Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW3194

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
683867 cv 11-8553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

:228 BW. Drie maanden nadat werknemer en werkgever nieuwe beloningsvoorwaarden zijn overeengekomen stuurt werkgever aan op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Kantonrechter honoreert vernietiging van deze nieuwe overeenkomst wegens dwaling door werknemer. Vordering tot loonbetaling naar de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst toegewezen. 7:614 BW. Geen sprake van verjaring. Evenmin sprake van rechtsverwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team kanton Tilburg

zaak/rolnr.: 683867 CV EXPL 11-8553

vonnis van 28 maart 2012

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. D.M.C. Kooijman, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap

Akkermans & Partners Pensioen Netwerken B.V.,

gedaagde,

gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg,

gemachtigde: mr. H.M.J. van den Hurk, advocaat te Tilburg.

1. Het verloop van de procedure

De procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis van 7 december 2011 met alle daarin vermelde stukken;

b. de akte houdende wijziging van eis, met producties;

c. de aantekeningen van de griffier van het verhandelde ter zitting van 13 januari 2012;

d. de antwoordakte, met producties.

2. Het geschil

2.1 De wijziging van eis in aanmerking genomen, vordert eiser (hierna: [eiser]) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde (hierna: A&PPN) te veroordelen om aan hem te betalen:

a. aan achterstallig loon een bedrag van € 19.580,75 bruto;

b. aan bonus primair een bedrag van € 15.000,-, subsidiair € 8.000,- en meer subsidiair € 3.225,-;

c. wegens (ten onrechte met het loon verrekende) schade aan een leaseauto een bedrag van € 405,- netto;

d. de wettelijke verhoging over voormelde bedragen, respectievelijk bedragende € 9.790,37 over a; € 7.500,-, althans

€ 3.500,- over b en € 202,50 netto over c;

e. de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening over alle hierboven vermelde bedragen;

f. wegens buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 375,-;

g. de kosten van deze procedure.

2.2 A&PPN voert verweer. Zij concludeert tot niet ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van hem in de proceskosten.

2.3 In het tussenvonnis van 7 december 2011 is een comparitie gelast. Vervolgens is het geschil behandeld ter zitting van 13 januari 2012. Bij die gelegenheid was [eiser] in persoon aanwezig. Namens A&PPN was aanwezig de heer [Y]. Partijen werden bijgestaan door hun gemachtigden, die beiden pleitaantekeningen hebben overgelegd. Tussen partijen is geen minnelijke regeling tot stand gekomen, zodat vonnis werd bepaald.

3. De beoordeling

3.1 Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende feiten van belang:

- A&PPN houdt zich bezig met advisering van klanten op het gebied van pensioenen en

pensioenregelingen en biedt door middel van verschillende netwerkconcepten ondersteuning en begeleiding aan aangesloten ondernemingen.

- [eiser] is op 1 maart 2008 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van A&PPN in de functie van commercieel directeur.

- In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald:

“Het salaris bedraagt € 11.959,90 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, vermeerderd met een bonus die in het 1e dienstjaar € 20.000 bedraagt. Na het 1e dienstjaar zal de bonus afhankelijk zijn van het behalen van de vastgestelde targets”.

- Naar aanleiding van de financiële resultaten van A&PPN is op 10 februari 2010 tussen [eiser] en diens leidinggevende [X] gesproken over aanpassing van de beloning van [eiser]. Per e-mail van 9 februari 2010 aan [X] heeft [eiser] daartoe een voorstel gedaan.

- Bij brief van 27 april 2010 aan [eiser] bevestigde [X] de gemaakte afspraken. Daarin schreef [X] onder meer:

“Dag Eric,

De afgelopen maanden hebben wij veel gesproken over Intermediair Pensioen Netwerken, de achterblijvende ontwikkelingen daarvan en jouw rol/taak c.q. positie daarin.

Wij hebben geconstateerd dat er een grote mate van levensvatbaarheid is, dat uitbouw serieus mogelijk is en dat de noodzaak voor pensioenintermediairs om toe te treden tot ons netwerk steeds meer toeneemt.

Echter de (financiële) resultaten van de afgelopen jaren zijn niet rooskleurig geweest.

In goed onderling overleg is besloten een deel van jouw vaste inkomen terug te brengen en te vervangen door een variabele beloning.

Met ingang van 1 april 2010 bedraagt jouw vaste jaarsalaris € 107.995,-- bruto, inclusief vakantiegeld.

(..)

Variabele beloning

Netwerken

per nieuw € 2.700,- betalend lid ontvang jij een beloning van € 200,- bruto;

per nieuw € 3.900,- betalend lid ontvang jij een beloning van € 600,- bruto;

(..)

Per nieuw IPS-lid (jaarabonnement € 1.200,--) ontvang jij € 200,00 bruto;

(..)

De variabele beloningen zullen een totaalbeloning (incl. salaris en vakantiegeld) van

€ 175.000,- bruto niet te boven gaan.

(..)

Pensioenopbouw

Afgesproken is dat de pensioenopbouw op het huidige niveau blijft, mits fiscaal en civiel mogelijk. (..).

Relatie- en concurrentiebeding

Wij hebben ook overleg gehad over het in jouw arbeidsovereenkomst opgenomen relatie- en concurrentiebeding. Jij hebt verzocht om matiging hiervan.

Op grond van jouw verzoek is besloten om de (..) periode terug te brengen tot één jaar voor intermediaire netwerkleden, (..).

De tweede alinea van artikel 8 komt te vervallen.

Eric, ik denk dat deze aanvullende afspraken een goede voedingsbodem zijn voor een verdere, zich positief ontwikkelende toekomst.”

- Bovenstaande brief werd op 28 april 2010 door [eiser] voor akkoord ondertekend.

- Bij brief van 2 juli 2010 heeft (de gemachtigde van) A&PPN aan [eiser] een voorstel gedaan tot beëindiging van het dienstverband omdat het functioneren van [eiser] volgens A&PPN “niet aansluit en voldoet bij hetgeen zij van u vraagt en verwacht en ook niet voldoet aan de eisen en verwachtingen behorend bij een juiste uitoefening van uw functie.”

- (De gemachtigde van) [eiser] heeft in reactie daarop op 22 juli 2010 de nietigheid van de salarisaanpassing wegens bedrog, althans dwaling, althans misbruik van omstandigheden ingeroepen en heeft aanspraak gemaakt op betaling van het volledige salaris en overige emolumenten van vóór 1 april 2010.

- Op 26 juli 2010 heeft A&PPN bij de kantonrechter te Nijmegen een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend wegens gestelde ongeschiktheid voor de functie en wegens een verstoorde arbeidsrelatie.

- Bij beschikking van 29 september 2010 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 oktober 2010. De kantonrechter overwoog onder meer:

“4.3 Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat Pensioen Netwerken BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] disfunctioneert en dat het [eiser] aan te rekenen is dat de financiële resultaten van Pensioen Netwerken BV achterblijven. Het ontbindings-verzoek is dan ook niet toewijsbaar op grond van gewijzigde omstandigheden die bestaan in een disfunctioneren van [eiser].”

En verder:

“4.9 De slotsom is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden dient te worden op grond van gewijzigde omstandigheden bestaande in de slechte financiële positie van Pensioen Netwerken BV, zonder toekennen van een vergoeding aan [eiser] omdat de financiële positie van Pensioen Netwerken BV daartoe geen enkele ruimte biedt.”

- A&PPN heeft bij de eindafrekening een bedrag van € 405,- op het nettoloon ingehouden in verband met schade aan de door [eiser] ingeleverde leaseauto.

3.2 In deze procedure vordert [eiser] in hoofdzaak over de periode vanaf 1 april 2010 tot 1 oktober 2010 betaling van het resterende deel van het loon c.a. zoals partijen dat bij de aanvang van het dienstverband zijn overeengekomen, stellende, kort gezegd, dat A&PPN hem heeft bewogen om akkoord te gaan met salarisvermindering door opzettelijk mede te delen dat er zeker tot medio 2012 gewerkt zou worden aan een uitbouw van de onderneming, terwijl zij opzettelijk heeft verzwegen dat sprake was van substantiële kritiek op zijn functioneren, in die zin dat hij er rekening mee diende te houden dat het dienstverband voortijdig zou worden beëindigd. Althans heeft A&PPN door uitlatingen dan wel verzwijgen en door hem onder druk te zetten, bevorderd dat [eiser] met het voorstel tot salaris-vermindering instemde. Althans heeft hij gedwaald toen hij daarmee akkoord ging op grond van verstrekte dan wel verzwegen informatie van A&PPN, welke dwaling voor rekening dient te komen van A&PPN.

3.3 Ingaand op de stellingen van [eiser] en het verweer van A&PPN overweegt de kantonrechter het volgende.

3.4 De meest verstrekkende verweren van A&PPN betreffen haar beroep op rechtsverwerking en verjaring. Deze vinden echter geen steun in het recht. Van verjaring van de vorderingen van [eiser] is gelet op artikel 7:614 BW geen sprake, terwijl enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is immers vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Daarvan is in dit geval geen sprake. [eiser] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 22 juli 2010 de vernietigbaarheid van de gewijzigde salarisafspraken ingeroepen. Dat hij ruim een jaar wacht om zijn aanspraken geldend te maken is niet een bijzondere omstandigheid op basis waarvan A&PPN er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat [eiser] niet meer op zijn stellingname in die brief zou terugkomen. Evenmin kan worden gezegd dat door dit tijdsverloop de positie van A&PPN onredelijk is benadeeld of verzwaard. [eiser] kan dan ook in zijn vorderingen worden ontvangen.

3.5 Ten aanzien van [eiser]s beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomst van 28 april 2010 op grond van bedrog, dwaling of misbruik van omstandigheden wordt het volgende overwogen.

3.6 Ingevolge artikel 6:228 BW is een overeenkomst vernietigbaar wanneer die onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. De dwaling dient in zo’n geval te wijten te zijn aan hetzij een inlichting van A&PPN, hetzij aan een zwijgen van A&PPN waar zij had behoren te spreken, een en ander zoals bedoeld in artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder a en b BW.

3.7 A&PPN heeft aangevoerd dat er geen sprake was van een wilsgebrek aan de zijde van [eiser]. [eiser] was immers in zijn functie van commercieel directeur altijd volledig op de hoogte van alle feiten en cijfers aangaande de financiële zaken van de onderneming. Sinds eind 2009/ begin 2010 is met hem intensief en vaak gesproken over het feit dat als gevolg van de wijze waarop [eiser] zijn functie uitoefende, de ontwikkelingen binnen Intermediair Pensioen Netwerken, het specifieke aandachtsgebied van [eiser], zorgwekkend achterbleven. Beiden waren het er echter over eens dat Intermediair Pensioen Netwerken levensvatbaar was en dat uitbouw daarvan mogelijk moest zijn. In dat kader zijn, na onderhandelingen waarin [eiser] onder meer bedong dat zijn pensioenopbouw op basis van het oude loon gehandhaafd bleef en het relatie- en concurrentiebeding werd beperkt, de nieuwe beloningsafspraken gemaakt. Daardoor zou [eiser] in potentie zelfs meer kunnen gaan verdienen, aldus A&PPN. Aan hem is echter nimmer toegezegd dat A&PPN het dienstverband nooit voor 2012 zou verbreken, aldus A&PPN, die op die gronden van mening is dat [eiser] niet kan hebben gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst tot herziening van zijn beloning.

[eiser], zo vervolgt A&PPN, had zich wel moeten realiseren dat hij zich ten volle moest inzetten. A&PPN heeft echter moeten constateren dat het functioneren van [eiser] niet aansloot en voldeed bij hetgeen zij van hem verwachtte en ook niet voldeed aan de eisen en verwachtingen behorend bij een juiste uitoefening van zijn functie, waardoor zij uiteindelijk heeft moeten besluiten om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

3.8 De kantonrechter volgt A&PPN niet in dit verweer. [eiser] heeft niet betwist dat hij er van op de hoogte was dat de financiële omstandigheden van A&PPN noopten tot maatregelen. Wel heeft hij weersproken dat zijn functioneren daarvan (mede) oorzaak was en dat dit aan hem kenbaar is gemaakt. De kantonrechter te Nijmegen heeft in haar eerdergenoemde ontbindingsbeschikking van 29 september 2010 reeds geoordeeld dat A&PPN niet aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] disfunctioneerde en het hem viel aan te rekenen dat de financiële resultaten van A&PPN achterbleven. In deze procedure sluit de kantonrechter zich daarbij volledig aan. Verder is het de kantonrechter ook niet gebleken dat [eiser] ten tijde van de gesprekken die hebben geleid tot wijziging van zijn beloning wegens zijn functioneren diende te vrezen voor een beëindiging van zijn dienstverband op korte termijn. Voor zover A&PPN anders heeft betoogd, heeft zij dat niet onderbouwd. Veeleer lijkt het tegendeel te kunnen worden opgemaakt uit onder meer het gespreksverslag van 25 januari 2010 (conclusie van antwoord, productie 1) waarin is opgetekend dat [X] [eiser] graag wilde behouden en uit de brief van [X] van 27 april 2010 waarin hij de nieuwe beloningsvoorwaarden een goede voedingsbodem voor een verdere, zich positief ontwikkelende toekomst achtte.

3.9 Het voorgaande betekent enerzijds niet dat [eiser] mocht verwachten dat hij zeker tot medio 2012 in dienst van A&PPN zou kunnen blijven, zoals hij zonder dit te onderbouwen heeft gesteld. Anderzijds brengt de omstandigheid dat [eiser] in de onderhandelingen over de wijziging van zijn arbeidsovereenkomst via een versoepeling van het relatie- en concurrentiebeding zijn mogelijkheden heeft verruimd om elders emplooi te kunnen vinden, nog niet mee dat daaruit kan worden afgeleid dat [eiser] er zeer wel van op de hoogte was dat zijn dienstverband niet lang zou worden voortgezet, zoals A&PPN heeft betoogd. De inhoud van de overeenkomst van 28 april 2010 bevat ook geen enkele aanwijzing in die richting, laat staan dat [eiser] er op bedacht moest zijn dat A&PPN net iets meer dan twee maanden later, op 2 juli 2010, met een beëindigingsvoorstel zou komen, aansluitend gevolgd door een ontbindingsverzoek. Integendeel lijkt deze overeenkomst te wijzen op een bestendiging van de arbeidsrelatie, te meer gelet op het positieve perspectief van Intermediair Pensioen Netwerken dat in die overeenkomst wordt geschetst en waarvoor [eiser] een deel van zijn (vaste) loon inleverde. Voor de kantonrechter is dan ook voldoende aannemelijk dat [eiser] de overeenkomst niet had ondertekend wanneer hij had geweten dat A&PPN kort nadien aan hem zou voorstellen om de arbeidsovereenkomst wegens onvoldoende functioneren te beëindigen en, toen hij daar niet in meeging, bij de kantonrechter om ontbinding daarvan zou verzoeken. De conclusie moet daarom luiden dat [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken, waarbij A&PPN hem vóór de ondertekening van de overeenkomst van 28 april 2010 zou hebben gemeld dat zij een beëindiging van het dienstverband met [eiser] op korte termijn zou nastreven wanneer zijn functioneren niet snel zou verbeteren, deze overeenkomst niet zou zijn aangegaan en er dus sprake is geweest van dwaling. Aldus heeft [eiser] op goede gronden de vernietigbaarheid van die overeenkomst ingeroepen.

3.10 Gezien het voorgaande behoeft niet te worden geoordeeld over de andere door [eiser] aangevoerde gronden om de overeenkomst te vernietigen.

3.11 De buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst leidt ertoe dat A&PPN het loon verschuldigd is, zoals bij de aanvang van het dienstverband werd overeengekomen. De vordering tot betaling van het niet uitbetaalde deel daarvan ad € 19.580,75 bruto, waarvan A&PPN de hoogte niet heeft betwist, zal dan ook worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de wettelijke verhoging, die tot de gevorderde € 9.790,37 zal worden toegewezen, zij het als nettobedrag. Het tegen deze vordering gevoerde verweer is bij 3.4 hierboven reeds verworpen, waaraan de kantonrechter nog toevoegt dat (de gemachtigde van) [eiser] al bij brief van 22 juli 2010 aanspraak heeft gemaakt op de wettelijke verhoging. Het wettelijk maximum van 50% was al lang bereikt voordat de kantonrechter bij beschikking van 29 september 2010 uitspraak had gedaan in de ontbindingszaak, zodat het daarna door [eiser] ingestelde hoger beroep bij het Gerechtshof te Arnhem geen enkele invloed heeft gehad op de hoogte daarvan.

3.12 De gevorderde bonus zal worden afgewezen aangezien deze vordering een deugdelijke grondslag mist. De primair gevorderde bonus is gebaseerd op de bij aanvang van het dienstverband in 2008 gesloten arbeidsovereenkomst. Daarin is echter vermeld dat de bonus van € 20.000,-, waarvan [eiser] over de periode van 1 januari 2010 tot 1 oktober 2010 het 9/12e deel vordert, enkel in het eerste jaar (2008) werd toegekend. Het subsidiair en meer subsidiair gevorderde bedrag van € 8.000,- respectievelijk € 3.225,- baseert [eiser] op de nieuwe afspraken die hij zelf heeft vernietigd, zodat deze vorderingen op die grond niet toewijsbaar zijn.

3.13 A&PPN heeft op de eindafrekening van het loon c.a. € 405,- ingehouden in verband met schade aan de leaseauto die [eiser] in gebruik had. Ter onderbouwing daarvan heeft zij eerst bij de antwoordakte een tweetal facturen van het leasebedrijf overgelegd. De eerste factuur van 5 oktober 2010 betreft schade aan een portier tot een bedrag van € 135,- die blijkens de factuur op 25 mei 2010 werd opgegeven dan wel geconstateerd. De tweede factuur van

8 oktober 2010 ad € 270,- vermeldt “schade geconstateerd bij inname van het voertuig” op 1 oktober 2010. [eiser] heeft op deze facturen niet meer kunnen reageren en geen (nadere) argumenten meer kunnen inbrengen tegen inhouding door A&PPN van de daarmee gemoeide kosten. Het had op de weg van A&PPN gelegen om in een eerder stadium van de procedure, namelijk bij conclusie van antwoord, deze facturen in het geding te brengen. Dit temeer nu [eiser] bij dagvaarding een kopie van het innamerapport van het leasebedrijf had gevoegd waarin de conditie van de auto en het interieur als “uitstekend’ is beoordeeld en de voorgedrukte opsomming van mogelijke schade is doorgehaald met een diagonaal kruis, onder toevoeging van het woord “Oké”. Dit duidt er op dat de auto bij inlevering geen schade vertoonde. Nu A&PPN in een te laat stadium van de procedure haar verweer heeft onderbouwd, hetgeen de kantonrechter in strijd acht met een goede procesorde, zal de vordering tot betaling van genoemde € 405,- daarom worden toegewezen, evenals de wettelijke verhoging over dat bedrag.

3.14 [eiser] komt geen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toe. A&PPN heeft er terecht op gewezen dat de vordering daartoe niet door middel van stukken is onderbouwd, terwijl [eiser] bovendien het verweer dat de opgevoerde kosten niet voorafgaand aan déze procedure zijn gemaakt, niet gemotiveerd heeft weerlegd.

3.15 De wettelijke rente over het achterstallige loon van in totaal (€ 19.580,75 + € 405,- =) € 19.985,75 is toewijsbaar vanaf 1 oktober 2010. Waar evenwel op die datum de wettelijke verhoging nog niet het thans toe te wijzen bedrag van (€ 9.790,37 + € 202,50 =) € 9.992,87 bedroeg kan A&PPN niet vanaf dat moment wettelijke rente daarover verschuldigd zijn geworden. Deze zal daarom worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

3.16 Gezien de uitkomst van deze procedure zal A&PPN worden veroordeeld in de kosten daarvan. Die proceskosten bedragen in totaal € 1.316,81 en bestaan uit € 90,81voor de dagvaarding, € 426,- wegens het griffierecht en € 800,- voor het salaris van de gemachtigde van [eiser].

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt A&PPN om aan [eiser] te betalen:

- ter zake van achterstallig loon € 19.580,75 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- ter zake van achterstallig loon € 405,- netto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- ter zake van wettelijke verhoging € 9.992,87 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 september 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt A&PPN in de proceskosten van [eiser], tot deze uitspraak begroot op € 1.316,81;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.