Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW4215

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
02-810965-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot gewapende overval. De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van vrijwillige terugtred, omdat verdachte tot inkeer werd gebracht door de aanwezigheid van kinderen en de woning heeft verlaten. De rechtbank verwerpt het verweer, omdat uit het verloop van de gebeurtenissen blijkt dat niet de aanwezigheid van kinderen, maar het verzet van de ouders bepalend is geweest voor het staken van de handelingen door verdachte. Voorts laat de rechtbank de "beleefde" houding van verdachte niet in positieve zin meewegen in de strafmaat, omdat een dergelijke houding op de slachtoffers juist een bedreigend effect kan hebben. Zo'n houding wijkt immers zo af van wat slachtoffers voor ogen hebben over de wijze waarop een overval plaatsvindt, dat men niet weet wat men van de overvaller kan verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/810965-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 april 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Laheij, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet met een ander of anderen geprobeerd heeft een gewapende woningoverval te plegen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van aangevers [aangever 1] en [aangever 2], de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en gesprekken in de woning van verdachte en medeverdachte [mededader] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en medeverdachte [mededader].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat er geen begin van uitvoering is van een wegnemingshandeling, zodat het feitencomplex uitsluitend kan worden gezien als een poging tot afpersing en dat is niet aan verdachte ten laste gelegd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 11 december 2010 omstreeks 5:30 uur is verdachte naar de woning van medeverdachte [mededader] aan de [adres] gegaan. Aan de keukentafel hebben verdachte en [mededader] gesproken over een tip dat er 80.000 euro zou liggen in een woning aan de [adres]. Verdachte zou de bewoners overvallen en daarna teruggaan naar de woning van [mededader] om te schuilen. Verdachte had een wapen bij zich dat hij op tafel legde, schoonmaakte en laadde. [mededader] heeft verdachte geholpen het wapen in zijn kleding te verstoppen. Verdachte droeg een opgerolde, zwarte muts en plastic handschoenen, die hij van [mededader] had gekregen om vingerafdrukken te bemantelen, en is vervolgens naar de [adres] gegaan.

Kort hierna, omstreeks 8:20 uur, werd [aangever 1] , wonende aan de [adres], wakker van gegil van zijn 9-jarige dochter en een knal. De knal ontstond doordat verdachte een ruit van de tuindeur van de woning met een voorwerp had ingeslagen . [aangever 1] is uit bed gestapt en naar de overloop gegaan. Daar zag hij dat verdachte achter zijn dochter de trap op rende. Verdachte had een bivakmuts op en een jachtgeweer in zijn handen. De echtgenote van [aangever 1], [aangever 2], en hun twee andere dochters stonden inmiddels ook op de overloop. Verdachte richtte het wapen op [aangever 2] en vervolgens op [aangever 1]. Vervolgens richtte hij het wapen op [aangever 2] en zei: “Ik weet dat jullie een kluis in de kelder hebben staan. Ik wil geld. Dan overkomt u niets” , “We gaan nu naar beneden. Als je doet wat ik wil dan overkomt jullie niets” en “mevrouw ik doe u niets. Ik wil geld” .

Vervolgens rende verdachte de trap af en verliet de woning via de voordeur.

Meerdere getuigen hebben gezien dat verdachte in de richting van de [straatnaam] rende. Verdachte droeg een bivakmuts en had een geweer in zijn handen. Verdachte heeft het wapen op de hoek bij de [straatnaam] in de bosjes gegooid. Na de overval ging verdachte wederom naar de woning van [mededader]. Op verzoek van verdachte heeft [mededader] het wapen samen met zijn zoon opgehaald. Vervolgens heeft [mededader] verdachte naar huis gebracht.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de bewezen verklaarde uitvoeringshandelingen van verdachte uitsluitend een poging tot afpersing kunnen opleveren, omdat deze handelingen gericht kunnen zijn op zowel afpersing als diefstal met geweld. Immers, niet is komen vast te staan dat verdachte het geld niet zelf uit de kluis wilde pakken.

Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank constateert dat de verklaringen in het dossier over al of niet gemaakte afspraken niet eenduidig zijn. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de verklaring van [mededader] dat niet eerder dan op de ochtend van 11 december 2010 in zijn woning werd gesproken over een bij verdachte bestaand plan om de overval te plegen. [mededader] heeft verklaard dat hij er min of meer in meegesleept werd. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan hiermee niet gezegd worden dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking, zodat verdachte van het ten laste gelegde medeplegen zal worden vrijgesproken.

Aldus is de rechtbank, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het plegen van een gewapende woningoverval.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 11 december 2010 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffers] zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, door met een voorwerp een ruit te vernielen, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van bedreiging met geweld tegen [2 slachtoffers en hun 3 kinderen], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte :

"aan voornoemde personen een vuurwapen heeft getoond; en/of

"dat vuurwapen op voornoemde personen heeft gericht; en/of

"daarbij heeft gezegd tegen voornoemde personen

"ik weet dat jullie een kluis in de kelder

hebben staan. Ik wil geld. Dan overkomt u niets" en"we gaan nu naar beneden, als je doet wat ik wil overkomt jullie niets" en"mevrouw ik doe u niets. Ik wil geld",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred van verdachte doordat hij tot inkeer werd gebracht door de aanwezigheid van kinderen en de woning vervolgens heeft verlaten. Aldus heeft verdachte, door omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk, zelf de voltooiing van het misdrijf voorkomen.

De rechtbank overweegt dat een beroep op vrijwillige terugtred slechts kan slagen, indien het een gevolg was van een spontaan genomen besluit van verdachte en niet plaatsvond uitsluitend onder invloed van uitwendige prikkels.

De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens het onderzoek in het geheel niet heeft gesproken over een innerlijke drang om op te houden. Ook uit de verklaringen die zich in het dossier bevinden, blijkt niet dat verdachte de woning heeft verlaten zodra hij zag dat er kinderen aanwezig waren. [aangever 1] heeft verklaard dat hij verdachte een stevige elleboog heeft gegeven, waardoor verdachte wankelde en enkele stappen de badkamer inliep. [aangever 1] zag toen kans de woning te verlaten om de politie te bellen. [aangever 2] heeft verklaard dat zij verdachte duidelijk maakte dat er geen geld in de woning was. Zij pakte het geweer met twee handen vast en duwde het geweer de lucht in, zodat verdachte niet kon schieten. Verdachte rende vervolgens de trap af en verliet de woning via de openstaande voordeur. Uit het verloop van de gebeurtenissen leidt de rechtbank af dat verdachte het voor mogelijk hield dat de politie was gewaarschuwd en dat hij merkte dat zijn pogingen om geld te verkrijgen, zinloos waren. Derhalve blijkt dat niet de aanwezigheid van de kinderen, maar het verzet van de ouders bepalend is geweest voor het staken van de handelingen door verdachte. Van vrijwillige terugtred is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat het verweer van de verdediging zal worden gepasseerd.

Nu ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 5 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de opvallend “beleefde” houding van verdachte in de woning en het feit dat de slachtoffers hebben aangegeven het incident inmiddels een plaats te hebben gegeven. Voorts wijst de raadsman erop dat er geen fysiek geweld is toegepast en dat het bij een poging is gebleven, waarbij de innerlijke omstandigheden van de dader van belang waren. De raadsman verzoekt de eis van de officier van justitie te matigen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is in de ochtend van 11 december 2010 een woning binnengegaan door een ruit van de tuindeur in te slaan. Hij heeft geprobeerd geld weg te nemen door de bewoners te bedreigen met een vuurwapen. Verdachte heeft hiermee een forse inbreuk gemaakt op de privacy van de slachtoffers, en de veiligheid en geborgenheid van hun eigen woning geschonden. Het spreekt voor zich dat bedreiging met een vuurwapen in de eigen woning bijzonder traumatisch is waar de slachtoffers nog lang last van zullen hebben. Verder veroorzaken dergelijke strafbare feiten gevoelens van onveiligheid en grote onrust in de samenleving.

Bij het bepalen van de strafmaat laat de rechtbank ten nadele van verdachte meewegen dat verdachte zich niet liet weerhouden door de aanwezigheid van kinderen in de woning. Vooral voor hen moet het bijzonder angstaanjagend geweest zijn dat zij in hun woning werden bedreigd door een onbekende man die een bivakmuts droeg en een geweer in zijn handen had, en dat zij tevens moesten toezien dat hun ouders werden bedreigd. Daarenboven heeft verdachte door, zowel bij de politie als op de zitting, te zwijgen, geen blijk gegeven van inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen.

In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is er naar het oordeel van de rechtbank voorts geen reden om de houding van verdachte in positieve zin te laten meewegen in de strafmaat. Immers, een houding zoals door verdachte is ingenomen tijdens de overval, waarbij hij op een “beleefde” wijze de slachtoffers heeft benaderd, kan zeer goed op slachtoffers bevreemdend overkomen en de overval op een andere wijze beklemmender maken dan hij zonder die houding zou zijn geweest. Zo'n houding wijkt zo af van wat slachtoffers voor ogen hebben over de wijze waarop een overval plaats vindt, dat men niet weet wat men van de overvaller kan verwachten. Juist daardoor kan die houding op de slachtoffers een bedreigend effect hebben.

Ten slotte houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij reeds meermalen met justitie in aanraking is geweest, waaronder voor soortgelijke feiten.

Gelet op het landelijk oriëntatiepunt voor een woningoverval met bedreiging, komt de rechtbank, alles afwegend, tot de conclusie dat een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen geroeste bandenlichter is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van dit voorwerp.

Het in beslag genomen hennepafval is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat dit hennepafval bij het onderzoek naar het ten laste gelegde feit is aangetroffen, terwijl het van zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 45, 63, 91, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- geroeste bandenlichter;

- hennepafval.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gessel, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Breeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 april 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 11 december 2010 te Breda ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg

te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangevers/slachtoffers] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf te verschaffen en/of dat/die goederen/geld onder zijn/hun bereik te

brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, door met een

voorwerp een ruit te vernielen, en/of daarbij die voorgenomen diefstal te

doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffers met hun 3 kinderen] gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s)

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat verdachte en/of zijn mededader(s) :

"de woning aan de [adres] onverhoeds heeft betreden; en/of

"aan voornoemde personen een vuurwapen heeft getoond; en/of

"dat vuurwapen op voornoemde personen heeft gericht; en/of

"daarbij meermalen, althans eenmaal heeft gezegd tegen voornoemde personen

"geld of ik schiet je kapot en/of "ik weet dat jullie een kluis in de kelder

hebben staan. Ik wil geld. Dan overkomt u niets" en/of "ik wil geld anders

schiet ik je kop eraf" en/of "we gaan nu naar beneden, als je doet wat ik wil

overkomt jullie niets" en/of "mevrouw ik doe u niets. Ik wil geld", althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht