Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW3199

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
696280 cv 11-11146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

School aansprakelijk voor kosten remedial teaching. School heeft niet als redelijk bekwaam en redelijk handelende school gewerkt door gemaakte onderwijsplannen in het kader van een geconstateerde leesachterstand niet uit te voeren en op de uitvoering daarvan niet toe te zien, terwijl niveau van lezen van de leerling in dezelfde periode achteruit is gegaan. Beperking van de kosten door rekening te houden met resterende schooltijd waarin achterstand alsnog ingelopen kan worden, nadat de school in het volgend schooljaar uitvoering is gaan geven aan gemaakte (nieuwe) plannen.

Wetsverwijzingen
Wet op het primair onderwijs
Wet op het primair onderwijs 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/120

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Tilburg

zaak/rolnr.: 696280 CV EXPL 11 - 11146

vonnis d.d. 11 april 2012

inzake

[X],

wonende te Tilburg,

procederende in persoon,

tegen

de stichting Stichting Opmaat,

gevestigd te Tilburg aan het Reitseplein 3,

gedaagde,

en

[Y],

wonende te Tilburg aan de Oosterzeestraat 19,

gedaagde,

met voor beide gedaagden als gemachtigde mr. S.G. van der Galiën, advocaat te Woerden.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het tussenvonnis van 18 januari 2012 met de daarin genoemde stukken waarin een comparitie is bepaald;

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 9 maart 2012.

1.2 De bij voormeld tussenvonnis bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012. Eiser (verder te noemen [X]) is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Gedaagde [Y] (hierna: [Y]) is in persoon verschenen en als vertegenwoordiger van de Stichting Opmaat (verder te noemen Opmaat). [Y] en Opmaat zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Partijen hebben nadere inlichtingen verstrekt en hun standpunten toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld om op elkaar te reageren. Tot een regeling in der minne is het niet gekomen, waarna vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [X] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van de [Y] en Opmaat tot betaling van een bedrag van € 1.937,97, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling en veroordeling van [Y] en Opmaat in de proceskosten.

2.2 [Y] en Opmaat voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van [X] in de kosten van de procedure.

3. De beoordeling

3.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

a) [Y] is directeur van Opmaat, een organisatie van openbaar onderwijs in Midden-Brabant bestaande uit 15 openbare basisscholen, waaronder OBS Panta Rhei te Tilburg;

b) [X] is de vader (en wettelijk vertegenwoordiger) van [Z] [X], die in de groepen 3, 4 en 5 (schooljaren 2008/2009, 2009/2010 en 2010/2011) onderwijs heeft gevolgd op OBS Panta Rhei. Daarvoor heeft [Z] in de groepen 1 en 2 en de eerste 6 weken van groep 3, op een andere school onderwijs gevolgd. Vanaf augustus 2011 volgt [Z] onderwijs op een andere school die niet onder Opmaat valt;

c) Aan het einde van groep 3 heeft [Z] een cito D-score voor de leeskaart 3 behaald. OBS Panta Rhei heeft geen reden gezien om [Z] te laten doubleren wegens uitval op één vakgebied;

d) In groep 4 (2009/2010) heeft [Z] een nieuwe leerkracht gekregen, mevrouw [A], met ondersteuning van mevrouw [B] als intern begeleidster;

e) Op 4 november 2009 hebben mevrouw [A] en mevrouw [B] het groepsplan voor technisch lezen in groep 4 gemaakt met daarin twee extra leesmomenten voor de zwakke lezers in de groep;

f) Op 25 november 2009 is dit groepsplan lezen aan de ouders van [Z] toegelicht, waarbij is medegedeeld dat dit plan de ruimte biedt voor extra instructie, omdat in groepjes gewerkt wordt;

g) Op 8 december 2009 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden over de vorderingen van [Z], waarbij aanwezig waren de moeder van [Z], de leerkracht, de intern begeleidster en de directeur van de school;

h) In januari 2010 is bij een rapportbespreking aan de ouders van [Z] verteld dat zijn leesniveau achteruit gegaan was en wel van AVI 3 naar AVI 1;

i) De ouders van [Z] hebben vervolgens zelf extern onderzoek laten doen door mevrouw [C], remedial teacher;

j) In april 2010 heeft mevrouw [B] aan de ouders van [Z] verklaard dat de plannen niet voldoende zijn uitgevoerd, maar dat er wel gewerkt is aan lezen;

k) In mei 2010 heeft mevrouw [C] [Z] onderzocht en haar bevindingen op papier gesteld. In haar rapport is onder meer te lezen:

“(…)

Wat is het niveau van woorden lezen?

[Z] haalt op de DMT een dle van 14, 9 en 7 maanden. Hij heeft een achterstand van 4,9 en 11 maanden.

(…)

Eindconclusie en advies:

[Z] heeft een niveau van 13 maanden voor het spellen van woorden en een niveau van 14 (mkm-woorden), 9 (mmkm-woorden) en 7 (tweelettergrepige woorden) maanden. Teksten op eind groep 3 niveau beheerst hij en op midden groep 4 niveau beheerst hij op 13 seconden na. Teksten op eind groep 4 niveau zijn frustrerend voor [Z];

(…)

Advies school:

[Z] heeft op dit moment een ernstig leesprobleem en een fors spellingprobleem. Daarnaast gaat het schrijven van [Z] niet goed. Het is belangrijk dat er de komende tijd extra en adequate hulp wordt geboden aan [Z] (…)

en ten slotte:

Voor [Z] is het belangrijk dat school en ouders op één lijn gaan zitten, samen een plan maken om de leesontwikkeling te bevorderen. [Z] voelt de spanning die er nu is. [Z] is in groep 3 van school gewisseld. Het is belangrijk dat hij kan aarden op een school, zich veilig voelt en gesteund voelt door zowel de ouders als de school.

Voorlopig is het niet verstandig dat [Z] na school remedial teaching krijgt. Het is te veel voor hem. Hij heeft echter wel dringend hulp nodig.

(…).”

l) Op 3 juni 2010 hebben de ouders van [Z] dit rapport in het bijzijn van mevrouw [C] met mevrouw [A] (de leerkracht) en mevrouw [B] (de intern begeleidster) besproken, waarbij een aantal concrete afspraken is gemaakt over de aanpak van de leesachterstand;

m) Op 20 juni 2010 heeft [Y] in zijn hoedanigheid van directeur van Opmaat in reactie op een door [X] ingediende klacht onder meer het volgende aan de ouders van [Z] geschreven:

“Betreft uw klacht begeleiding van uw zoon [Z]

(…)

Het bestuur deelt met u de mening:

- dat er niet voldoende opbrengsten te constateren zijn bij [Z] bij het voortgezet leesproces

- dat [A] (= leerkracht, toevoeging kantonrechter) nalatig is geweest bij het uitvoeren van de handelingsplannen

- dat de ingezette begeleidingstrajecten van [A] niet tot de gewenste resultaten hebben geleid.

(…)

Het bestuur geeft naar aanleiding van dit onderzoek de directie van de school de opdracht om binnen vier weken met een plan van aanpak te komen om dit soort situaties voor de toekomst te kunnen voorkomen.

In dit plan van aanpak staat

- welke leerkracht volgend schooljaar de groep 5 gaat doen en met welk plan van aanpak in het kader van de zorg voor het taal en lezen.

(…)

- hoe de directie [Z] tegemoet kan komen in het bevorderen van de leeropbrengsten.

- om het mogelijke dyslexie onderzoek te vergoeden.

(…)”

n) In juni 2010 (eind groep 4) wordt door de ouders van [Z] bij mevrouw [C] externe remedial teaching geregeld. De remedial teaching is na de zomervakantie in groep 5 (schooljaar 2010-2011) voortgezet;

o) Na de kritiek van de ouders van [Z] is gestart met extra inzet van de interne begeleidster;

p) Bij schrijven van 13 juli 2010 heeft de directeur van OBS Panta Rhei aan de ouders van [Z] en zijn klasgenoten het volgende geschreven:

“Beste ouders,

Op 15 juni is er voor de groep van uw kind een bijeenkomst belegd omdat ik u op de hoogte wilde brengen van het feit dat in het begin van het schooljaar het leesonderwijs in deze groep niet adequaat is opgestart. Hierop zijn door [B] (intern begeleidster, toevoeging kantonrechter) en [A] acties gezet. Deze hebben niet voor alle zwakke lezers het gewenste resultaat gehad.

(…)

Bijgaand vindt u de groepsplannen van lezen en spelling. (voor groep 5, toevoeging kantonrechter)

(…)”

q) Eind groep 5 is [Z] van OBS Panta Rhei naar een andere school gegaan;

r) De leesachterstand bij [Z] is thans grotendeels weggewerkt.

3.2 [X] heeft aan zijn vordering jegens Opmaat en [Y] ten grondslag gelegd dat OBS Panta Rhei, vallende onder de verantwoordelijkheid van Opmaat, nalatig is geweest met het opstellen en uitvoeren van hulpplannen voor leerlingen met een achterstand, zoals [Z]. Volgens artikel 8 van de Wet op het Primair Onderwijs is de school gehouden hulpplannen uit te voeren. Doordat OBS Panta Rhei haar verantwoordelijkheid niet heeft genomen, zoals ook blijkt uit de erkenning door het bestuur, is externe remedial teaching noodzakelijk geworden. De daarmee gemoeide kosten dienen als schade voor rekening van Opmaat en [Y] te komen, aldus steeds [X].

3.3. Opmaat betwist dat OBS Panta Rhei niet aan de op haar rustende verplichting om een zo goed mogelijke kwaliteit van onderwijs te leveren heeft voldaan. Zij stelt daartoe dat alle in het schoolprogramma aangeboden lesstof is aangeboden en voorts dat op alle mogelijke manieren is ingezet op toezicht en kwaliteitsverbetering van het onderwijs aan [Z]. Er is veelvuldig contact geweest met de ouders. Naar aanleiding van de naar voren gebrachte klachten is in overleg met de door de ouders ingeschakelde remedial teacher een traject opgesteld dat er toe zou moeten leiden dat de achterstand op het gebied van lezen en schrijven weggewerkt zou kunnen worden. Verder is aangeboden de kosten van een dyslexie-onderzoek te vergoeden teneinde een zo compleet mogelijk beeld van de situatie van [Z] te krijgen en maatwerk te kunnen leveren. Opmaat betwist voorts het causaal verband en de omvang van de schade, stellende dat er een andere oorzaak voor de leerachterstand op het gebied van taal en lezen is. Mogelijk heeft ook de veelvuldige absentie en/of het veelvuldig te laat komen waardoor leeslessen zijn gemist een rol gespeeld, in ieder geval is daardoor het ingezette traject verstoord. Opmaat stelt voorts dat externe hulp niet nodig was, maar dat de achterstand door het uitvoeren van de opgestelde hulpplannen in de resterende schooltijd (groepen 5, 6, 7 en 8) weggewerkt had kunnen worden.

3.4 [Y] stelt dat de vordering jegens hem afgewezen dient te worden, aangezien hij uitsluitend namens het bevoegd gezag heeft gehandeld en niet op persoonlijke titel en dat hem verder in privé geen enkel verwijt gemaakt wordt.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

3.5 Het had op de weg van [X] gelegen concreet aan te geven wat [Y] als privé persoon wordt verweten, althans op welke grondslag hij in rechte is betrokken. Dat is in het geheel niet gebeurd. Uit de stellingen van [X] volgt dat hij grote bezwaren heeft tegen de gang van zaken in groep 4 van OBS Panta Rhei toen zijn zoon [Z] in die groep zat, maar dat is onvoldoende om de voorzitter van het bestuur van de stichting waar OBS Panta Rhei onder valt persoonlijk aansprakelijk te houden. Nu verder door [X] geen grondslag gesteld is en [Y] geen concrete verwijten gemaakt worden, moet de vordering jegens [Y] afgewezen worden.

3.6 [Z] heeft onderwijs genoten bij OBS Panta Rhei. OBS Panta Rhei valt onder het bevoegd gezag van Opmaat. De vordering van [X] jegens Opmaat kan derhalve in beginsel worden toegewezen indien komt vast te staan dat OBS Panta Rhei als school tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen. Deze verplichtingen vloeien enerzijds voort uit de door de overheid opgelegde kwaliteitseisen en anderzijds uit de rechtsverhouding tussen OBS Panta Rhei en [Z] en zijn ouders, op grond waarvan ook een specifieke zorgplicht jegens [Z] en zijn ouders moet worden aangenomen. Van schending van deze zorgplicht zal sprake zijn indien OBS Panta Rhei ten aanzien van [Z] niet gehandeld heeft zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelende school mag worden verwacht, welk criterium eerder ook door het gerechtshof Arnhem is gebezigd (LJN AY9107). Van een redelijk bekwaam en redelijk handelende school mag niet alleen worden verwacht dat deze zich voldoende inspant voor het behalen van goede onderwijsresultaten, maar ook dat – meer specifiek – voldoende maatregelen worden getroffen indien de schoolprestaties van een leerling achterblijven. Deze verplichting gaat verder dan het enkele signaleren van een achterstand, maar vraagt ook dat de school daarbij aangeeft welke mogelijkheden en onmogelijkheden de school heeft om de achterstand weg te werken, zodat op basis daarvan bekeken kan worden of, en zo ja, welke ondersteuning verder nodig is en hoe die ondersteuning dan georganiseerd dient te worden.

3.7 Deze op de school rustende verplichting dient ter bescherming van zowel de leerlingen als hun ouders, zodat ouders niet alleen in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger maar ook op eigen naam tegen een school kunnen optreden. Het feit dat [X] in dezen op eigen naam procedeert en schadevergoeding vordert behoeft daarom aan toewijzing van de vordering niet in de weg te staan.

3.8 Uit de stukken volgt dat tussen de ouders van [Z] en OBS Panta Rhei aan het einde van groep 3 overleg heeft plaatsgevonden over de overgang van [Z] naar groep 4. De ouders twijfelden daarover en hadden een voorkeur voor het laten doubleren van [Z]. Het besluit van OBS Panta Rhei om [Z] over te laten gaan naar groep 4 is door OBS Panta Rhei afdoende gemotiveerd en onderbouwd en staat als zodanig in deze procedure ook niet ter discussie. De relevantie ligt in het feit dat OBS Panta Rhei op dat moment al wel nadrukkelijk bekend was met de achterblijvende schoolprestaties van [Z] op het gebied van lezen en schrijven en de zorgen van de ouders daarover. In de conclusie van antwoord wordt deze situatie door Opmaat gekwalificeerd als “uitval op 1 vakgebied”.

3.9 Gelet op de bekendheid van OBS Panta Rhei met de achterblijvende prestaties van [Z] op het gebied van lezen en schrijven rustte op OBS Panta Rhei de verplichting plannen te maken om te proberen de achterstand daarmee – voor zover mogelijk – in te lopen en deze maatregelen ook voor te stellen en uit te voeren. Uiteraard kon OBS Panta Rhei geen bepaald niveau garanderen, maar wel mocht verwacht worden dat maatregelen werden getroffen die in hun algemeenheid in zich hebben dat de achterstand mogelijk kon worden ingelopen. OBS Panta Rhei heeft hieraan in zoverre invulling gegeven dat een groepsplan voor technisch lezen is opgesteld dat onder andere ook voorzag in twee extra leesmomenten voor zwakke lezers, zoals [Z].

3.10 Een redelijk bekwaam en redelijk zorgvuldig handelende school behoort vervolgens uitvoering te geven aan de opgestelde plannen, in het bijzonder waar het gaat om plannen die juist zijn opgesteld om de eerder gesignaleerde achterstanden weg te werken. De vaststelling van het bestuur van Opmaat achteraf dat de desbetreffende leerkracht in groep 4 nalatig is geweest bij het uitvoeren van de handelingsplannen waardoor mogelijk een leerachterstand is ontstaan, wijst op een ernstige tekortkoming in de nakoming van de op OBS Panta Rhei rustende zorgverplichting. Daar waar ouders de school de ruimte behoren te geven om de school met haar expertise maatregelen te laten treffen om tot een zo optimaal resultaat te komen, moeten ouders er op kunnen vertrouwen dat opgestelde plannen en maatregelen worden uitgevoerd en dat daarop ook wordt toegezien. Indien plannen naderhand onuitvoerbaar blijken te zijn of onvoldoende effect hebben, ligt het op de weg van de school daarvan eigenhandig melding te maken en vervolgens aan te geven wat wel haalbaar is. Dat is hier allemaal niet gebeurd. Opmaat heeft onbetwist gelaten dat de resultaten van [Z] op het gebied van lezen in groep 4 achteruit zijn gegaan van AVI 3 naar AVI 1. Erkend is dat plannen niet (volledig) zijn uitgevoerd, terwijl ook niet is gebleken van een duidelijke visie van OBS Panta Rhei op dat moment hoe hierin verbetering te brengen. Hoewel van structurele problemen of problemen van [Z] bij andere vakken niet is gebleken, neemt dit niet weg dat [Z] op het punt van het leesonderwijs in groep 4, niet de begeleiding heeft gekregen die wel van OBS Panta Rhei gevraagd kon worden. OBS Panta Rhei heeft daarmee op dit punt niet als een redelijk bekwaam en redelijk zorgvuldig handelende school gehandeld en is daarmee tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen.

3.11 Aan die situatie is een einde gekomen in juni 2010. Toen is opnieuw met de ouders gesproken en zijn afspraken gemaakt hoe met de ontstane achterstand om te gaan, waarbij de ouders ondersteund zijn door de door henzelf ingeschakelde externe remedial teacher, mevrouw [C]. Daarmee heeft OBS Panta Rhei op dat moment de problemen onderkend en zijn vervolgens maatregelen voorgesteld die – in ieder geval toen – ook mevrouw [C] als voldoende adequaat heeft gezien en die bovendien ook aansluiten bij haar daarvoor uitgebrachte onderzoeksverslag. Ook zijn door OBS Panta Rhei in die periode al de groepsplannen voor lezen en spelling voor het volgende schooljaar opgesteld en gepresenteerd, zoals van een redelijk bekwaam en redelijk zorgvuldig handelende school mag worden verwacht.

3.12 De door de ouders van [Z] ingeschakelde remedial teacher mevrouw [C] heeft bij hen kosten in rekening gebracht voor zowel onderzoek als externe begeleiding van [Z] in de groepen 4 en 5. Inschakeling van mevrouw [C] als remedial teacher heeft plaatsgevonden, nadat werd vastgesteld dat de leesresultaten van [Z] achteruit waren gegaan. Dat ouders bij achteruitlopende schoolresultaten deskundige hulp zoeken en onderzoek laten instellen naar de situatie is begrijpelijk. De beslissing van de ouders om uiteindelijk ook te kiezen voor externe begeleiding van [Z] is eveneens te billijken. De daarmee gemoeide kosten kunnen in beginsel als schade als gevolg van een leerachterstand gekwalificeerd worden.

3.13 De stelling van OBS Panta Rhei dat de leerachterstand het gevolg is van het feit dat [Z] met enige regelmaat te laat op school kwam of het gevolg is van uitval wegens ziekte, waarmee zij feitelijk het causaal verband tussen haar handelen en de schade betwist, leidt niet tot een ander oordeel. De tekortkoming van de school wordt in ieder geval niet opgeheven door het te laat komen of uitval ten gevolge van ziekte. Verder heeft de directrice van OBS Panta Rhei zelf geschreven dat het beleid ten aanzien van zwakke lezers niet goed is geweest en dat zij onvoldoende baat hebben gehad bij het leesonderwijs. Nu zich bij klasgenoten van [Z] die ook als zwakke lezers bestempeld moeten worden, kennelijk vergelijkbare problemen hebben voorgedaan moet de leerachterstand als eerste worden toegeschreven aan het niet voldoen aan de zorgverplichting door OBS Panta Rhei en niet aan de genoemde meer persoonlijke omstandigheden. In het licht hiervan heeft Opmaat de stelling dat het causaal verband ontbreekt tussen de schade in de vorm van een leerachterstand en de kosten die gemoeid zijn met het opheffen daarvan en het handelen van de school, onvoldoende onderbouwd.

3.14 Ook de stelling van Opmaat dat de gemaakte kosten niet als schade kunnen worden gezien, omdat met uitvoering van de naderhand opgestelde plannen de leerachterstand ook had kunnen verdwijnen wordt verworpen. Daarmee wordt immers miskend dat het juist de inschakeling van de externe remedial teacher is geweest die de omvang van de problematiek aan het licht heeft gebracht en waardoor vervolgens adequate plannen zijn opgesteld, terwijl OBS Panta Rhei daar in een eerder stadium zelf voor had moeten zorgen, maar in gebreke was gebleven. De daarmee gemoeide kosten hebben dus niet alleen van doen met het kunnen inlopen van een leerachterstand in de toekomst, maar zijn allereerst gemaakt om de omvang van de problematiek in kaart te brengen. In zoverre kunnen de onderzoekskosten en kosten van de gesprekken met de school daarover zondermeer als schade gekwalificeerd worden.

3.15 Naar het oordeel van de kantonrechter geldt dat ook de in groep 4 gemaakte kosten van externe begeleiding. Deze beslissing om externe begeleiding in te schakelen, die na het onderzoek door mevrouw [C] is genomen, kan immers niet los gezien worden van de erkenning door de directeur van OBS Panta Rhei, aan het einde van het schooljaar, dat het leesonderwijs in groep 4 niet goed is opgestart. Verder kan deze beslissing niet los gezien worden van de erkenning van Opmaat dat de door OBS Panta Rhei opgestelde plannen niet, althans niet volledig, zijn uitgevoerd. Onder die omstandigheden kon van de ouders niet langer gevraagd worden de werking van toekomstplannen af te wachten, maar is het gerechtvaardigd dat zij de tekortkoming van de school hebben gecompenseerd door [Z] te voorzien van externe remedial teaching. De daarmee gemoeide kosten zijn als schade toe te rekenen aan het handelen van de school.

3.16 Echter gelet op het feit dat op dat moment wel door de ouders samen met school nieuwe afspraken zijn gemaakt over de periode daarna (voornamelijk voor groep 5), oordeelt de kantonrechter anders over de periode vanaf groep 5. In groep 5 is wel sprake van een redelijk bekwame en redelijk handelende school en kan niet langer van een tekortkoming gesproken worden. De kantonrechter ziet de in groep 5 voor remedial teaching gemaakte kosten, niet zozeer als het gevolg van het (eerdere) tekortschieten van OBS Panta Rhei, maar als voortvloeiend uit een – niet langer noodzakelijke – keuze van de ouders. Zij hadden ook het effect van de specifiek gemaakte en met hen besproken plannen kunnen afwachten. Daardoor ontbreekt voor deze kosten het vereiste causaal verband, althans kunnen die kosten niet langer aan het handelen van de school worden toegerekend. Het oordeel van de kantonrechter dat de inzet van externe remedial teaching in groep 5 verder niet langer noodzakelijk was, is gestoeld op het gegeven dat er in dit geval veel schooltijd over is gebleven waarin de ontstane leesachterstand ingelopen had kunnen worden. In een eerdere zaak (LJN AN6249, Schaapman) waarbij wel de volledige kosten zijn toegewezen lag dat wezenlijk anders. In die zaak had de school nog slechts enkele maanden in groep 8 en in die zaak was de school bovendien gedurende een periode van jaren, niet bereid of in staat iets aan de onderwijsachterstand te doen. Dat is hier anders, zoals blijkt uit de overwegingen waarin wordt aangegeven op welke wijze OBS Panta Rhei haar verplichtingen aan het einde van groep 4 alsnog is nagekomen.

3.17 Uit de overgelegde facturen leidt de kantonrechter af dat door de ouders in de eerste helft 2010 (laatste maanden groep 4) een bedrag van € 422,24 aan de remedial teacher is betaald, hetgeen voor toewijzing in aanmerking komt. De wettelijke rente daarover zal worden toegewezen met ingang van de dag van de dagvaarding, zoals gevorderd.

3.18 Opmaat zal als de partij die in het ongelijk wordt gesteld worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze worden vastgesteld op € 303,81 te specificeren als volgt: kosten dagvaarding € 101,81 en griffierecht € 202,--. [X] heeft in persoon geprocedeerd zodat geen salaris gemachtigde wordt bepaald. De kosten in de procedure tegen [Y] komen voor rekening van [X], doch deze kosten worden bepaald op nihil, omdat [Y] geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, althans niet is gebleken van eigen kosten.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering tegen [Y] af en veroordeelt [X] in de kosten van [Y] die vastgesteld worden op nihil;

veroordeelt Opmaat tot betaling van € 422,24 aan [X] te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Opmaat in de kosten van dit geding, aan de zijde van [X] gevallen, die worden vastgesteld op € 303,81;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter te Tilburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 april 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.