Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW3323

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
684671 cv 11-6725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mede-)eigendom; gemeenschap; beschikking van deelgenoten over hun aandeel in een gemeenschappelijk goed (in casu een paard); gebruiksrecht.

Gevorderde verklaring voor recht om het paard aan eiser sub 1 over te dragen omdat hij eigenaar is van het paard, wordt afgewezen. Anders dan eiser sub 1 betoogt, brengt registratie in het stamboekregister als eigenaar van het paard niet met zich dat hij juridisch als eigenaar van het paard dient te worden beschouwd, zulks dient bepaald te worden o.g.v. de bepalingen in het BW. Een dergelijke registratie levert ook geen bewijsvermoeden op dat eiser sub 1 eigenaar is van het paard. Op grond van art. 150 Rv dient eiser sub 1 te onderbouwen, en bij voldoende betwisting door gedaagde, te bewijzen dat hij eigenaar is van het paard. De stellingen van eiser sub 1 zijn ontoereikend en worden niet door de overgelegde producties ondersteund. Niet gebleken is dat eiser sub 1 partij was bij de koopovereenkomst ter zake het paard, terwijl ook het bewewerdelijk financieel bijdragen aan de koopsom -zo al juist - niet tot een dergelijke conclusie kan leiden. Aan bewijsvoering wordt derhalve niet toegekomen (en bewijs is overigens ook niet aangeboden). Gezien het vorenstaande komt evenmin voor toewijzing in aanmerking het subsidiair gevorderde ter beschikking stellen van het paard door gedaagde aan eiser sub 1.

Het ter beschikking stellen van het gebruiksrecht van het paard door gedaagde aan eiseres sub 2 komt wel voor toewijzing in aanmerking. Nu gedaagde - anders dan zij betoogt - niet de volledige eigendom van het paard heeft verkregen, is zij tezamen met eiseres sub 2 mede-eigenaar van het paard. Mede-eigendom is een vorm van gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 e.v. BW. Ingevolge 3:175 BW geldt als uitgangspunt dat ieder over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed (in casu het paard) kan beschikken, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit. Deze uitzondering op de hoofdregel doet zich in het onderhavige geval voor, aangezien de rechtsverhouding tussen eigenaren van een gezelschapsdier met zich brengt, dat geen van de deelgenoten kan beschikken over haar aandeel in het dier, behoudens met instemming van de ander, welke in casu niet is verleend. Nu gedaagde op grond van artikel 3:175 BW niet bevoegd was om over haar aandeel in het paard te beschikken, heeft zij haar aandeel - evenals dat van eiseres sub 2 - niet rechtsgeldig aan een derde kunnen overdragen. Of deze derde ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van gedaagde toch mede-eigenaar is geworden van het paard in plaats van gedaagde omdat hij zich succesvol op de bescherming kan beroepen die artikel 3:86 BW een verkrijger te goeder trouw biedt, kan in de onderhavige procedure niet beoordeeld worden, nu deze derde geen procespartij is in de onderhavige zaak en zich niet ex artikel 217 Rv aan de zijde van gedaagde heeft gevoegd. Het vorenstaande brengt met zich dat - totdat de derde zich in rechte beroept op het bepaalde in artikel 3:86 BW en dit beroep wordt gehonoreerd - er vanuit dient te worden gegaan dat eiseres sub 2 en gedaagde gezamenlijk mede-eigenaar zijn van het paard. Deze mede-eigendom blijft bestaan, totdat één van beide deelgenoten verdeling van de gemeenschap vordert ex artikel 3:178 BW. Een dergelijke vordering is in deze procedure niet ingesteld. Anders dan bij dagvaarding aan de gevorderde overdracht en het gebruiksrecht ten grondslag wordt gelegd, kan de vraag welke bevoegdheden een deelgenoot aan haar aandeel ontleent, niet worden beantwoord op basis van artikel 5:2 BW en eiseres sub 2 heeft dan ook niet op grond van haar aandeel de bevoegdheid als genoemd in artikel 5:2 BW. De vraag of eiseres sub 2 het genot van het gemeenschappelijk goed toekomt en zij bevoegd is tot gebruik ervan, moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen is bepaald in artikel 3:168 e.v. BW. Op basis van artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van het gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten is te verenigen. Op die grond komt de gevorderde ter beschikkingstelling door gedaagde van het gebruiksrecht van het paard voor 50% aan eiseres sub 2 op straffe van een dwangsom voor toewijzing in aanmerking.

Nu mede op verzoek van eiseres sub 2 beslag is gelegd op het paard en is dit paard in gerechtelijke bewaring is afgegeven, dient - zolang dit beslag niet is opgeheven - er vanuit te worden gegaan dat eiseres

sub 2 in ieder geval gedurende die periode in staat is haar gebruiksrecht uit te oefenen, zodat er over die periode geen dwangsommen verbeurd kunnen worden. De toe te wijzen dwangsom kan derhalve slechts

worden verbeurd vanaf het moment dat het betreffende beslag, na toewijzing van een daartoe strekkende vordering, is opgeheven en gedaagde vanaf dat moment niet aan de onderhavige veroordeling voldoet om het paard voor 50% ter beschikking aan eiseres sub 2 te stellen. Opheffing van het betreffende beslag - als verzocht door gedaagde - kan niet in de onderhavige procedure plaatsvinden, nu de kantonrechter daartoe niet bevoegd is. Een daartoe strekkende vordering dient te worden ingesteld bij de sector civiel van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 684671 CV EXPL 11-6725

vonnis d.d. 18 april 2011

inzake

1. [X],

2. [Y],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: R. Koot, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

tegen

[Z],

wonende in de gemeente [woonplaats], op een adres waarvan blijkens de gemeentelijke basisadministratie geheimhouding is verzocht,

gedaagde,

procederend in persoon, waarbij tevens de heer [F] namens haar heeft gesproken voor antwoord en dupliek.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “[X]”, “[Y]” en “[Z]”.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 21 september 2011, met producties genummerd 1 tot en met 8;

b. de conclusie van antwoord, met een viertal producties;

c. de conclusie van repliek, met producties genummerd 9 en 10;

d. de conclusie van dupliek, met producties genummerd 1 tot en met 7;

e. de akte uitlating producties zijdens [X] en [Y].

2. Het geschil

2.1. [X] en [Y] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair voor recht te verklaren dat [X] feitelijk eigenaar is van de merrie en dat de merrie om die reden aan hem moet worden overgedragen,

alsmede

[Z] te veroordelen om aan [X] en [Y] te betalen een bedrag van € 1.095,47 in één keer, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 916,97 vanaf 21 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair [Z] te veroordelen om het gebruiksrecht van het deeleigendom van de merrie aan [X] en [Y] beschikbaar te stellen op straffe van een dwangsom van € 30,- per dag dat [Z] de merrie niet beschikbaar stelt,

alsmede

[Z] te veroordelen in de proceskosten, de beslagkosten en het gemachtigdensalaris daaronder begrepen.

2.2. [Z] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3. De beoordeling

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten.

- De heer [A] was fokker en eigenaar van een paard, genaamd Rinske-Vigone fan Lytssypenstien, met chipnummer 58210000579298.

- In een door de heer [A] ondertekend schriftelijk stuk, gedateerd 27 mei 2011, staat - voor zover thans relevant - vermeld:

“Hierbij wil ik te kennen geven dat Rinske-Vigone f Lytssypenstien (…) verkocht is op 10 oktober 2008 aan [B] en [C], [Y].

Te naam stelling van het paard is gedaan op naam van [X].

Betaling van 2400 euro is gedaan op 12 oktober 2008.

[A]”

- In een door [B] en [C] ondertekend schriftelijk stuk, gedateerd 11 januari 2011, staat - voor zover thans relevant - vermeld;

“Op 10 oktober 2008 kopen [D], [B] en [C] gezamenlijk de (…) Friese merrie Rinske voor € 2400,-. Ieder betaalt € 800,-.

We brengen het paard naar een africhtingsstal te Marum, waar ze wordt ingereden. De kosten bedragen € 600,-. Ieder betaalt € 200,-.

Vervolgens verkopen en [B] en [C] hun gezamenlijke aandeel in Rinske voor € 2.000,- aan [Z]. Omdat het paard nog moeilijk te berijden is gaat ze op kosten van [D] nog voor een maand naar de africhtingsstal. [D] betaalt € 600,-.

Dat maakt dat [D] op dat moment € 1.600,- aan het paard heeft betaald en [Z] € 2.000,-.

[C] en [B].”

- Vanaf het moment dat [B] en [C] hun aandeel in het paard aan [Z] hebben overgedragen, omstreeks februari/maart 2009, verzorgen [Y] en [Z] het paard gezamenlijk en rijden zij gezamenlijk naar de pensionstal waar het paard staat gestald.

- Eind september 2010/begin oktober 2010 bemerken [X] en [Y] dat het paard zich niet meer bevindt op de plek waar het gestald stond.

- [X] doet op 4 oktober 2010 aangifte bij de politie van diefstal van het paard en verduistering van de eigendomspapieren van het paard.

- [Y] treft het paard (uiteindelijk) aan te Rucphen bij de manege “De Vijfsprong”.

- Op 5 september 2011 hebben [X] en [Y] de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda verzocht om ter verzekering van hun eigendomsrechten en het gebruiksrecht verlof te verlenen tot het revindicatior onder zich nemen van het paard en te gelasten dat dit paard ter gerechtelijke bewaring wordt afgegeven aan de heer [E] te [woonplaats] die tot gerechtelijk bewaarder wordt benoemd.

- Nadat daartoe op 6 september 2011 verkregen beslagverlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda, is op 9 september 2011 het paard - dat zich bevond te Rucphen bij de manege “De Vijfsprong” - in conservatoir beslag genomen.

3.2. [X] en [Y] stellen dat zij tezamen met de [zussen B en C], een koopovereenkomst hebben gesloten voor het paard met de heer [A]. Volgens [X] en [Y] hebben zij met de [zussen B en C] afgesproken dat zij gezamenlijk het benodigde kapitaal voor de koopsom van het paard bijeen brengen en dat [X] het paard inschrijft in het stamboek. In de visie van [X] en [Y] is [X] als gevolg van deze inschrijving feitelijk de eigenaar van het paard, waarbij [Y] en de [zussen B en C] een economisch belang hebben vanwege hun investering. Nadat de [zussen B en C] hun halve economische eigendom hebben verkocht aan [Z] voor een bedrag van € 2.000,-, heeft [Z] een economisch belang voor de helft van de waarde van het paard verkregen, aldus [X] en [Y]. Zij geven aan dat vanaf dat moment [Y] en [Z] gezamenlijk voor het paard zijn gaan zorgen en gezamenlijk naar de pensionstal rijden waar het paard staat gestald. [X] en [Y] stellen dat zij eind september 2010/begin oktober 2010 bemerkten dat het paard zich niet meer bevond op de plek waar het gestald stond, en dat zij vermoeden dat [Z] achter de diefstal zit omdat zij daags daarvoor de paardenpapieren aan de moeder van [Y] had ontfutseld. Volgens [X] en [Y] heeft [Z] tweemaal zonder toestemming het paard verplaatst en is vervolgens - op verzoek van [X] en [Y] en na daartoe verkregen verlof - beslag gelegd op het paard. [X] vordert primair op basis van artikel 5:2 BW dat het paard volledig aan hem wordt overgedragen, stellende dat hij feitelijk eigenaar is van het paard op grond van de inschrijving in het Paardenstamboek. Zulks betekent volgens hem dat [Y] en [Z] gecompenseerd moeten worden voor hun economisch belang, zijnde voor [Z] de helft van de geschatte waarde van het paard ad € 5.000,-, derhalve resulterend in een bedrag van € 2.500,-. [X] en [Y] menen echter niet tot uitkering van dit bedrag te hoeven overgaan, nu zij dit bedrag wensen te verrekenen met de kosten die zij ten behoeve van het paard hebben gemaakt ten bedrage van € 3.416,97. Volgens [X] en [Y] hebben zij derhalve een vordering op [Z] ten bedrage van € 916,97 (€ 3.416,97 minus € 2.500,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Subsidiair vorderen [X] en [Y] dat [Z] aan hen beschikbaar stelt het gebruiksrecht van hun deeleigendom van 50% van het paard op grond van artikel 5:2 BW, op straffe van een dwangsom van € 30,- per dag. Ten slotte maken [X] en [Y] aanspraak op een bedrag van € 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3. [Z] voert aan dat het paard aanvankelijk werd gekocht door [Y] en de [zussen B en C], waarbij ieder 1/3 van de koopsom van het paard ad € 2.300,- heeft voldaan. [Z] geeft aan dat zij omstreeks februari 2009 de aandelen van de [zussen B en C] in het paard heeft gekocht voor een bedrag van € 2.000,-, waardoor zij voor 2/3 eigenaar is geworden van het paard. Dit bedrag is hoger dan het bedrag dat de [zussen B en C] destijds voor hun aandeel in het paard hebben betaald, omdat het paard inmiddels was beleerd, aldus [Z]. Volgens [Z] heeft zij eveneens het aandeel van [Y] in het paard (1/3) afgekocht doordat zij met haar mondeling heeft afgesproken dat zij vanaf februari 2009 de kosten voor het paard en de stallingskosten zou voldoen. [Z] stelt dat zij deze kosten ook daadwerkelijk heeft voldaan waardoor zij meent volledig eigenaar te zijn geworden van het paard. [Z] betwist dat [X] eigenaar is van het paard omdat hij als zodanig staat ingeschreven in het stamboek. Ten slotte voert [Z] aan dat ten onrechte op het paard beslag is gelegd omdat het paard toen reeds eigendom was van de heer [F], aan wie zij het paard op 9 juli 2011 heeft verkocht. [Z] verzoekt dan ook dat het beslag wordt opgeheven.

3.4. Primair wordt gevorderd voor recht te verklaren dat [X] feitelijk eigenaar is van het paard en dat het paard om die reden aan hem moet worden overgedragen. [Z] heeft betwist dat [X] eigenaar is van het paard. Ter zake de beweerdelijke (mede-)eigendom van [X] wordt als volgt overwogen. [X] en [Y] kunnen niet in hun betoog worden gevolgd, dat [X] eigenaar is van het paard omdat hij als zodanig staat geregistreerd in het stamboek, nu zulks niet doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag wie eigenaar is van het paard. De eigendom van het paard dient bepaald te worden aan de hand van het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek (BW). [X] en [Y] kunnen evenmin worden gevolgd in hun stelling, dat de betreffende inschrijving in het stamboek een bewijsvermoeden oplevert dat [X] feitelijk eigenaar is van het paard, terwijl deze stelling door [X] en[Y] bovendien op geen enkele wijze is onderbouwd. Op grond van artikel 150 Rv dienen [X] en [Y] hun stelling dat [X] (mede-)eigenaar is van het paard te onderbouwen en, bij een voldoende gemotiveerde betwisting zijdens [Z], te bewijzen. [X] en [Y] stellen weliswaar dat zij samen met de [zussen B en C] ter zake het paard een koopovereenkomst hebben gesloten met de heer [A], doch zulks strookt niet met de door hen ter onderbouwing van die stelling overgelegde producties. Immers, uit de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde verklaring van [A] volgt dat het paard is verkocht aan [Y] en de [zussen B en C], terwijl ten aanzien van [X] slechts staat vermeld dat het paard op zijn naam is gesteld. Ook uit de als productie 4 bij dagvaarding overgelegde verklaring van de [zussen B en C] staat vermeld, dat het paard door de [zussen B en C] en [Y] gezamenlijk is aangekocht voor een bedrag van € 2.400,-, waarbij ieder € 800,- heeft betaald. Eveneens staat in het beslagrekest (productie 8 bij dagvaarding) onder punt 2 vermeld dat [Y] met de [zussen B en C] het paard van [A] heeft gekocht. Uit de overgelegde producties vloeit niet voort dat [X] partij was bij de met [A] gesloten koopovereenkomst ter zake het paard en dat hij derhalve om die reden mede-eigenaar daarvan is geworden. [X] en [Y] stellen weliswaar dat zij gezamenlijk het benodigde kapitaal bijeen hebben gebracht ter voldoening van (hun deel van) de koopsom, doch zij hebben niet aangegeven in welke mate ieder van hen daartoe heeft bijgedragen, terwijl deze stelling ook anderszins iedere onderbouwing ontbeert. Daarbij komt, dat het beweerdelijk financieel bijdragen van [X] in de koopsom - zo al juist - niet zonder meer met zich brengt dat hij (mede-) eigenaar van het paard is geworden, temeer niet, nu gesteld noch gebleken is dat [Y] bij het sluiten van de koopovereenkomst ter zake het paard aan [A] en de [zussen B en C] kenbaar heeft gemaakt dat zij zulks mede namens [X] doet. Mede in het licht van het gemotiveerde verweer van [Z], dat het paard aanvankelijk door [Y] en de [zussen B en C] in gezamenlijke eigendom is verkregen, hebben [X] en [Y] hun stelling dat [X] eigenaar is van paard - gelet op het vorenoverwogene - onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, zodat niet van de juistheid van deze stelling van [X] en [Y] kan worden uitgegaan en derhalve voor bewijsvoering dienaangaande geen plaats is, terwijl overigens ook geen bewijs op dat punt is aangeboden, zodat ook om die reden aan bewijsvoering niet wordt toegekomen. Nu niet is komen vast te staan dat [X] (mede)eigenaar van het paard is geworden, dient de primair gevorderde verklaring voor recht, dat [X] eigenaar is van het paard en het paard om die reden aan hem moet worden overgedragen, te worden afgewezen. Uit het vorenstaande vloeit voort, dat evenmin voor toewijzing in aanmerking komt de gevorderde veroordeling van [Z] tot betaling van een bedrag van € 916,97 aan [X] en [Y]. Immers, van enige gehoudenheid van [Z] tot betaling aan [X] op grond van diens gepretendeerde (mede-)eigendom van het paard is geen sprake, terwijl - zo [Z] al gehouden zou zijn enig bedrag aan [Y] te betalen - door [X] en [Y] niet is gespecificeerd, noch op basis van hun stellingen te achterhalen is, welk deel van het door hen in totaal gevorderde bedrag van € 916,97 aan gezamenlijk gemaakte kosten aan [Y] zou toekomen. Op basis van het vorenoverwogene komt evenmin voor toewijzing in aanmerking het subsidiair gevorderde ter beschikking stellen door [Z] van het gebruiksrecht van het deeleigendom van het paard aan [X].

3.5. Met betrekking tot het subsidiair gevorderde ter beschikking stellen door [Z] van het gebruiksrecht van het deeleigendom van het paard aan [Y], wordt als volgt overwogen. [Z] heeft betwist dat [Y] nog langer mede-eigenaar is van het paard omdat zij mondeling met [Y] heeft afgesproken dat zij vanaf februari 2009 de kosten voor het paard en de stallingskosten zou voldoen, waardoor zij de volle eigendom van het paard zou verwerven, hetgeen volgens haar is geschied aangezien zij deze kosten ook daadwerkelijk heeft voldaan. Nu [X] en [Y] de door [Z] gestelde mondelinge overeenkomst gemotiveerd hebben bestreden en [Z] geen bewijs heeft aangeboden van haar stelling dienaangaande, kan niet van de juistheid van deze stelling worden uitgegaan en wordt aan bewijsvoering van het tegendeel niet toegekomen. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat [Y] en [Z] gezamenlijk mede-eigenaar zijn van het paard. Mede-eigendom is een vorm van gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 e.v. BW. Ingevolge 3:175 BW geldt als uitgangspunt dat ieder over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed (in casu het paard) kan beschikken, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten ([Y] en [Z]) anders voortvloeit. Deze uitzondering op de hoofdregel doet zich in het onderhavige geval voor, aangezien de rechtsverhouding tussen eigenaren van een gezelschapsdier met zich brengt, dat geen van de deelgenoten kan beschikken over haar aandeel in het dier, behoudens met instemming van de ander. Vast staat dat [Y] nimmer aan [Z] toestemming heeft gegeven tot overdracht van het paard aan een derde. De regels van redelijkheid en billijkheid leggen in de onderhavige mede-eigendomsverhouding tussen [Y] en [Z] op [Z] de verplichting rekening te houden met de plaats die het gezelschapsdier in het leven van [Y] inneemt, hetgeen [Z] - nu zij volgens haar eigen stellingen het paard heeft overgedragen aan [F] - heeft nagelaten. Nu [Z] op grond van artikel 3:175 BW niet bevoegd was om over haar aandeel in het paard te beschikken, heeft zij haar aandeel - evenals dat van [Y] - niet rechtsgeldig aan [F] kunnen overdragen. Of [F] ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van [Z] toch mede-eigenaar is geworden van het paard in plaats van [Z] omdat hij zich succesvol op de bescherming kan beroepen die artikel 3:86 BW een verkrijger te goeder trouw biedt, kan in de onderhavige procedure niet beoordeeld worden. [F] is immers geen procespartij in de onderhavige zaak en heeft zich niet ex artikel 217 Rv aan de zijde van [Z] gevoegd. Het vorenstaande brengt met zich dat - totdat [F] zich in rechte beroept op het bepaalde in artikel 3:86 BW en dit beroep wordt gehonoreerd - er vanuit dient te worden gegaan dat [Y] en [Z] gezamenlijk mede-eigenaar zijn van het paard. Deze mede-eigendom blijft bestaan, totdat één van beide deelgenoten verdeling van de gemeenschap vordert ex artikel 3:178 BW. Een dergelijke vordering is in deze procedure niet ingesteld. Anders dan bij dagvaarding aan de gevorderde overdracht en het gebruiksrecht ten grondslag wordt gelegd, kan de vraag welke bevoegdheden een deelgenoot aan haar aandeel ontleent, niet worden beantwoord op basis van artikel 5:2 BW en zij heeft dan ook niet op grond van haar aandeel de bevoegdheid als genoemd in artikel 5:2 BW. De vraag of [Y] het genot van het gemeenschappelijk goed toekomt en zij bevoegd is tot gebruik ervan, moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen is bepaald in artikel 3:168 e.v. BW. Op basis van artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van het gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten is te verenigen. Op die grond komt de gevorderde ter beschikkingstelling door [Z] van het gebruiksrecht van het paard voor 50% aan [Y] op straffe van een dwangsom voor toewijzing in aanmerking, met in achtneming van het navolgende. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 5,- per dag dat [Z] het paard niet voor 50% ter beschikking stelt aan [Y], met een maximum van € 500,- aan te verbeuren dwangsommen. Mede op verzoek van [Y] is beslag gelegd op het paard en is dit paard in gerechtelijke bewaring afgegeven aan de heer [E] te [woonplaats]. Zolang dit beslag niet is opgeheven, dient er vanuit te worden gegaan dat [Y] in ieder geval gedurende die periode in staat is haar gebruiksrecht uit te oefenen, zodat er over die periode geen dwangsommen verbeurd kunnen worden. De toe te wijzen dwangsom kan derhalve slechts worden verbeurd vanaf het moment dat het betreffende beslag, na toewijzing van een daartoe strekkende vordering, is opgeheven en [Z] vanaf dat moment niet aan de onderhavige veroordeling voldoet om het paard voor 50% ter beschikking aan [Y] te stellen. Opheffing van het betreffende beslag - als verzocht door [Z] - kan niet in de onderhavige procedure plaatsvinden, nu de kantonrechter daartoe niet bevoegd is. Een daartoe strekkende vordering dient te worden ingesteld bij de sector civiel van de rechtbank.

3.6. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 178,50 komt niet voor toewijzing in aanmerking. [X] en [Y] hebben immers niet gesteld dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, noch enige omschrijving gegeven van voor hun rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden, terwijl ook uit de overgelegde producties niet voortvloeit dat dergelijke werkzaamheden zijn verricht. Derhalve is niet gebleken dat er in redelijkheid kosten zijn gemaakt die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Mitsdien wordt de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen.

3.7. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [Z] om het gebruiksrecht van het paard voor 50% aan [Y] ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 5,- per dag dat [Z] het paard niet voor 50% ter beschikking stelt aan [Y], met een maximum van € 500,- aan te verbeuren dwangsommen en met inachtneming van hetgeen dienaangaande onder punt 3.5. is overwogen;

bepaalt dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.M. Koch, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2012.