Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW3992

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
10/4823
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dividendbelasting - inhoudingsvrijstelling

Belanghebbende, een investeringsvennootschap, heeft in 2006 een aandelenbelang gehad in Royal Dutch Shell Plc. Dat belang bedroeg steeds minder dan 0,03 percent van de uitstaande aandelen Shell. In 2006 heeft belanghebbende dividend ontvangen, waarop dividendbelasting is ingehouden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in 2006 het aandelenbelang in Shell enkel als belegging heeft gehouden en derhalve geen recht heeft op de vrijstelling van artikel 4, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965. Het gelijk is aan de inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-1394
V-N Vandaag 2012/1289
V-N 2012/29.3.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/4823

Uitspraakdatum: 15 maart 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] Ltd., gevestigd te Cyprus,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 14 september 2006 is aan belanghebbende op de aandelen van Royal Dutch Shell Plc (hierna: RD) een dividend uitbetaald van bruto $ 189.240. Op dat bedrag is $ 47.310 aan dividendbelasting ingehouden.

1.2. Belanghebbende heeft op 11 oktober 2006 tegen de inhouding bezwaar gemaakt.

1.3. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 1 oktober 2010 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.4. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 november 2010, per fax ontvangen bij de rechtbank op die datum, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011 te Breda. De zaken met procedurenummers 10/4823 en 10/4824 zijn gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigden van belanghebbende [gemachtigden], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Amsterdam, alsmede namens de inspecteur [gemachtigde]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijkertijd met deze uitspraak is verzonden. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een mondelinge uitspraak aangekondigd.

1.7. Per brief van 9 februari 2012 heeft de rechtbank partijen medegedeeld in de plaats van mondeling uitspraak op 15 maart 2012 schriftelijk uitspraak te doen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is een naar het recht van Cyprus opgerichte en aldaar gevestigde vennootschap. Zij is onderworpen aan de Cypriotische vennootschapsbelasting.

2.2. Belanghebbende is een investeringsvennootschap en maakt als tussenholding deel uit van een concern dat actief is in onder meer de tankervaart en offshore industrie (hierna: het concern). Belanghebbende houdt belangen in een aantal vennootschappen. Het management wordt gevoerd door de groepsmaatschappij [groepsmaatschappij] te Cyprus, waarvan de heer [directeur] directeur is (hierna: [directeur]).

2.3. Belanghebbende heeft vanaf 2004 een wisselend belang in aandelen RD gehad. In 2004 varieerde dit van nihil tot 500.000 American Depositary Reciepts (hierna: ADR). Eén ADR vertegenwoordigt twee aandelen RD. In 2005 is het belang uitgebreid tot 1.000.000 ADR. Dit aandelenbezit is in 2006 overgedragen aan een van de concernvennootschappen, die dit bezit heeft aangewend als onderpand voor een kredietfaciliteit. Omstreeks begin augustus 2006 heeft belanghebbende 300.000 ADR verworven. Op 19 oktober 2006 heeft voornoemde concernvennootschap 800.000 ADR aan belanghebbende overgedragen. Vanaf die datum is het aandelenbezit met een kleine tussentijdse uitbreiding successievelijk verkocht. Medio april 2007 was het gehele aandelenbezit RD afgestoten. In 2006 bedroeg het aandelenbezit RD van belanghebbende steeds minder dan 0,03 percent van de uitstaande aandelen RD.

2.4. Bij brief van 26 oktober 2009 heeft [directeur] op verzoek van de gemachtigde aan hem, voor zover hier van belang, als volgt verklaard:

“2. Investment Advice

The Group engages various investments advisors in order to obtain the optimum advice and input with regard to any investment. However all final investment decisions are taken by the [groepsmaatschappij] acting in their capacity as agents and managers for the [the Group]. This process will of course involve consultation where appropriate with the Directors of the Group and the relevant investing Company. This formula of operation is applied not only to ensure that the Group remains in complete control of its operations but also to apply the fundamental strategic and Group wide evaluation of all investments.

(…)

4. Relationship with Royal Dutch

The Group has enjoyed a long and beneficial history of working with Shell. Moreover the Group is immensely proud of its strong and high level continuous interaction with the senior management of Shell. This relationship has resulted in a huge volume of business being developed between our respective companies. These activities have provided annual turnover for the Group in excess of US$ 500mio per year. This level of trading volume can be illustrated thus:

i. 14 VLCC/Suezmaxes on long term charter

ii. 3 LNG carriers for long term charter

iii. 3 offshore drilling units for long term charter

iv.

This level of collaboration has required and warranted frequent “high level” meetings between our respective management teams and we are delighted that our commitment to this area of business has also resulted in tangible and positive benefits for the various Public Companies in which the Group is invested. Opportunities have arisen for these entities due to the background information and expert advice which the Group has been able to provide.

To maintain and strengthen our relationship with Shell, and to show our respect and business trust, the Group considered a substantial and long term investments in Royal Dutch as strategically important. It was (and still is) our perception that the Group’s substantial investment in Royal Dutch contributed to the development of a strong relationship between ourselves and our client Shell.

(…)

In conclusion we must therefore emphasise that whilst it is inevitably the ultimate objective of the Group to realise a gain on its investments and enhance shareholder value, the Group is not willing to be a “passive” investor of shares or bonds but rather primarily be a pro-active investor concentrating its investments focus on specific areas of industry designed to maximise the strategic importance of all investments for the Group as whole. In short the investments of Group companies such as [onderneming A], [belanghebbende] and [onderneming B] are mostly long term and exclusively focussed in their respective related industries aligned to the stock listed companies in which they are mayor shareholders. These stock listed companies [companie A], [companie B], [companie C] and [companie D], are leading participants in their respective fields and growth is the result of merges and acquisitions facilitated by their strategic positioning.”

2.5. De beslissingen en eventueel overleg omtrent de aan- en verkopen van aandelen RD zijn niet schriftelijk vastgelegd.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op de vrijstelling van inhouding van dividendbelasting als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: de Wet). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Voor zover hier van belang mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet (tekst: 2006) inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen, indien de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2006; hierna: de Wet Vpb) van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming. Ingevolge het gemeenschapsrecht is de inhoudingsvrijstelling evenwel ook van toepassing indien de moedermaatschappij in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd.

4.2. Artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst: 2006; hierna: de Wet Vpb) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“2. Van een deelneming is sprake indien de belastingplichtige:

a. voor ten minste vijf percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld; (…)

3. (…)

Met een deelneming wordt gelijkgesteld een aandelenbezit of een bezit aan bewijzen van deelgerechtigdheid, dat geen deelneming vertegenwoordigt omdat dat bezit minder bedraagt dan de in het tweede lid bedoelde vijf percent, indien hetzij het aanhouden van dat bezit in de lijn ligt van de normale uitoefening van de door de belastingplichtige gedreven onderneming, hetzij met het verwerven daarvan het algemene belang gediend is geweest.”

4.3. Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2001, nummer 36 145, BNB 2001/210, blijkt dat voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een gelijkgestelde deelneming als bedoeld in 13, derde lid, van de Wet Vpb slechts van belang is of de aandelen anders dan als belegging worden aangehouden. Daarvan is sprake indien niet enkel wordt gestreefd naar het rendement en de waardestijging die van het bezit bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht. Indien dat het geval is, is het houden van dat belang een ondernemingsactiviteit en ligt dit bezit in de lijn van de normale uitoefening van de onderneming en is de deelnemingsvrijstelling van toepassing.

4.4. Belanghebbende stelt dat zij niet enkel streefde naar het rendement en de waardestijging die van het bezit bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht en dat de aandelen RD derhalve niet slechts werden gehouden vanwege hun betekenis als waardepapier. Zij verwijst daartoe onder meer naar de verklaring van [directeur]. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd het volgende verklaard. Niet is te achterhalen of bij de onderhandelingen tussen het concern en RD voor het binnenhalen van opdrachten, het aandelenbezit in RD ook werd of wordt besproken. Tevens is niet bekend of het concern in de jaren tussen 2004 en 2007 meer opdrachten van RD heeft kunnen binnenhalen dan in de periode van voor 2004 en de periode van na 2007. Voor de financiering van de aankoop van de aandelen RD is geleend binnen het concern. Niet bekend is of het concern op haar beurt geld heeft geleend van financiële instellingen.

4.5. Bij de beoordeling van het geschil stelt de rechtbank voorop dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de aandelen RD niet slechts werden gehouden vanwege hun betekenis als waardepapier. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur acht de rechtbank belanghebbende daarin niet geslaagd. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aankoop en het bezit van aandelen RD de samenwerking tussen het concern en RD daadwerkelijk heeft bevorderd. Tevens heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende haar ‘belang in RD is gaan opbouwen min of meer op de bodem van de koers en het belang definitief heeft verkocht tijdens een topvorming van de koers’. Verder is naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van [directeur] inzake het aandelenbelang RD (zie 2.4) in te algemene bewoordingen gesteld en onvoldoende specifiek. Uit die verklaring kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de aandelen in RD voor belanghebbende meer betekenis hebben gehad dan enkel als waardepapier. Dat het concern alleen investeert of belegt in branchegerelateerde fondsen doet hier niet aan af. Evenmin is van belang dat het aandelenbezit onder de “non-current assets” ultimo 2006 op de balans van belanghebbende was opgenomen. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat het concern enige actieve betrokkenheid binnen RD heeft gehad.

4.6. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende het aandelenbelang in RD in 2006 enkel als belegging heeft gehouden en derhalve geen recht heeft op de vrijstelling van artikel 4, eerste lid, van de Wet. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 15 maart 2012 door, voorzitter mr.drs. M.M. de Werd, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. J.W.M. Tijnagel, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Wegens afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, ondertekend.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 26 maart 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.