Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW4044

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
686020 cv 11-7748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Tijdens een introductiekamp voor eerstejaarsstudenten struikelt een lerares, die als begeleidster aanwezig is, ’s nachts over een scheerlijn van een tent, waarbij zij ongelukkig ten val komt. Werkneemster vordert een verklaring voor recht dat haar werkgever aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade ingevolge art. 7:658 BW als gevolg van een bedrijfsongeval en veroordeling van de werkgever tot vergoeding van die schade, nader op te maken en te vereffenen volgens de wet. Ingevolge art. 7:658 lid 2 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade, die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de zorgplicht die in lid 1 van art. 7:658 BW is neergelegd, is nagekomen of de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat in de zin van art. 7:658 lid 2 BW moet worden gesproken van een ongeval tijdens de uitoefening van de werkzaamheden, maar dat er sprake is van een ongeluk dat in de categorie huis-, tuin- en keukenongelukken thuishoort, ofwel van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, en dat niet kan worden gesproken van aansprakelijkheid van werkgever op grond van schending van de zorgplicht. Volgt afwijzing van de vordering."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0408
Module Arbo 2012/315
VR 2013/90

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Breda

zaak/rolnr.: 686020/CV/11-7748

vonnis d.d. 4 april 2012

inzake

[eiseres],

wonende te [adres],

eiseres,

gemachtigde: mr. G.A.M. Verkuijlen, advocaat te Venray,

tegen:

de stichting ROC WEST-BRABANT,

gevestigd en kantoorhoudende te 4873 LP Etten-Leur, Trivium 76,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen, advocaat te Arnhem.

1. Het verdere verloop van het geding

De verdere procesgang blijkt uit de volgende stukken;

a) het tussenvonnis van 18 januari 2012 en de daarin genoemde stukken;

b) de brief d.d. 15 februari 2012 met bijlagen van de zijde van eiseres;

c) de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de comparitie van partijen van 24 februari 2012.

De inhoud van deze stukken moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil

Eiseres, hierna te noemen [eiseres], vordert, samengevat:

1) verklaring voor recht, dat gedaagde, hierna te noemen ROC, aansprakelijk is voor alle door [eiseres] geleden en nog te lijden schade ingevolge art. 7: 658 en 7: 611 als gevolg van het bedrijfsongeval van 11 september 2009;

2) veroordeling van ROC tot vergoeding van de sub 1 bedoelde materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3) veroordeling van ROC in de kosten en de nakosten, alsmede van de wettelijke rente daarover in geval van niet-tijdige betaling.

ROC voert verweer.

3. De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist het volgende vast:

- sinds 1 augustus 2001 is [eiseres] krachtens arbeidsovereenkomst met ROC werkzaam als instructeur ICT en docente rekenen op het tot het ROC behorende Cingel College in Breda; tot haar taken behoren ook het mentoraat en stagebegeleiding;

- ten behoeve van de eerstejaarsstudenten van het ROC is gedurende een reeks van jaren een introductiekamp georganiseerd;

- de ROC-werknemers [X] en [Y] waren in en voor het schooljaar 2009-2010 de feitelijke organisatoren van het introductiekamp en benaderden collega-docenten voor het begeleiden van het introductiekamp;

- het introductiekamp voor het schooljaar 2009-2010 vond plaats op kampeerboerderij De Kiek te Alphen;

- het programma stak aldus in elkaar, dat de studenten in 2 groepen waren verdeeld, dat de eerste groep bestond uit alle studenten van niveau 2 en de helft van niveau 4 en de tweede groep uit alle studenten van niveau 3 en de andere helft van niveau 4, dat de eerste groep een tweedaagsprogramma had en de overnachting in de nacht van 9 op 10 september en de tweede groep een tweedaagsprogramma en de overnachting in de nacht van 10 op 11 september 2009;

- [eiseres], die ook al het introductiekamp voor het schooljaar 2008-2009 op dezelfde locatie had begeleid, is door [X] aangezocht voor de begeleiding van de tweede groep in welk kader zij ook zou overnachten;

- in de nacht van 9 op 10 september 2009 waren in totaal 9 docenten als begeleider aanwezig: 3 in de kampeerboerderij zelf, waar ook alle ongeveer 80 studenten overnachtten, 5 in een tent aan de rand van het sportveld, dat nabij de kampeerboerderij is gelegen en 1 in een camper aan de rand van het sportveld “op de andere hoek”;

- nadat de eigenaresse van de kampeerboerderij omstreeks 2.30 uur de docenten in de kampeerboerderij had gewaarschuwd, dat een aantal studenten nabij de hooizolder aan het roken was en de docenten in de kampeerboerderij voorzagen, dat zij assistentie nodig hadden om aan deze gevaarlijke situatie een einde te maken, is [eiseres], die haar collega’s “in het veld” niet telefonisch kon bereiken, in het nachtelijk donker eerst naar de camper en vervolgens naar de tent gelopen;

- bij de terugkeer van de tent naar de kampeerboerderij is [eiseres] gestruikeld over een scheerlijn van de bewuste tent en ongelukkig terecht gekomen;

- [eiseres] is in het Twee Steden Ziekenhuis in Tilburg behandeld aan een wond aan het linkerbeen en aan een gebroken arm;

- [eiseres] heeft ROC op grond van art. 7: 658 en 7: 611 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade, onder meer bestaande in een beperking in het strekvermogen van de rechterarm;

- op basis van de ongevallenverzekeringspolis, die ROC ten behoeve van docenten had gesloten, is aan [eiseres] een uitkering van € 634,21 gedaan;

- de aansprakelijkheidsverzekeraar van ROC heeft geweigerd de aansprakelijkheid van ROC voor het [eiseres] overkomen ongeval te erkennen.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen de stelling ten grondslag, dat ROC als werkgever aansprakelijk is voor de schade, die [eiseres] als haar werknemer heeft geleden als gevolg van een ongeval, dat zij als een bedrijfsongeval typeert. ROC is primair op grond van art. 7: 658 B.W. aansprakelijk en subsidiair op grond van art. 7: 611. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen laat [eiseres] de subsidiaire grondslag vallen, omdat deze volgens haar als gevolg van de zo geheten november-arresten van de Hoge Raad niet meer houdbaar is. ROC heeft niet aan haar zorgplicht voldaan, zowel op het punt van inrichting en onderhoud van de werkplek van [eiseres] als ten aanzien van de instructieplicht. Gewezen wordt op art. 3 en 16 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 3.2, 3.9, 3.11, 3.15, 5.2 en 6.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Het verweer van ROC luidt, samengevat, als volgt:

1) het ongeval heeft niet plaats gevonden tijdens de uitoefening van de (primaire) werkzaamheden, zodat art. 7: 658 B.W. toepassing mist;

2) het ROC heeft haar zorgplicht jegens [eiseres] niet geschonden.

3.3.

Ingevolge art. 7: 658 lid 2 is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade, die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont, dat hij de zorgplicht, die in lid 1 van art. 658 is neergelegd, is nagekomen of de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Het eerste verweer stelt de vraag aan de orde, of het optreden van [eiseres] als begeleidster van het introductiekamp, en in het bijzonder het doorbrengen van de nacht op het terrein van de kampeerboerderij, moet worden gezien als een vorm van uitoefening van haar werkzaamheden.

De kantonrechter stelt voorop, dat uit de rechtspraak blijkt, dat het begrip “zijn (haar) werkzaamheden” ruim moet worden uitgelegd. Niet is het nodig, dat voor het verrichten van de werkzaamheden, waarbij het ongeval plaats vond, specifiek opdracht is gegeven. Voldoende is, dat de werknemer krachtens de arbeidsovereenkomst ter plaatse was om werkzaamheden te verrichten. (Hoge Raad 15 december 2000, NJ 2001, 198). Nogal wat rechtspraak is er over schade die geleden wordt door een ongeval op een door de werkgever georganiseerde sportieve activiteit of dagje uit. Dan is van groot belang of de werknemer zich terecht op grond van de arbeidsovereenkomst verplicht achtte deel te nemen aan deze activiteiten. Als niet kan worden geoordeeld, dat het ongeval zich heeft voorgedaan in de uitoefening van de werkzaamheden omdat een voldoende nauwe band tussen de uitoefening van de door de werknemer te verrichten werkzaamheden en de festiviteit ontbreekt, heeft als uitgangspunt te gelden, dat het ongeval, dat de werknemer tijdens de festiviteit is overkomen, niet kan uitmonden in aansprakelijkheid van de werkgever. (Hoge Raad 17 april 2009, LJN BH 1996). Een ongeval bij een sportieve activiteit in het kader van een teambuildingsdag zal eerder onder de werking van art 658 vallen dan een ongeval bij een sportieve activiteit in het kader van een niet-verplichte ontspanningsactiviteit na werktijd voor personeel, die op enigerlei wijze door de werkgever is gefaciliteerd.

Op het enigszins verwante terrein van de aansprakelijkheid van de werkgever voor fouten van ondergeschikten op grond van art. 6: 170 wordt het vereiste functionele verband ook ruim uitgelegd.

3.4.

Het introductiekamp is een aan de eerstejaars aangeboden tweedaagse-buiten-de deur. Niet is gesteld of gebleken, dat deelname door de studenten een vrijwillig karakter draagt. Blijkens de notulen van de vergadering van de afdeling toerisme van 11 juni 2009 vervallen tijdens het introductiekamp de lessen voor de 2e, 3 en 4e jaars, “zodat alle docenten ingezet kunnen worden.” Het is een ROC-aangelegenheid en niet de aangelegenheid van individuele docenten. Dat wordt niet anders door de omstandigheid, dat de organisatie ervan in handen is gelegd van enkele docenten, die mogelijkerwijze veel vrijheid hebben om de driedaagse (2 tweedaagses met 1 gemeenschappelijke dag) in te vullen en die kennelijk ook de vrijheid hebben om collega’s te benaderen voor het verzorgen van dag- en avondprogramma en het vervullen van een “slaapdienst”. ROC benadrukt het vrijwillig karakter van de deelname van de docenten aan met name de slaapdienst. De kantonrechter relativeert dat vrijwillig karakter. Uit het overgelegde excursiereglement blijkt, dat een excursie de voortzetting van het vakonderwijs en/of de algemene vorming buiten het schoolgebouw onder leiding van een onderwijscollega is. ROC verwacht van haar docenten, blijkens de ook door [eiseres] overgelegde e-mailberichten (“Een excursie is een onderdeel van jouw takenpakket als onderwijskundig medewerker van het Cingel College. Er kan dus een beroep op jou worden gedaan als het om excursies gaat”), dat zij zich niet aan excursies kunnen onttrekken. Niet is gesteld of gebleken, dat deelname aan het introductiekamp respectievelijk slaapdiensten van een geheel andere orde is dan deelname aan een excursie. En zoals aan deelname aan (meerdaagse) excursies slaapdienst inherent is, zo is die slaapdienst ook inherent aan het introductiekamp. Anders gezegd: het introductiekamp “draait” op docenten en het is voor zowel ROC als studenten als docenten prettiger als die docenten gemotiveerd zijn en het leuk vinden. Periodieke deelname van docenten aan activiteiten als excursies, introductiekamp, sportdag en wervingsdagen mag van docenten worden verlangd en met voorkeuren voor het ene of andere “klusje erbij” zal in de praktijk rekening worden gehouden. ROC verwart keuzevrijheid ten aanzien van de soort docentenactiviteit met de vrijheid van de docent om zich aan dit type activiteiten te onttrekken, met vrijblijvendheid, met “zich drukken”. Zo bezien is, zoals gezegd, de vrijwilligheid relatief. Daar komt bij, dat behoefte bestond aan enkele vrouwelijke docenten, omdat een substantieel deel van de studenten, zo niet de meerderheid vrouw was. De vergelijking met de zaak Delta Lloyd/Huigen (zie punt 35 bij antwoord) gaat niet op, omdat het daar ging om de vrijwillige deelname van een bedrijfsjurist aan een in opdracht van de werkgever georganiseerd sportevenement, terwijl de participatie van [eiseres] aan het introductiekamp een docentactiviteit is, althans in het verlengde ligt van haar docentschap. Waar het introductiekamp deels buiten de reguliere werktijden plaats vond en naar zijn aard ook moest plaats vinden, kan niet gezegd worden, dat het ongeval buiten werktijd heeft plaats gevonden.

De kantonrechter komt tot de slotsom, dat in de zin van art. 658 lid 2 gesproken moet worden van een ongeval tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Het verweer gaat dus niet op.

3.5.

Met betrekking tot het tweede verweer stelt de kantonrechter het volgende voorop. In het arrest Maatzorg-Van der Graaff (Hoge Raad 12 december 2008, NJ 2009, 332; LJN BD 3129), dat in de juridische vakpers (zie o.a. T. Hartlief, noot onder NJ 2009, 335 en Advocaat-Generaal J. Spier bij het arrest van 11 november 2011, LJN BR 5215) als richtinggevend wordt beschouwd, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “De uit art. 7: 658 lid 1 voortvloeiende zorgplicht houdt in algemene bewoordingen in dat de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen treft en aanwijzingen geeft als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever in de gegeven omstandigheden aan deze zorgplicht heeft voldaan, geldt als uitgangspunt dat de omvang van deze zorgplicht in de eerste plaats en in elk geval wordt bepaald door hetgeen op grond van de regelgeving op het terrein van de arbeidsomstandigheden van de werkgever gevergd wordt. De aldus omschreven zorgplicht heeft een ruime strekking en correspondeert met de door de Hoge Raad aangenomen ruime zorgplicht en de ruime toepassing van het criterium “in de uitoefening van zijn werkzaamheden” in art. 7: 658 lid 1 respectievelijk lid 2. Weliswaar is, zoals de Hoge Raad bij herhaling in het kader van art. 7: 658 heeft uitgesproken, met de zorgplicht van de werkgever niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van werknemers wier werkzaamheden bijzondere risico’s van ongevallen meebrengen. Maar gelet op de zojuist weergegeven ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. De in art. 7: 658 lid 1 bedoelde zorgplicht van de werkgever geldt in de eerste plaats ten aanzien van de werkzaamheden die worden verricht op de in art. 1 lid 3, aanhef en onder g Arbeidsomstandighedenwet – ruim – omschreven “arbeidsplaats”, dat wil zeggen iedere plaats die in verband met het verrichten van de arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt. Maar ook indien de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden op plaatsen komt die (bijvoorbeeld omdat de werkgever ter plaatse geen enkele zeggenschap heeft ten aanzien van de gesteldheid, de inrichting, het gebruik door anderen en de veiligheid) niet als “arbeidsplaats” in de hiervoor genoemde zin kunnen worden aangemerkt, zoals de openbare weg in het geval (als het onderhavige) van het deelnemen aan het verkeer, kan de zorgplicht van art. 7: 658 meebrengen dat de werkgever ten aanzien van de uitoefening aldaar van de werkzaamheden maatregelen treft en aanwijzingen geeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, zoals het geval was in HR 19 oktober 2001, 2001, 663 – het geval van de postbode, die een uit de laadbak waaiend poststuk achterna loopt en door een passerende auto wordt geschept, en zijn werkgever aanspreekt omdat die geen voorziening heeft getroffen tegen wegwaaiende poststukken, ktr - . Wanneer het gaat om gevallen waarin een werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden deelneemt aan het wegverkeer, zal de omvang van de zorgplicht slechts beperkt kunnen zijn. “

3.6.

Ter comparitie blijkt, dat tot het complex van de kampeerboerderij wel een groot grasveld behoort, maar dat dit niet de bestemming van kampeer- maar van sportterrein heeft. De bewuste tent was de enige tent, die op dat grasveld (ongeveer 50 bij 100 meter) stond en deze tent was eigendom van 1 van de 5 docenten, die daar sliepen. Ter comparitie blijkt, dat [eiseres] deze tent overdag heeft zien staan. De camper, die op de andere hoek stond, was evenmin eigendom van ROC of kampeerboerderij-exploitant. Alle ongeveer 80 studenten zouden de nacht doorbrengen in de eigenlijke kampeerboerderij – het slaapgebouw – en in datzelfde gebouw sliepen ook [eiseres], haar vrouwelijke collega [A] en de heer [B], die als enige van de 3 ook de nacht van 9 op 10 september slaapdienst had gehad en het toen zwaar te verduren had gehad. Volgens [eiseres] waren er in het slaapgebouw nog 10 lege bedden over.

Ter comparitie blijkt verder, dat de mobiele telefoon van [eiseres] overdag bereik had gehad: zij was gebeld door haar zoon, die in Afrika vertoefde. Toen zij in de nacht van 10 op 11 september naar haar collega [Z] in de camper belde, bleek die telefonisch niet bereikbaar, kennelijk omdat hij geen bereik had. [eiseres] beschikte niet over een mobiel nummer van 1 van de 5 docenten in de tent. Niet blijkt, dat [Z] wel over zo’n nummer beschikte.

Vast staat verder, dat het terrein van de kampeerboerderij niet verlicht was.

Verder staat vast, dat het de nacht tevoren zeer onrustig was geweest.

3.7.

Voor zover de kampeerboerderij al als de arbeidsplaats van [eiseres] in de zin van art. 1 lid 3 sub g van de Arbeidsomstandighedenwet moet worden beschouwd, moet worden vastgesteld, dat de zeggenschap van ROC over de inrichting van die arbeidsplaats zeer beperkt is: het is de exploitant van de kampeerboerderij, bij wie de eerste verantwoordelijkheid ligt voor de veiligheid van het eigen personeel en van de gebruikers en op wie de verplichting rust een risico-inventarisatie te maken. Denkbaar zou zijn, dat de keuze van ROC voor déze kampeerboerderij of, meer in het algemeen, de keuze van ROC voor het houden van een introductiekamp voor haar eerstejaars vanuit het oogpunt van de arbeidsomstandighedenwetgeving – in het bijzonder art. 3 – , dat wil zeggen voor haar personeel, niet verantwoord was, maar dat is niet gesteld of gebleken. In het bijzonder is niet gesteld of gebleken, dat de kampeerboerderij De Kiek niet voldeed aan vergunningvoorwaarden of voorschriften met betrekking tot de exploitatie van een kampeerboerderij, dat deze kampeerboerderij voor het doel van een introductiekamp voor 16+-ers uit het Middelbaar Beroeps Onderwijs ongeschikt was, dat de voor eigen personeel van de exploitant van de kampeerboerderij geldende Arbo-voorschriften niet werden nageleefd of dat ROC op grond van ervaringen in het cursusjaar 2008-2009 als goed werkgever had moeten besluiten het introductiekamp voor het cursusjaar 2009-2010 niet in De Kiek te houden, door andere docenten te doen organiseren of zelfs geheel af te gelasten. Onweersproken heeft ROC gesteld, dat De Kiek al een halve eeuw ervaring heeft met kampen en het huisvesten van leerlingen. Het aantal begeleiders van het onderdeel “nachtrust” – 9 docenten op een studentenaantal van omstreeks 80, waarvan 3 in het “nachtverblijf” zelf en 6 op korte afstand in het tot de kampeerboerderij behorende “buitengebied” – acht de kantonrechter alleszins verantwoord. Vergelijking met de norm, geldende voor tussen- en buitenschoolse opvang is gelet op enerzijds het karakter ervan en anderzijds het grote leeftijdsverschil met de MBO-populatie niet passend.

Gelet op de zeer beperkte zeggenschap van ROC op het punt van de inrichting van deze naar haar aard uiterst tijdelijke arbeidsplaats komt aan het in art. 3 Arbeidsomstandighedenwet telkens terugkerende begrip “redelijkerwijs” wezenlijke, in de zin van wezenlijk beperkende, betekenis toe. Wat van de werkgever aan extra inspanningen ter zake van de “kwaliteit” van de inrichting van die naar haar aard uiterst tijdelijke werkplek kan worden verlangd (boven op de inspanningen van de exploitant), wordt naar het oordeel van de kantonrechter bepaald door de praktische mogelijkheden, een redelijke schatting van de bijzondere gevaren en de kosten. Dat het bewuste grasveld mogelijk niet een biljartlaken gelijk was (art. 3.11 Arbeidsomstandighedenbesluit) en niet van kunstverlichting gedurende de nacht was voorzien en dat de bewuste tent niet letterlijk in het licht was gezet (art. 6.3. Arbeidsomstandighedenbesluit), zijn omstandigheden, die inherent zijn aan een kampeerboerderij. [eiseres] plakt de normen van haar reguliere werkplek ten onrechte op die van haar uiterst tijdelijke arbeidsplaats, de kampeerboerderij en omgeving.

3.8.

Op het grensvlak van inrichting, arbeidsmiddelen en veiligheid (art. 3 lid 1 sub a/b, c en e/f Arbeidsomstandighedenwet) ligt de al of niet ter beschikking stelling van zaklampen en portofoons. De kantonrechter stelt voorop, dat ROC er van mocht uitgaan, dat haar docenten, althans het leeuwendeel ervan, beschikte(n) over een eigen mobiele telefoon, dat die mobiele telefoons bereik hadden en dat de mobiele telefoons “aan” stonden gedurende het kamp. Naar hedendaagse maatstaven behoefde zij zich als werkgever van MBO-docenten er niet van te vergewissen, dat dat ook werkelijk zo was. Zij mocht er tevens van uitgaan, dat van die mobiele telefoons zou worden gebruik gemaakt als (primair) communicatiemiddel tussen zich op verschillende plaatsen op het terrein bevindende docenten. Vast staat, dat ten minste de mobiele telefoon van [eiseres] overdag bereik had. Ter comparitie blijkt, dat, anders dan in de dagvaarding vermeld, de non-communicatie tussen [Z] en [eiseres] een gevolg was van het om wat voor reden dan ook niet functioneren van de mobiele telefoon van [Z]. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht ROC er, op grond van de in fysieke zin korte afstanden tussen de nachtelijke “verblijfplaatsen” van docenten, op vertrouwen, dat zij elkaar zonder problemen zouden weten te vinden, indien dat niet via mobiele telefonie lukte. Dat betekent, dat in het kader van de zorgplicht van ROC niet behoefde te worden verwacht, dat zij haar docenten van portofoons voorzag. Naar het oordeel van de kantonrechter hoefde van ROC ook niet te worden verwacht, dat zij haar 9 docenten tevoren, speciaal voor het introductiekamp, van elkaars mobiele nummer zou voorzien. Zij mocht van haar docenten verwachten, dat die onderling hun nummers uitwisselden, voor zover die docenten al niet “op school” die nummers hadden genoteerd en/of in hun mobiel hadden opgeslagen.

Blijft over de kwestie van de zaklampen. ROC stelt, onweersproken, dat zij zaklampen ten behoeve van het introductiekamp ter beschikking heeft gesteld. Dat ligt ook in de rede, omdat tent en camper nu juist om strategische redenen op de hoeken van het veld waren geplaatst, klaarblijkelijk om (letterlijk) zicht te houden op zich mogelijk van het slaapgebouw verwijderende studenten. [eiseres] stelt, dat zij niet over een zaklamp beschikte en dat de exploitante van de kampeerboerderij haar geen zaklamp kon leveren, zodat zij in het aardedonker naar haar collega’s moest. Van ROC als werkgever behoeft niet te worden verwacht, dat zij er op toezag, dat de ten behoeve van het kamp beschikbaar gestelde zaklampen – kennelijk aan [X] ter hand gesteld (zie pagina 4 van het verslag van Cunningham & Lindsey) - ook vervolgens werden gedistribueerd. Niet is gesteld of gebleken, dat [eiseres], veilig bij de tent, waarin [X] zich bevond, om een zaklamp heeft gevraagd, om ook ongeschonden terug te kunnen komen bij de boerderij zelf. Kennelijk beschouwde [eiseres] het ontbreken van een zaklamp niet als risicovol. Daar komt nog bij, dat, waar haar eigen mobiele telefoon wel bereik had, het display van die telefoon als lichtbron had kunnen worden gebruikt, voor zover de mobiele telefoon van [eiseres] al niet over een specifieke lantaarnfunctie beschikte.

3.9.

Als de zeggenschap over de inrichting van de arbeidsplaats beperkt is of geheel ontbreekt (de openbare weg is daarvan hét voorbeeld), komt (extra) betekenis toe aan de instructiebevoegdheid van de werkgever. Die speelt in dit geval op 2 fronten: de “versleuteling” van de docenten over de 3 “verblijfplaatsen” en de gevaren op en rond het veld. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht ROC aan de docenten ter plaatse over laten, hoe zij zich over het terrein van de kampeerboerderij verdeelden. In de kampeerboerderij waren nog genoeg slaapplaatsen over, zodat het in fysieke zin goed mogelijk was geweest, dat alle docenten in het slaapgebouw zouden slapen. Vanuit een oogpunt van veiligheid (zicht op de studenten) was aanwezigheid “in het veld” van een aantal docenten gewenst. ROC mocht het aan de wijsheid van [X] respectievelijk het collectief van de docenten ter plaatse over laten, waarvoor zij zouden kiezen. Kennelijk waren de afloop van het feest voor de studenten en de aard van de ongeregeldheden de vorige nacht niet zodanig, dat er aanleiding was om enkele van de (mannelijke) docenten niet in de tent maar in het slaapgebouw te laten overnachten. Niet is gesteld of gebleken, dat daar tussen de docenten enige discussie over is geweest.

Met betrekking tot de gevaren op het veld hield de zorgplicht van ROC niet in, dat de docenten nog eens specifiek werd gewezen op de “struikelgevoeligheid” van scheerlijnen van tenten, terwijl ROC ook van de docenten mocht verwachten, dat zij er niet op hoefden te worden gewezen, dat naarmate een tent meer personen herbergt, die tent groter zal zijn en de scheerlijnen tot verder buiten de eigenlijke tent reiken.

3.10

De conclusie moet luiden, dat hier sprake is van een ongeluk, dat in de categorie huis-, tuin- en keukenongevallen thuishoort, ofwel de ongelukkige samenloop van omstandigheden en dat er van aansprakelijkheid van ROC op grond van schending van de zorgplicht niet kan worden gesproken. De omstandigheid, dat achteraf kan worden gewezen op een omstandigheid, die, ware zij anders geweest, een ongeluk had kunnen voorkomen, maakt een en ander niet anders.

3.11

Een en ander neemt niet weg, dat [eiseres], met alle goede bedoelingen, heeft deelgenomen aan een activiteit ten behoeve van het ROC en dat haar ongelukkige val haar leed en schade heeft berokkend, die mogelijk door de ongevallenuitkering maar ten dele wordt vergoed. Maar, zoals eerder overwogen: het arbeidsongevallenrecht gaat uit van een “gematigde” schuldaansprakelijkheid en niet van risicoaansprakelijkheid.

3.1.2

Als de in het ongelijk gestelde partij moet [eiseres] worden verwezen in de kosten, aan de zijde van ROC gevallen.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot deze uitspraak begroot op € 300,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wallis en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 april 2012.