Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW2459

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
240519 FA RK 11-4587
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek van de vrouw gebaseerd op artikel 1:253n BW tot bekleding van haar met eenhoofdig gezag. Verzoek toegewezen op de grond dat de man verantwoordelijk is voor een zeer traumatiserende gebeurtenis die de vrouw in de periode na de beëindiging van de relatie is overkomen. Van haar kan niet worden gevraagd nog op enigerlei wijze contact met de man te onderhouden, nu dit onmiskenbaar zijn weerslag op de minderjarige zal hebben. Ook met “uitgekleed gezag” (geen inmenging door de man in de verzorging en opvoeding van de minderjarige) wordt onvoldoende tegemoet gekomen aan de belangen van de vrouw en dientengevolge aan de belangen van de minderjarige. De situatie, waarin wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, is onverkort van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

` Team jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 240519 FA RK 11-4587

Beschikking betreffende het gezag,

in de zaak van

[naam moeder]

wonende te Tilburg,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.J.C.G.J. van der Aa,

en

[naam vader]

verblijvende te Vught,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.W.T. Klappe.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 3 oktober 2011 ingekomen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 17 november 2011 door de advocaat van de vrouw ingediend F9-formulier, met bijlage;

- de op 23 november 2011 en 9 februari 2012 ingekomen faxbrieven, waarvan de eerste brief met bijlage;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 februari 2012.

Ter terechtzitting is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden- en West-Brabant, gevestigd Meerten Verhoffstraat 18, 4811 AS Breda, hierna te noemen de raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe te bepalen dat de vrouw alleen belast zal zijn met het gezag over de hierna te noemen minderjarige.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken het navolgende

vast. Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit die ontbonden relatie is op

22 november 2006 te Tilburg geboren de minderjarige [naam minderjarige]. De minderjarige is erkend door de man. De minderjarige heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige.

3.2 Ter toelichting op het verzoek is door en namens de ter zitting verschenen vrouw

- samengevat - aangevoerd dat na het verbreken van de relatie er geen concrete afspraken zijn gemaakt over de omgang tussen [naam minderjarige] en de man. De man werkte als internationaal vrachtwagenchauffeur, waardoor het niet mogelijk was op vaste tijdstippen contact te laten plaatsvinden. In die periode heeft de man circa twee tot driemaal per maand contact met [naam minderjarige] gehad. Gaandeweg bemerkte de vrouw dat de man steeds agressiever gedrag ging vertonen en dat hij veel dingen in haar leven wilde bepalen, omdat hij de verbroken relatie wilde herstellen. Op 29 mei 2009 heeft de man in gezelschap van haar en van een vriend de vrouw en de vriend met een mes ernstig mishandeld, welke actie de vrouw ternauwernood heeft overleefd. De vrouw is door deze gebeurtenis fysiek en mentaal voor het leven getekend, waarbij komt dat ook [naam minderjarige] de aanval door de man heeft kunnen horen. Gedurende de periode, waarin de vrouw in het ziekenhuis was opgenomen in verband met noodzakelijke operaties en gedurende enige tijd tot aan haar ontslag uit het ziekenhuis heeft [naam minderjarige] bij de vader en de moeder van de vrouw verbleven.

De man is - naar de vrouw heeft begrepen - inmiddels veroordeeld tot 14 jaar detentie. Ofschoon de vrouw niet in staat meer was tot enig contact met de man heeft laatstgenoemde pogingen ondernomen om met de vrouw en met haar moeder in contact te komen, terwijl hem hiertoe een verbod was opgelegd.

[naam minderjarige] heeft sindsdien geen contact meer gehad met de man. Zij is inmiddels van de detentie van de man op de hoogte gebracht. Inmiddels lijkt [naam minderjarige] geaccepteerd te hebben dat zij haar vader - in elk geval de komende twaalf jaar - niet meer zal zien. De vrouw krijgt hulp vanuit de GGZ in het kader van EMDR (traumaverwerking). Daarnaast ontvangt zij RIBW-begeleiding in de thuissituatie.

Gelet op het feit dat de vrouw wegens de opgelopen trauma’s nog steeds onder GGZ-behandeling staat, communicatie tussen haar en de man niet of nauwelijks mogelijk is en er geen enkele garantie is dat de man zich in geval van handhaving van het gezamenlijk gezag op de achtergrond zal houden acht de vrouw het in het belang van [naam minderjarige] dat de juridische situatie met de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht. De situatie in de onderhavige zaak vertoont in die zin raakvlakken met die beschreven in de beschikking van de rechtbank te Breda betreffende omgang van 20 december 2011 (235709 FA RK 11-2495). Daarin is verzoekster (grootmoeder vaderszijde) niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot omgang met een minderjarig kind, waartoe is overwogen dat van de moeder van de minderjarige niet kan worden verlangd dat zij contact onderhoudt met de familie van de vader, nu dit zeer heftige emoties bij haar oproept.

3.3 Namens de ter zitting verschenen man is door zijn advocaat in de eerste plaats

gerefereerd aan artikel 1:247 lid 1 Burgerlijk Wetboek, waarin is opgenomen dat het ouderlijk gezag - waarmee de man mede is belast - de plicht en het recht omvat om zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. In dat licht acht zij relevant dat de man zich de afgelopen jaren niet op enigerlei wijze met de verzorging en de opvoeding van [naam minderjarige] heeft bemoeid. De man accepteert in die zin zijn rol op de achtergrond en hij begrijpt onder de gegeven omstandigheden dat ook slechts van een zogenoemd ‘uitgekleed’ gezag sprake kan zijn. De man is bereid de toezegging gestand te doen dat de vrouw alle beslissingen die nodig zijn in het kader van de verzorging en opvoeding zelfstandig kan nemen en dat hij - waar nodig - daaraan zijn medewerking zal verlenen. Daarvan uitgaande alsook gelet op de gegeven omstandigheden doet zich hier niet een situatie voor, waarin [naam minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen haar ouders. Dit criterium dat op grond van artikel 1:253n tweede lid Burgerlijk Wetboek tot een beslissing houdende beëindiging van het gezamenlijk gezag kan leiden is hier dan ook niet van toepassing. Zo nodig kunnen in de te geven beslissing houdende handhaving van de gezamenlijke gezagsuitoefening waarborgen worden opgenomen dienende tot zekerheid voor de vrouw dat de man zich aan zijn toezegging zal houden. De man wil op deze manier een juridische positie behouden, zodat hij informatie over [naam minderjarige] rechtstreeks van derden die hierover beroepshalve beschikken kan verkrijgen. De man heeft hier belang bij, aangezien hij geen informatie van de vrouw over [naam minderjarige] ontvangt.

Voor het geval de rechtbank niettemin mocht beslissen dat het verzoek van de vrouw wordt toegewezen is namens de man mondeling - subsidiair - verzocht een als zodanig in de beschikking nader uitgewerkte informatieverplichting aan de vrouw op te leggen.

3.4 Reagerend op het namens en door de man gevoerde verweer en diens subsidiaire

verzoek is door de advocaat van de vrouw aangevoerd dat de man een soort vangnet lijkt te willen creëeren, maar dat daarmee geenszins wordt voldaan aan hetgeen de vrouw feitelijk in het belang van [naam minderjarige] aangewezen acht. Een situatie, waarin feitelijk sprake is van ‘uitgekleed gezag’, als door de man nagestreefd, is in de praktijk reeds onwerkbaar gebleken. De informatie- en consultatieverplichting waarin door de wetgever is voorzien kan in deze zaak niet zonder enig voorbehoud aan de orde zijn, nu de aard en ernst daarvan met zich brengt dat de vrouw zoveel mogelijk wordt ontzien c.q. ontlast. Bovendien beschikt de man over de mogelijkheid, indien hem door derden informatie over [naam minderjarige] wordt geweigerd, zich op de voet van het in artikel 1:377c lid 2 Burgerlijk Wetboek bepaalde tot de rechtbank te wenden met een verzoek tot bepaling dat betreffende informatie alsnog aan hem dient te worden verstrekt.

3.5 De vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting opgemerkt dat zij het opvallend vindt dat de informatieverstrekking over de minderjarige aan de man als verweer c.q. tegenargument wordt gebruikt voor het onderhavige verzoek tot wijziging van het gezag. Nu dit aspect geheel los van de gezagskwestie zou moeten staan ligt het in haar optiek veeleer op de weg van de raadslieden om gezamenlijk de mogelijkheden op het gebied van de informatieverstrekking te onderzoeken.

3.6 De rechtbank overweegt op grond van de inhoud van de gedingstukken en het

verhandelde ter zitting als volgt.

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:253n BW. Op grond van lid 1 van dit artikel komt een verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, waarvan in dit geval sprake is, onder meer voor inwilliging in aanmerking indien sedert de aanvang van het gezamenlijk gezag de omstandigheden zijn gewijzigd. In lid 2 van genoemd artikel zijn het eerste en derde lid van artikel 251a Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierin is bepaald dat de rechtbank het gezag aan één ouder kan toekennen indien er een onaanvaard-baar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Niet in geschil is dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.

In het licht daarvan neemt de rechtbank in aanmerking dat de man verantwoordelijk is voor een zeer traumatiserende gebeurtenis die de vrouw in de periode na de beëindiging van de relatie is overkomen. Gebleken is dat dit voorval tot op heden een zodanige impact op het leven van de vrouw en haar wijze van functioneren heeft dat van haar niet kan worden gevraagd nog op enigerlei wijze contact met de man te onderhouden, nu dit onmiskenbaar zijn weerslag op de minderjarige zal hebben. Ook door de constructie van een “uitgekleed gezag” wordt onvoldoende tegemoet gekomen aan de belangen van de vrouw en dientengevolge aan de belangen van de minderjarige. Gelet hierop, acht de rechtbank de situatie, waarin wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, onverkort van toepassing. Met inachtneming hiervan zal het verzoek van de vrouw derhalve worden toegewezen.

Ten aanzien van het namens de man zelfstandig - subsidiair - gedane verzoek wordt overwogen dat op de voet van artikel 1:377b lid 1 Burgerlijk Wetboek een regeling van beperkte omvang zal worden vastgesteld die erin voorziet dat aan de man – via derden - informatie wordt verstrekt. Niet gezegd kan worden dat het belang van de minderjarige zich nu verzet tegen een dergelijke informatieverplichting. Daarnaast beschikt de man over de mogelijkheid van artikel 1:377c Burgerlijk Wetboek om informatie op te vragen bij derden.

3.7 Omdat tussen partijen sprake is van een relatie als bedoeld in de tweede zin van lid 1 van artikel 237 Rechtsvordering zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat over de minderjarige [naam minderjarige], geboren te Tilburg op 22 november 2006, de vrouw alleen met het gezag is belast;

bepaalt dat de vrouw via een derde -bijvoorbeeld via haar advocaat- de man jaarlijks schriftelijk informatie verschaft over de ontwikkeling van de minderjarige, haar schoolresultaten en haar gezondheid;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer dan wel anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Janssen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van Baremans, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: