Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW3530

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
11/2044
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / formeel

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar in cocaïne gehandeld en de inkomsten zijn niet verantwoord in zijn aangifte IB. Omkering van de bewijslast nu niet de vereiste aangifte is gedaan. De aanslag blijft in stand. Dat de inspecteur de aanslag in eerste instantie uitsluitend heeft opgelegd om de beslaglegging door het openbaar ministerie op de bij belanghebbende aangetroffen bedragen te rechtvaardigen, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1399
FutD 2012-1213
V-N Vandaag 2012/1096

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/2044

Uitspraakdatum: 21 maart 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 26 februari 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2008 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.000 (aanslagnummer [nummer].H.86).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde], tot bijstand vergezeld van [bijstand] en, namens de inspecteur, [gemachtigde].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. In belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar zijn de volgende inkomsten opgenomen: € 22.229 aan looninkomsten en € 2.000 aan resultaat uit werkzaamheden. Volgens gemachtigde heeft laatstgenoemd resultaat betrekking op door belanghebbende buiten zijn dienstverband verrichte installatiewerkzaamheden.

2.2. Op 13 december 2008 is belanghebbende aangehouden door de politie. In zijn auto werden cocaïne, middelen om cocaïne te versnijden, een weegschaal met daarop resten van cocaïne en zakjes om drugs in te bewaren gevonden. In zijn auto lag voorts € 612,40 aan contanten en bij hem thuis zijn geldbedragen van € 9.050 en € 1.590 aangetroffen. Van belanghebbende is € 2.750 aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel ontnomen.

2.3. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 38.119. Dit bedrag bestaat voor € 22.229 aan looninkomsten, voor € 2.000 aan inkomen uit andere werkzaamheden en voor € 13.890 aan inkomsten uit drugshandel.

2.4. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, vindt niet alleen omkering van de bewijslast plaats indien een ondernemer niet aan zijn administratieverplichting voldoet, maar onder andere ook als niet de vereiste aangifte is gedaan en niet is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (ex artikel 27e, aanhef en onderdeel a van de AWR).

2.5. De rechtbank overweegt dat in de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van belanghebbende over het onderhavige jaar geen inkomsten uit drugshandel zijn opgenomen. Gelet op de in 2.2 genoemde ontnemingmaatregel is aannemelijk geworden dat in de aangifte van belanghebbende ten onrechte tenminste € 2.750 aan inkomsten niet is verantwoord. Ingevolge vaste rechtspraak is niet de vereiste aangifte gedaan indien daarin een substantieel deel van het inkomen niet is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is een bedrag van € 2.750 een substantieel deel van het inkomen, nu dit meer dan 10% is van het wel aangegeven inkomen van € 24.229. Belanghebbende dient derhalve te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

2.6. Gemachtigde voert aan dat belanghebbende bij de politie heeft verklaard dat hij ongeveer een half jaar cocaïne heeft verkocht en dat hij hiermee circa € 125 per week verdiende. De rechtbank overweegt dat de eigen verklaring van belanghebbende, welke niet door enig objectief bewijsmateriaal wordt ondersteund, onvoldoende is om te doen blijken dat belanghebbende niet meer heeft verdiend.

2.7. Volgens vaste rechtspraak mag de inspecteur de aanslag echter niet naar een willekeurige schatting opleggen. De inspecteur heeft de aanslag in eerste instantie uitsluitend opgelegd om de beslaglegging op de bij belanghebbende aangetroffen bedragen, van in totaal circa € 11.250, te rechtvaardigen. Dat is in beginsel niet juist. De inspecteur heeft de aanslag in de uitspraak op bezwaar echter nader gemotiveerd. Hij gaat er van uit dat belanghebbende met zwart werk € 10.640 heeft verdiend en met de handel in cocaïne 48 maal € 125, of € 6.000. Tevens heeft hij rekening gehouden met de ontneming van € 2.750. Belanghebbende heeft geen administratie bijgehouden van de buiten dienstbetrekking verrichte installatiewerkzaamheden. Voorts heeft hij zelf verklaard dat hij het bedrag van € 9.050 dat in de kluis thuis is aangetroffen, had verdiend met zwart werken. De rechtbank acht het niet onredelijk dat de inspecteur er van uit is gegaan dat belanghebbende met het zwart werken aanzienlijk meer heeft verdiend dan de aangegeven € 2.000. De schatting van € 10.640 acht de rechtbank, mede gezien de bij belanghebbende aangetroffen bedragen, niet onredelijk. Ook de schatting van de inkomsten uit handel in cocaïne acht de rechtbank niet onredelijk. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat hij gedurende een kortere periode heeft gehandeld dan de door de inspecteur gehanteerde periode van 1 januari 2008 tot en met 1 december 2008 en het bedrag dat als verdiensten is aangemerkt vloeit voort uit de door belanghebbende zelf aangeleverde informatie.

2.8. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 21 maart 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 maart 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.