Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW3477

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
247483 JE RK 12-551
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek van de moeder tot ondertoezichtstelling van nu 16-jarige dochter. De minderjarige verblijft feitelijk sinds haar 13de jaar bij een (meerderjarige) vriendin en wordt door wie zij - grotendeels - wordt onderhouden. Het gezamenlijk bij de ouders van de minderjarige berustende gezag wordt sedertdien feitelijk niet uitgeoefend. Verzoek tot ots afgewezen, nu de minderjarige op meerdere vlakken ondersteuning ontvangt en dit in de dagelijkse praktijk geen situatie oplevert waarin sprake is van gronden voor een ots. Gezien die beslissing is het namens de mj door haar advocaat gedane verzoek tot benoeming van haar als bijzonder curator afgewezen. Het verzoek tot benoeming bijzonder curator is bij afzonderlijke procedure wel toegewezen, waartoe is overwogen dat het gezag over de minderjarige feitelijk niet wordt uitgeoefend en het haar nagenoeg aan iedere vorm van verzorging ontbreekt. De minderjarige eet soms mee bij vader en ontvangt van hem een geringe financiele ondersteuning, hetgeen echter onvoldoende is om in haar basisbehoeften te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 247483 JE RK 12-551

18 april 2012

beschikking betreffende ondertoezichtstelling

in de zaak van

[naam moeder]

wonende te Tilburg,

moeder van na te noemen minderjarige en gezagdragende ouder,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr S.M.P.T. Ruijs- Kreté,

betreffende de minderjarige [naam minderjarige]

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 28 maart 2012 ingekomen verzoekschrift met bijlagen;

- de beschikkingen van deze rechtbank van 21 juli 2009 en 26 oktober 2010 (198334 FA RK 08-5900);

- de brieven van de griffier van deze rechtbank van 29 maart 2012 aan de hierna te noemen belanghebbenden;

- de op 5 april 2012 ingekomen brief van de advocaat van de moeder, met bijlage;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 april 2012 en de door ieder van de ouders bij die gelegenheid afzonderlijk in het geding gebrachte brieven.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

1. de minderjarige, bijgestaan door mr A.M.C.J. Klostermann;

2. de heer [naam vader ], vader van de minderjarige en gezagdragende ouder,

3. de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd Alleenhouderstraat 25, 5041 LC Tilburg, hierna te noemen de stichting,

4. de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden- en West-Brabant, gevestigd Spoorlaan 394, 5038 CG Tilburg, hierna te noemen de raad.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe de minderjarige onder toezicht te stellen van de stichting.

3. De beoordeling

3.1 Bij voormelde beschikking van 21 juli 2009 is tussen voornoemde ouders van de minderjarige de echtscheiding uitgesproken.

3.2 Ter toelichting op het verzoek is door en namens de ter zitting verschenen moeder

- samengevat - aangevoerd dat, nadat zij en de vader feitelijk gescheiden zijn gaan leven, er een strijd is ontstaan over de kinderen. Daar waar de moeder gedurende het huwelijk immer de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op zich had genomen was dit na het feitelijk uiteengaan van partijen niet meer vanzelfsprekend. De vader eiste - in weerwil van hetgeen de moeder wenst - dat beide minderjarigen hun hoofdverblijf bij hem zouden krijgen. Op zeker moment is de relatie tussen de moeder en [naam minderjarige] verstoord geraakt als gevolg van een verschil voor wat betreft door haar en door de vader afzonderlijk gehanteerde regels, waardoor [naam minderjarige] (toen 13) grensoverschrijdend gedrag is gaan vertonen. De frustraties bij [naam minderjarige] waren in die periode voornamelijk op de moeder gericht. Als gevolg van de conflicten met de moeder verbleef [naam minderjarige] steeds vaker bij een (toen 20-jarige) vriendin, te weten [na[naam vriendin]iendin] in een studentenpand, alwaar ook de vader woonde. Uiteindelijk heeft [naam minderjarige] in maart 2009 haar intrek in het studentenpand genomen. De moeder heeft hierop diverse hulpverlenende instanties ingeschakeld, zoals het (school)maatschappelijk werk en het AMK, aangezien zij de omstandigheid waarin er geen enkel toezicht was op [naam minderjarige] en van verzorging en/of opvoeding in het geheel geen sprake (meer) leek te zijn niet niet in [naam minderjarige]’s belang achtte. De moeder heeft ingestemd met door de man voorgestelde individuele begeleiding van [naam minderjarige] door een kinderspsychologe, maar dit is nimmer van de grond gekomen. Het advies van de stichting Bureau Jeugdzorg om thuis jeugdhulp in te zetten gericht op het gezin en ter ondersteuning van de vader om de situatie rondom [naam minderjarige] te optimaliseren heeft de vader indertijd naast zich neergelegd. Partijen zijn het - ook na de verwijzing bij beschikking van 21 juli 2009 naar het mediationbureau - niet eens kunnen worden omtrent het hoofdverblijf van [naam minderjarige]. De diversiteit aan ingezette hulpverlening heeft geen resultaat gehad en heeft - uiteindelijk - slechts geleid tot meer druk en spanningen bij [naam minderjarige]. Daardoor is het contact tussen [naam minderjarige] en de moeder verder verstoord geraakt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in september 2010 heeft de moeder bij de rechtbank aangedrongen op een raadsonderzoek naar de woon-, leef- en opvoedingssituatie van [naam minderjarige], dit vanuit de ervaring bij de moeder dat het contact tussen haar en [naam minderjarige] voordien altijd goed is geweest. De moeder heeft de hulpverleners alle ruimte geboden hun werk te kunnen doen en zij heeft [naam minderjarige] rust gegeven, alsook getracht middels sms-berichten het contact warm te houden, maar dit alles mocht niet baten. Hierop heeft de moeder haar verzoek betreffende het hoofdverblijf en een contactregeling ingetrokken, aangezien zij een raadsonderzoek een te zware belasting voor [naam minderjarige] vond. In de vervolgens op 26 oktober 2010 gegeven beschikking, waarbij het verzoek van de man tot bepaling van het hoofdverblijf van [naam minderjarige] bij hem is afgewezen, heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.5 de zorg uitgesproken over de omstandigheid dat er geen contact is tussen [naam minderjarige] en moeder en over de afwezigheid van enige stimulans vanuit de man om dit op gang te brengen. Nadat de strijd ten aanzien van het hoofdverblijf definitief leek te zijn gestaakt en de hulpverleningstrajecten waren geëindigd leek er rust te ontstaan en herstelde het contact tussen de moeder en [naam minderjarige] zich stapsgewijs. De moeder bemerkte echter dat dit contact [naam minderjarige] wel meer in loyaliteitsproblemen bracht richting de vader en ook haar vriendin [naam vriendin], waaraan [naam minderjarige] erg gehecht is geraakt. De loyaliteit ten opzichte van vader lijkt bij [naam minderjarige] voort te komen uit het feit dat de vader al een dochter is ‘kwijtgeraakt’, te weten de inmiddels meerderjarige dochter van de ouders, die het contact met hem heeft verbroken. De vader laat na de kosten van levensonderhoud voor [naam minderjarige] te voldoen. De vader neemt ook in overig opzicht al enige tijd geen enkele verantwoordelijkheid voor [naam minderjarige], terwijl zij ook feitelijk niet langer bij hem maar bij haar vriendin [naam vriendin] woont. In de huidige omstandigheden, waarin alleen door [naam vriendin] (enige) controle op [naam minderjarige] wordt uitgeoefend, terwijl er sprake zou moeten zijn van toezicht uitgeoefend door de ouders, wordt [naam minderjarige] belemmerd zichzelf vrijelijk te uiten en een eigen identiteit te ontwikkelen. De wens van de moeder is dat [naam minderjarige] wordt weggehaald uit haar huidige leefomgeving en dat zij onder begeleiding zelfstandig gaat wonen.

3.3 Ter zitting is door [naam minderjarige], afzonderlijk gehoord in aanwezigheid van haar advocaat, samengevat verklaard dat zij aanvankelijk bij haar vriendin [naam vriendin] in een studentenpand heeft ingewoond, dat zij vervolgens circa een jaar bij haar vader en diens partner heeft gewoond en dat zij wederom bij [naam vriendin] is gaan wonen, nadat [naam vriendin] zelfstandige woonruimte had betrokken. [naam minderjarige] stelt voorts dat het contact tussen haar en vader conflictueus verliep sinds zij niet meer bij hem kon wonen, maar dat dit nadien weer is hersteld. Zij blijft regelmatig bij hem eten en ontvangt ook een geringe financiële ondersteuning van hem. Tussen haar en moeder ligt dit anders. De verstandhouding tussen hen beiden is onverminderd slecht, nu haar moeder aanvankelijk de indruk gaf achter haar verblijf bij [naam vriendin] te staan, maar zij vervolgens blijk gaf van een geheel andere opvatting daaromtrent. [naam minderjarige] geeft aan dat zij kampte met woede- en driftaanvallen en met verlatingsangst door deze radicale ommekeer van haar moeder. De driftbuien zijn inmiddels afgenomen, dankzij het feit dat zij over haar gevoelens goede gesprekken met [naam vriendin] kan voeren. In de praktijk lukt het haar om met de hulp en ondersteuning, die zij van [naam vriendin] krijgt, zowel privé als op school adequaat te functioneren. Die ondersteuning wordt door [naam vriendin] ook deels geboden op het financiële vlak voor de aanschaf van spullen en kleding. Voorts geeft [naam minderjarige] aan dat zij er tevens in slaagt belangrijke zaken - waarvoor eigenlijk schriftelijke instemming van haar ouders vereist is, welke feitelijk niet wordt gegeven bij gebrek aan voldoende beschikbaarheid van haar ouders - zodanig te regelen dat deze in de praktijk niet tot noemenswaardige problemen leiden.

3.4 Namens [naam minderjarige] is door haar advocaat ter zitting dat zij weliswaar erkent dat er sprake is van zorgen rondom [naam minderjarige]’s huidige situatie, maar dat zij betwijfelt of deze dermate ernstig en omvangrijk zijn, dat in haar belang een beschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [naam minderjarige] functioneert immers goed op school, zij heeft een goed contact met haar vader en zij lijkt haar verblijf bij [naam vriendin] als prettig te ervaren.

Het heeft er dan ook alle schijn van dat zij met de ondersteuning die zij van [naam vriendin] op meerdere fronten ontvangt erin slaagt haar persoonlijke situatie voldoende het hoofd te bieden. Niettemin acht zij een (nader) onderzoek door de raad hier op zijn plaats om helder te krijgen of en in hoeverre ingrijpende ervaringen uit het verleden van invloed zijn geweest op [naam minderjarige]’s ontwikkeling en haar huidige functioneren, alsook op welke wijze tot een adequate aanpak kan worden gekomen van het loyaliteitsconflict waarmee [naam minderjarige] als gevolg van de ontstane situatie kampt.

Ten slotte benadrukt zij als advocaat van [naam minderjarige] in de onderhavige zaak het belang om te komen tot benoeming van haarzelf tot bijzonder curator over [naam minderjarige] in de afzonderlijk aanhangig gemaakte zaak met het kenmerk 247842 FA RK 12-1647. Hiertoe acht zij van belang dat benoeming als zodanig haar in staat stelt naar [naam minderjarige] toe geheel los van de ouders als vertrouwenspersoon te fungeren. De positie die zij in geval van benoeming tot bijzonder curator heeft biedt haar bovendien mogelijkheden om te trachten tot herstel van het contact tussen [naam minderjarige] en haar ouders te komen.

3.5 De ter zitting verschenen vader heeft opgemerkt dat [naam minderjarige] wekelijks bij hem komt eten, hetgeen hem in staat stelt enig toezicht op haar uit te oefenen. Verder heeft hij contact gezocht met de school van [naam minderjarige] en heeft hij zich ervan kunnen vergewissen dat haar resultaten goed waren. Ofschoon hij liever had gezien dat [naam minderjarige] bij hem had kunnen blijven wonen heeft hij de indruk dat [naam minderjarige] zich ook in overig opzicht positief ontwikkelt.

3.6 De vertegenwoordigster van de stichting heeft ter zitting aangevoerd dat op grond van

hetgeen ter zitting naar voren is gebracht de zorgen bij haar omtrent de situatie van [naam minderjarige] zijn toegenomen. Met het oog hierop alsook specifiek gelet op de naderende meerderjarigheid van [naam minderjarige] kan zij dan ook achter een (nader) raadsonderzoek staan. Dit onderzoek zou zich mede kunnen richten op de in haar optiek niet ondenkbare constructie waarin vriendin [naam vriendin] als pleegouder gaat fungeren. Verder kan de stichting instemmen met benoeming over [naam minderjarige] van mr Klostermann tot bijzonder curator.

3.7 De vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting

aangegeven dat zij het in [naam minderjarige]’s belang aangewezen acht, nu haar persoonlijke omstandigheden zoals ter zitting besproken zich al geruime tijd voordoen, dat in de eerste plaats wordt ingezet op hulp en ondersteuning in een vrijwillig kader. Ofschoon zij in dat verband nu geen aanleiding ziet voor een onderzoek door de raad acht zij voor de raad wel een taak weggelegd, om te komen tot een inventarisatie van de hulp in een vrijwillig kader die in het belang van [naam minderjarige] daadwerkelijk nodig is.

3.8 De kinderrechter overweegt op grond van de inhoud van de gedingstukken en het

verhandelde ter zitting als volgt.

Het onderhavige verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel

1:254 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Daarin is opgenomen dat een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld van een stichting, als bedoeld in artikel 1, onder f van de Wet op de Jeugdzorg indien de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Hetgeen door en namens de moeder ter onderbouwing van haar verzoek is aangevoerd strekt naar het oordeel van de kinderrechter niet althans in onvoldoende mate tot de overtuiging dat de gegeven omstandigheden, waarin de nu 16-jarige [naam minderjarige] bij haar (meerderjarige) vriendin [naam vriendin] woont en door laatstgenoemde op meerdere vlakken ondersteuning ontvangt, in de dagelijkse praktijk tot een situatie leiden waarin op één of meerdere hiervóór genoemde vlakken sprake is van een bedreiging in [naam minderjarige]’s ontwikkeling. Zulks klemt temeer, gelet op de mededeling van de vader ter zitting dat [naam minderjarige] wekelijks bij hem komt eten, dat hij contact heeft gezocht met de school van [naam minderjarige] en dat hij op basis van zijn bevindingen kan bevestigen dat het in alle opzichten goed met [naam minderjarige] gaat. Daarbij komt dat namens de stichting is verklaard dat het fungeren van vriendin [naam vriendin] als pleegouder door haar niet voor onmogelijk wordt gehouden, zij het dat daarnaar eerst door de raad onderzoek gedaan zou moeten worden.

Dit bij elkaar maakt dat het op dit moment niet in het belang [naam minderjarige] is in de huidige situatie verandering te brengen. Er is dan ook geen althans in onvoldoende mate sprake van gronden, als genoemd in voormeld wetsartikel, voor een ondertoezichtstelling. Het onderhavige verzoek zal met inachtneming hiervan derhalve worden afgewezen. Die beslissing brengt tevens met zich dat bij [naam minderjarige] in de onderhavige zaak enig belang ontbreekt om te komen tot benoeming van een bijzonder curator, als door haar advocaat (bij separaat verzoekschrift) verzocht. Op de gronden, als vermeld in de zaak 247842 FA RK 12-1647, zal de kinderrechter in die zaak overigens alsnog overgaan tot benoeming van een bijzonder curator.

Het vorenstaande laat onverlet dat de kinderrechter de omstandigheid dat over [naam minderjarige] thans feitelijk geen gezag wordt uitgeoefend een aandachtspunt is dat in elk geval door de raad dient te worden opgepakt. Indien de raad alsnog tot een onderzoek mocht besluiten dient dit aspect daarin centraal te staan en ligt in de opvatting van de kinderrechter het fungeren van vriendin [naam vriendin] als pleegouder eveneens serieus als onderzoeksvraag in de rede.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Schoonen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2012 in tegenwoordigheid van Baremans, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld

a. door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: