters te houden,

op het moment dat hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een botsing aanrijding te voorkomen met (een van) die genoemde fietsster(s),

doch die genoemde fietssters is gaan inhalen en/of voorbij te rijden, op het moment dat een hem, over die weg, die Kwaadeindstraat, tegemoetkomend motorrijtuig (vrachtauto), hem verdachte, tot op korte afstand was genaderd

(mede) tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat motorrijtuig (vrachtauto) tegen een van die fietssters is gebotst/gereden, waarop beide fietssters ten val zijn gekomen,

waardoor een van die fietssters, een persoon genaamd: [slachtoffer 1] werd gedood,

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994; art 6 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 29 september 2011, te Tilburg, op de weg, de Kwaadeindstraat, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto, DAF), daarmede rijdende, dat motorrijtuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht, althans de snelheid van dat motorrijtuig niet tijdig en/of niet voldoende heeft verminderd, althans niet behoorlijk is uitgeweken, althans niet voldoende maatregelen heeft genomen, toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een aanrijding/botsing te voorkomen met twee, zich voor zijn, verdachte's, motorrijtuig op die weg bevindende fietssters, waarna (vervolgens) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in aanrijding/botsing is gekomen met een van die, vóór hem, verdachte, op die weg

bevindende fietssters, waarna beide fietssters ten val zijn gekomen en/of waarbij een van die fietssters, een persoon genaamd: [slachtoffer 1], werd gedood, door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 5 Wegenverkeerswet 1994

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 29 september 2011, te Tilburg, als bestuurder van een betekenis te zijn gebezigd; art 5 Wegenverkeerswet 1994

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 29 september 2011, te Tilburg, als bestuurder van een motorvoertuig (vrachtauto, DAF), daarmede rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kwaadeindstraat, zijn, verdachte's, snelheid niet

zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorvoertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is het door hem verdachte, bestuurde motorvoertuig in aanrijding/botsing gekomen met een zich vóór zijn, verdachte's, motorvoertuig op die weg bevindende fietsster, genaamd:

[slachtoffer 1]); art 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990