Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW2076

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
02/810537-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:5944, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Medeplegen van moord op taxichauffeur. Hoewel niet kon worden vastgesteld wie van de verdachten zou hebben geschoten, acht de rechtbank bewezen dat 2 van de 3 verdachten betrokken waren bij het maken van een plan om de taxichauffeur te doden. Zij zijn schuldig bevonden aan het medeplegen van moord. De betrokkenheid daarbij van de 3e verdachte kon onvoldoende worden vastgesteld."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/810537-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Grave,

raadsman mr. Van Gils, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 maart 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

primair: samen met een ander of anderen [slachtoffer] heeft vermoord;

subsidiair: samen met een ander of anderen [slachtoffer] heeft gedood om

goederen weg te nemen;

tweede subsidiair: samen met een ander of anderen [slachtoffer] heeft gedood;

derde subisidiair: samen met een ander of anderen goederen heeft gestolen van [slachtoffer] onder

toepassing van geweld waardoor [slachtoffer] is overleden.

feit 2 samen met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 2] onder toepassing van

geweld geld af te persen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het volgende.

Het aangetroffen slachtoffer is door vuurwapengeweld om het leven gekomen. Uit de sectie op zijn lichaam bleek dat hij zeven inschotletsels had, waarvan er twee doorschoten waren. Twee van de schotverwondingen hebben veel letsel veroorzaakt aan zijn hart, lever en longen. Het intreden van de dood wordt verklaard door algehele weefselschade door functieverlies van vitale organen en bloedverlies. Van de zeven kogels zijn 5 kogels in zijn lichaam aangetroffen. Alle kogels waren op de kop kruislings ingekerfd en zijn zeer waarschijnlijk afgeschoten met één en hetzelfde wapen. Technisch gezien kan de vraag wie er geschoten heeft niet worden beantwoord, nu het wapen niet is gevonden en de DNA sporen op kogels en hulzen negatief waren. Ook de verdachten hebben uiteindelijk ontkend te hebben geschoten.

Gelet op het bloed van het slachtoffer dat aan de rechterzijde van de bestuurderstoel is aangetroffen is de conclusie gerechtvaardigd dat één van de schoten is gevallen toen het slachtoffer nog in de taxi zat. Gelet op het sporenbeeld is het slachtoffer links naast de taxi op het wegdek terecht gekomen en zijn een aantal van de overige schoten in zijn onmiddellijke nabijheid gelost, gelet op het aantreffen van drie hulzen buiten de taxi. Voorts zijn aan de binnenzijde van de linker mouw van het colbert van het slachtoffer ter hoogte van de oksel in een bemonstering naast het DNA hoofdprofiel van het slachtoffer DNA-nevenkenmerken aangetroffen van verdachte [[mededader]] Naar de mening van de officier van justitie geeft het forensisch onderzoek echter geen uitsluitsel over wie de schutter is geweest en zal die vraag moeten worden beantwoord aan de hand van de verklaringen van de verdachten. De enige die daarover een bruikbare verklaring heeft afgelegd is verdachte [mededader 2]. Verdachte [verdachte] zegt niets gezien te hebben. De verklaring van verdachte [mededader] ter zitting kan niet worden gebruikt nu hij deze verklaring pas heeft afgelegd na kennisname van het dossier en zijn verklaring daarop is afgestemd. Om die reden heeft de officier van justitie er van af gezien om [mededader] in deze zaak als getuige te horen.

De vraag is welke verklaringen van [mededader 2] echter geloofwaardig zijn, nu hij nogal wisselend over de gebeurtenissen verklaart.

[mededader 2] heeft verklaringen afgelegd tegenover de Poolse politie, een Litouwse agent die als undercover was ingezet en tegenover de politie in Nederland.

Daaruit valt het volgende af te leiden:

-[mededader] is degene die heeft geschoten (verklaringen in Polen)

-Hij is zelf de schutter en [verdachte] en [mededader] hebben niets gedaan (verklaringen tegenover de Litouwse agent en verklaringen op 13 en 15 januari 2011 in Nederland)

-Hij heeft het eerste schot gelost en het wapen daarna aan [mededader] gegeven die de andere schoten heeft gelost (verklaringen van 16, 17, 20 en 21 januari 2011)

-[mededader] is degene die heeft geschoten (verklaringen van 17 februari, 14 maart en 15 maart 2011)

Van deze varianten is volgens de officier van justitie die waarin [mededader 2] het eerste schot lost en [mededader] de andere schoten de meest geloofwaardige om de volgende redenen.

[mededader 2] heeft wetenschap over het wapen. De details die hij over het wapen heeft verteld, kloppen. Gezien de wetenschap van [mededader 2] over het wapen kan het niet anders zijn dan dat het zijn wapen is. Hij verklaarde tegenover de Poolse agenten voorts dat hij bang was dat hij vingerafdrukken had achtergelaten op de plaats van de schoten. Die verklaring was ingegeven omdat hij na de dood van het slachtoffer bij zijn doorreis naar Parijs in Belgie uit de trein is gehaald en er vingerafdrukken van hem waren afgenomen. Ook heeft hij verklaard dat hij zich verantwoordelijk voelde voor de dood van de taxichauffeur. In dat licht is zijn verklaring dat hij alleen getuige is geweest van de schoten op de taxichauffer en [mededader] alleen heeft geschoten niet geloofwaardig.

Ook de verklaring dat [mededader 2] alleen schoten heeft gelost is niet geloofwaardig. Die verklaring heeft hij eigenlijk alleen tegenover de Litouwse undercover (A-1932) gedaan. In die verklaring heeft [mededader 2] echter een aantal feiten genoemd die niet kloppen. Naar de mening van de officier van justitie heeft [mededader 2] dit alleen gezegd omdat hij net was aangehouden en indruk wilde maken op zijn medegedetineerde A-1932.

Voorts heeft [mededader 2] in geen enkele verklaring [verdachte] als mededader genoemd.

Dit alles maakt – aldus de officier van justitie – dat de variant dat zowel [mededader 2] als [mededader] hebben geschoten de meest geloofwaardige verklaring is. Op een bepaald moment heeft [mededader 2] ook tijdens zijn verhoren gezegd dat hij wilde verklaren wat hij wel en niet gedaan heeft, omdat hij zich verantwoordelijk voelde voor wat er gebeurd was. Toen verklaarde hij dat hij het wapen na het eerste schot aan [mededader] (hij noemde hem “een ander”) te hebben gegeven. Hij heeft toen zijn verantwoordelijkheid niet afgewenteld op [[mededader]] Hij bleef namelijk bij zijn verklaring dat hij ’s ochtends was opgestaan met de gedachte dat er iemand dood moest en dat het zijn wapen was en dat hij het eerste schot heeft gelost.

Het aantreffen van een DNA-profiel van [mededader] op de kleding van het slachtoffer (onder de oksel) geeft steun aan de verklaring van [mededader 2]. [mededader 2] heeft namelijk verklaard dat hij en [verdachte] het lichaam niet in de greppel hebben gelegd. Dat impliceert dat [mededader] dit heeft gedaan. Het betreft een DNA match zonder grote bewijskracht, maar het DNA van hem is wel aangetroffen.

[verdachte] heeft ook verklaard dat [mededader 2] en met name [mededader] hebben geschoten. Tegenover de getuigen [achternaam vriedin] en [naam getuige] heeft hij verklaard dat hij heeft gezien dat [mededader] heeft geschoten.

Wat vooral van belang is, is dat [verdachte] melding heeft gemaakt van een gesprek van ongeveer 5 minuten voor het einde van de rit waarin de andere twee het hadden over het feit dat zij de taxichauffeur wilden opruimen.

De verklaringen van [mededader 2] inhoudende dat hij geschoten heeft waarna [mededader] het wapen heeft overgenomen en de andere schoten heeft gelost zijn niet alleen geloofwaardig, maar leveren ook wettig en overtuigend bewijs. De verklaringen van [mededader 2] bevatten namelijk vele details die hetzij gesteund worden door overige bewijsmiddelen hetzij duidelijk overeenstemmen met die bewijsmiddelen:

-de bekennende verklaring van [mededader 2];

-zijn verklaring over het wapen en de kogels, overeenkomstig de bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut;

-dat het een zwak wapen betreft;

-de afwerende beweging die het slachtoffer zou hebben gemaakt en die overeenkomt met de sectiebevindingen;

-het gorgelende geluid dat de taxichauffeur heeft gemaakt en dat kan wijzen op stikken dat overeenkomt met de sectiebevindingen;

-de wijze waarop het eerste schot is gelost en de sectiebevindingen die inhouden dat het slachtoffer aan de rechterzijde van de rug een verwonding heeft; het aantreffen van de huls op de vloer van de auto en een deel van de knoop kan hierdoor worden verklaard;

Van [verdachte] staat vast dat hij niet geschoten heeft. Dat betekent echter voor hem geen vrijspraak. Er blijkt echter niet van enige actieve betrokkenheid bij het feit, maar het medeplegen kan bij hem echter juridisch gezien ook wettig en overtuigend worden bewezen.

[verdachte] heeft verklaard [mededader 2] en [mededader] in de taxi te hebben horen praten over opruimen. Toen de taxi stopte, is hij weggerend. Hij heeft gezegd niet te hebben gezien wie geschoten heeft. Die verklaring vindt echter geen steun in het dossier om de volgende redenen.

[verdachte] heeft namelijk verklaard direct te zijn weggerend, terwijl [mededader 2] heeft verklaard dat hij pas na de schietpartij en nadat hij de spullen uit de taxi had weggenomen samen met [verdachte] , is weggerend. Dat is een groot verschil. Bovendien heeft [verdachte] verklaard dat hij zijn vriendin [naam vriendin] en zijn vriend [vriend/getuige] heeft verteld wat er precies is gebeurd en deze verklaarden beiden dat [verdachte] heeft gezien dat [mededader] heeft geschoten.

[verdachte] was erbij toen werd gesproken over het opruimen van de taxichauffeur. Belastend is bovendien dat [mededader 2] heeft verklaard dat [verdachte] het portier aan de binnenkant van de taxi heeft schoongemaakt met zijn mouw. Zijn DNA is daar ook gevonden. [mededader 2] heeft ook verklaard dat hij het geld uit de portemonnee van het slachtoffer aan een ander heeft gegeven. Hij wilde niet zeggen aan wie. [mededader 2] heeft geen moeite om [mededader] te belasten. Dat impliceert dat het geld aan [verdachte] is gegeven.

Uit het OVC-gesprek in de arrestantenbus blijkt mogelijk zelfs van afspraken over het niet afleggen van verklaringen.

Nadat het DNA van [verdachte] in de databank is opgenomen blijkt er voorts een match te zijn met een zaak uit Den Haag, een gewelddadige beroving van een taxichauffeur 9 weken eerder. Dit levert geen bewijs op voor dit feit, maar speelt wel mee bij de overtuiging.

Ten aanzien van alle drie de verdachten is derhalve sprake van medeplegen van moord. Aan de term “opruimen” kan als duiding “doden” worden toegekend.

Mocht de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van het primair tenlastegelegde ten aanzien van [verdachte] dan is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de derde subsidiair ten laste gelegde diefstal met geweld, de dood tengevolge hebbende.

De officier van justitie acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder 2 tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Hij baseert zich daarbij op het volgende.

De aangever, ook een taxichauffeur, heeft verklaard dat er op 27 juli 2010 drie Poolse mannen bij hem in de taxi stapten. Op enig moment werd zijn keel dichtgeknepen door de man die achter hem zat met een ijzeren staaf. Tegelijkertijd begon de man die naast hem zat hem op het gezicht en op zijn benen te slaan met een soortgelijke ijzeren pijp. Een van de mannen riep een paar keer: Money. Toen de aangever met zijn knie tegen de claxon kon drukken, vluchtten de drie mannen.

Op de pijp werd een DNA-profiel aangetroffen aan beide uiteinden (onbekende man A en onbekende man B), dat in de databank werd opgenomen. Daarna werd het DNA van [verdachte] in de databank opgenomen in verband met feit 1. Hij bleek de onbekende man A te zijn. Aangezien het een verplaatsbaar voorwerp betreft, is voorzichtigheid met betrekking tot conclusies geboden.

Er is echter ook een vingerafdruk van verdachte gevonden op het portier, behorend bij de zitplaats van de man die de staaf heeft gehanteerd waarop het DNA van [verdachte] is aangetroffen. Er worden 9 dactyloscopische kenmerken gevonden die overeenkomen met de rechter wijsvinger van [verdachte]. Significante verschillen werden niet vastgesteld. Nu niet aan het minimumvereiste van 12 punten van overeenkomst is voldaan, kan het NFI slechts concluderen dat het waarschijnlijker is dat het spoor van [verdachte] afkomstig is dan dat het afkomstig is van een willekeurige andere persoon.

Gelet op de combinatie van de resultaten van het forensisch onderzoek kan wettig en overtuigend worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit, het medeplegen van de poging tot beroving van de taxichauffeur in Den Haag, aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

feit 1

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en wijst daarbij op het volgende.

Uit het feit dat [verdachte] en de medeverdachte [mededader 2] en [mededader] overdag gezamenlijk met de trein hebben gereisd en vervolgens gezamenlijk in een taxi zijn gestapt, kan niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van zijn leven te beroven. Het is onduidelijk of er onderling afspraken zijn gemaakt. [verdachte] heeft verklaard dat er in de taxi werd gesproken tussen [mededader] en [mededader 2] over het overvallen van de taxichauffeur. Hij wilde hiermee niets te maken hebben en heeft geprobeerd zich zo snel mogelijk van het gebeuren te distantiëren. Uit het dossier blijkt niet dat er gesproken is over het doden van de taxichauffeur.

Ook al heeft [mededader 2] in eerste instantie verklaringen afgelegd, waarin hij heeft aangegeven dat hij een mens wilde zien sterven en dat hij de taxichauffeur heeft uitgezocht, dan kan daaruit niet worden afgeleid dat [verdachte] van deze gedachte op de hoogte was. Op 16 januari 2011 heeft [mededader 2] verklaard dat alleen hij wist wat er ging gebeuren. Voorts is hij daarop later teruggekomen en heeft hij ontkend te hebben geschoten. Verder heeft hij aangegeven dat [verdachte] ook niet degene is geweest die heeft geschoten.

Naar de mening van de verdediging kan niet worden bewezen dat [verdachte] in de betreffende taxi is gestapt met het oogmerk om samen met de medeverdachten de taxichauffeur van het leven te beroven. Er is geen sprake geweest van kalm beraad en rustig overleg, ook niet gedurende de gewelddadige handelingen. Hij moet van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Voor de overige onder 1 subsidiair, tweede en derde subsidiair tenlastegelegde feiten ontbreekt eveneens het wettig en overtuigend bewijs.

feit 2

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2 en wijst daarbij op het volgende.

Het aantreffen van DNA op de metalen pijp wijst in de richting van [verdachte]. Een metalen pijp is echter een draagbaar voorwerp, waardoor het aantreffen van DNA van [verdachte] op die pijp niet betekent dat hij ook daadwerkelijk in de taxi heeft gezeten op 27 juli 2010 en de pijp heeft gebruikt tijdens de beroving. Het is mogelijk dat [verdachte] de metalen pijp op een eerder tijdstip en op een andere plek heeft vastgehad en de pijp vervolgens door een onbekend gebleven persoon is meegenomen en is gebruikt ten tijde van de overval.

De vingerafdruk kan niet worden herleid naar [verdachte]. Daarvoor is nodig dat er 12 punten van overeenkomst zijn. Slechts in bijzondere gevallen mag hiervan worden afgeweken tot een minimum van 10.

De conclusie van het NFI dat het waarschijnlijker is dat de aangetroffen vingerafdruk van [verdachte] is dan dat het spoor afkomstig is van een willekeurige andere persoon kan volgens de verdediging niet tot de conclusie leiden dat [verdachte] op 27 juli 2010 in de taxi heeft gezeten. Andere donoren kunnen niet worden uitgesloten.

Ook van dit feit moet [verdachte] derhalve worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

feit 1

In de ochtend van 9 oktober 2010 heeft de politie op de Duinlaan te Kaatsheuvel het levenloze lichaam aangetroffen van een persoon, die later bleek [voornamen] [slachtoffer] te zijn. Het lichaam lag in een droge greppel in de nabijheid van zijn taxi (Mercedes).

De patholoog heeft sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer]. Hij heeft vastgesteld dat het intreden van de dood verklaard kon worden door algehele weefselschade en functieverlies van vitale organen en bloedverlies, opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld. De aangetroffen letsels waren passend bij 5 inschoten door kogels en 2 doorschoten.

Er is onderzoek ingesteld naar de laatste taxirit van de chauffeur. Uit het navigatiesysteem dat rechts naast de taxi werd aangetroffen op de plaats delict, viel af te leiden dat de laatste rit van de taxi was vanaf het centraal station te Tilburg naar de Duinlaan te Kaatsheuvel. Vastgesteld werd dat de taxi om 00.46 uur van het station was vertrokken en dat deze om 00.58 uur arriveerde op de Duinlaan.

Op 8 oktober 2010 voor middernacht stonden diverse taxi’s bij het station Tilburg in een rij te wachten op reizigers van de laatste treinen. Een van de taxichauffeurs zag op enig moment drie jonge mannen uit de richting van de stationshal komen. Hij dacht dat het Poolse jonge mannen waren. Zij liepen naar de auto van [slachtoffer], een nieuwe Mercedes E klasse station. Twee van hen stapten achterin en één van hen voorin. Degene, die voorin stapte had een tas, 60 cm groot, model sporttas. Deze taxichauffeur zag dat er een telefoon werd uitgewisseld met [slachtoffer]. Omstreeks 00.45 uur (inmiddels 9 oktober 2010) vertrok [slachtoffer] met deze drie mannen.

Op camerabeelden van het station Tilburg was ook te zien dat er drie personen om 00.42 uur op 9 oktober 2010 uit de stationshal kwamen gelopen en in de taxi van [slachtoffer] plaats-namen. Zij waren aangekomen met de trein uit ’s-Hertogenbosch. Na het bekijken van de camerabeelden van het station te ’s-Hertogenbosch kon door een verbalisant worden vastgesteld dat dezelfde drie personen daar in elkaars gezelschap in de trein naar Tilburg stapten om 00.24 uur. Op de camerabeelden van het station ’s-Hertogenbosch is tevens te zien dat twee van hen handelingen verrichten met een mobiele telefoon omstreeks 00.04 uur, die lijken op het versturen van een sms.

De drie personen die in de taxi stapten, zoals later is vastgesteld, waren [voornaam] [mededader], [voornaam] [mededader 2] en [voornaam] [verdachte]. Ook is komen vaststaan dat [verdachte] met de telefoon van [mededader] rond dat tijdstip sms contact heeft gehad met [voornaam] [vriend/getuige]. Uit de verklaring van [verdachte] leidt de rechtbank af dat hij had afgesproken om naar een camping in Kaatsheuvel te gaan om zijn kleding op te halen bij [vriend/getuige].

[mededader 2] heeft bevestigd dat zij daar heen zouden gaan. Hij dacht dat er een feestje was bij die kennis van [verdachte] in Kaatsheuvel.

Uit het forensisch technisch onderzoek kwam vast te staan dat tenminste 1 keer op de taxichauffeur is geschoten, terwijl hij nog in de auto zat. Het slachtoffer had daarbij een bloedende wond opgelopen in zijn rechterzij, welke een vlek veroorzaakte op de rechterzijde van de rugleuning van de bestuurdersstoel van de auto. Er lag 1 huls op de vloer voor de bestuurdersstoel in de taxi. Het slachtoffer heeft de taxi al dan niet op eigen kracht via het linkervoorportier verlaten en heeft, gezien de bloedvlekken die links naast de taxi op het wegdek werden aangetroffen, naast de bestuurdersstoel op het wegdek gelegen. In de greppel aan de andere zijde van de weg werd het slachtoffer aangetroffen. Sleepsporen zijn niet gezien. Er werden 3 hulzen op het wegdek, links naast de taxi gevonden. Vanaf of nabij deze plek moet de schutter tenminste 3 schoten hebben afgevuurd.

De deskundigen hebben vastgesteld dat de 4 op de plaats delict aangetroffen hulzen zeer waarschijnlijk zijn verschoten met één en hetzelfde wapen, waarschijnlijk een semi-automatisch pistool, kaliber 7.65 mm Browning, merk Colt. De aangetroffen kogels zijn ook zeer waarschijnlijk verschoten met één en hetzelfde wapen. De kogels waren op de punt kruislings ingekerfd.

Er werd DNA-materiaal afgenomen bij de verdachten. Het DNA-materiaal werd onderzocht door het NFI. Daarbij werd vastgesteld dat het DNA-materiaal dat werd aangetroffen op de grendel aan de binnenzijde van het rechter achterportier matchte met het DNA-materiaal dat was afgenomen van [verdachte]. Het DNA dat was aangetroffen op de buitenzijde van het colbert van het slachtoffer onder de linkeroksel was vermoedelijk afkomstig van [[mededader]]

[mededader 2] kwam in het onderzoek als één van de verdachten naar voren na een melding door de Poolse politie van uitlatingen van [mededader 2] over een moord op een taxichauffeur in Nederland waarvan hij getuige was geweest. [mededader 2] was door de Poolse politie aangehouden voor een ander feit en noemde tegenover de Poolse politie veel details, onder meer over munitie, waarop aangesneden kruisjes zichtbaar zouden zijn en het moeten herladen van het wapen bij ieder schot. Er zouden 7 of 8 schoten zijn afgevuurd op de buik en borstkas van het slachtoffer.

Na zijn aanhouding in Nederland heeft [mededader 2] verschillende wisselende verklaringen afgelegd. Op Schiphol raakte hij in gesprek met een Litouwse agent die was ingezet om stelselmatige informatie in te winnen. Hij heeft toen verteld dat hij de taxichauffeur zelf met 8 schoten heeft neergeschoten.

Hij heeft vervolgens verklaard dat hij een wapen, kaliber 7. en nog iets had. Het wapen had een magazijn waar 7 of 8 kogels in zaten. Het magazijn werd in de handgreep aan de onderzijde in het wapen geschoven. Hij wist dat er 7 of 8 patronen in de houder zaten. Het wapen werkte volgens hem niet goed. Het was alsof het vastliep. Volgens hem zijn alle patronen, die waren ingesneden, op de taxichauffeur verschoten. Hij heeft ook verklaard dat het geen overval was. Het ging hem er niet om geld of de navigatie te stelen. De navigatie had hij wel gepakt, maar ook weer laten vallen. Het geld heeft hij wel bij zich gestoken. Dat was iets meer dan 100 euro. De taxichauffeur was gestorven, zo verklaarde [mededader 2], omdat “een gestoorde Pool iets in zijn hoofd kreeg”. Hij was gewoon kwaad geweest.

In een volgende verhoor heeft [mededader 2] verklaard dat hij de taxi heeft uitgezocht en toen hij naast de taxi stond in zijn hoofd had zitten: “Die gaat dood vandaag.” Een van hen liet het adres waar zij heen wilden op de mobiele telefoon zien aan de chauffeur. De chauffeur liet toen zien dat de rit 35 euro kostte. Hij heeft verklaard dat hij degene was die het wapen bij zich had. Hij heeft vanaf de rechterkant op de chauffeur geschoten. Op dat moment heeft een ander het wapen overgepakt en is toen via de voorkant om de auto heen gelopen. [mededader 2] heeft verklaard dat hij tegen die ander heeft gezegd dat hij moest schieten. Deze heeft toen volgens [mededader 2] de andere schoten op de taxichauffeur gelost. Vervolgens heeft [mededader 2] de binnenverlichting uitgedaan en de motor afgezet. Hij heeft het tasje van de I-phone gepakt en is gaan rennen. Dat tasje heeft hij toen weer in de bosjes gegooid.

In het daarop volgende verhoor heeft [mededader 2] verklaard dat hij een mens wilde zien sterven en dat hij op 8 oktober 2010 wist dat er iets ging gebeuren. Het was dé dag. In het daarop volgende verhoor heeft hij dit herhaald. Hij verklaarde toen uit de auto te zijn gestapt en zijn arm via het rechter voorportier binnen de auto te hebben gestoken en geschoten te hebben op de taxichauffeur op een halve meter afstand. Vervolgens heeft hij herhaald dat hij het eerste schot heeft afgevuurd of misschien twee schoten en daarna het wapen heeft overgegeven aan een van de anderen en heeft gezegd dat er geschoten moest worden. De taxichauffeur is volgens [mededader 2] naast de taxi terecht gekomen en die ander heeft alle patronen op hem verschoten.

In de daaropvolgende verklaringen heeft verdachte gezegd dat hij geen enkel schot heeft gelost. Degene, die voorin zat, zou hebben geschoten.

[verdachte] heeft verklaard dat hij in de taxi heeft gehoord dat [mededader 2] en [mededader] bespraken dat zij iets wilden stelen en dat de taxichauffeur opgeruimd moest worden. In een latere verklaring bevestigt [verdachte] nog een keer dat hij dit heeft gehoord. Naast de taxichauffeur zat [mededader], achter de chauffeur zat [mededader 2] en hij zat achterin rechts. Hij heeft verklaard dat hij is uitgestapt toen de taxi stopte en is weggerend, omdat hij er niets mee te maken wilde hebben. Hij had het gesprek tussen [mededader 2] en [mededader] vijf minuten voordat de taxi stopte, gehoord. In zijn volgende verklaring heeft [verdachte] gezegd dat hij in shock is gaan rennen, nadat hij de schoten had gehoord. [mededader 2] is later achter hem aangekomen, maar [mededader] niet.

Na zijn aanhouding is [mededader] vele malen verhoord. Hij wilde niet over het feit verklaren.

Wat hieruit kan worden vastgesteld

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de drie verdachten [mededader], [mededader 2] en [verdachte] gezamenlijk in de taxi zijn gestapt. Daarbij zat [mededader 2] achter de taxichauffeur op de achterbank. [verdachte] zat rechts naast [mededader 2] en [mededader] zat voorin op de bijrijderstoel. De taxirit ging naar het adres van een kennis van [verdachte]. Tegen het einde van de rit bespraken [mededader 2] en [mededader] volgens [verdachte] dat zij de taxichauffeur wilden beroven. De taxichauffeur moest worden opgeruimd. Deze verklaring van [verdachte] over het opruimen van de taxichauffeur acht de rechtbank geloofwaardig. Zijn bedoeling van de rit naar Kaatsheuvel, namelijk het bezoeken van [voornaam] [vriend/getuige], is - mede gelet op de verklaring van [vriend/getuige] - aannemelijk geworden. Hij heeft bij de politie en ter zitting herhaald dat hij [mededader] en [mededader 2] hoorde spreken over het opruimen en beroven van de taxichauffeur. Hij heeft toen weer verklaard uit de auto te zijn gevlucht toen deze stopte, omdat hij er niets mee te maken wilde hebben. De rechtbank heeft vastgesteld dat hij de Nederlandse taal voldoende begrijpt, zodat een misverstand over het begrip opruimen, waaronder de rechtbank verstaat “doden” is uit te sluiten

Zodra de taxi stopte, is [verdachte] uit de auto gegaan. Vervolgens is er geschoten in en buiten de auto.

Wie heeft er geschoten?

[mededader 2] heeft steeds wisselend verklaard over wie er geschoten heeft op de taxichauffeur. [mededader], dan wel alleen hijzelf danwel beiden. [mededader] heeft geen verklaring afgelegd. [verdachte] heeft niet gezien wie er heeft geschoten, aldus zijn verklaring, hoewel de rechtbank twijfelt aan de betrouwbaarheid op dit punt in zijn verklaring gelet op hetgeen [verdachte] tegen zijn vriendin [naam vriendin] [achternaam vriedin] en [voornaam] [vriend/getuige] heeft gezegd, namelijk dat alleen [mededader] heeft geschoten.

Uit de verklaring van [mededader 2] leidt de rechtbank af dat hij veel kennis over het wapen had. Hij wist dat het een oud wapen was, kaliber 7. en nog iets. Er zouden 7 of 8 kogels zijn afgeschoten. Het wapen werkte op de een of andere manier niet goed. De patronen zouden zijn ingesneden. Er is vastgesteld dat het slachtoffer door 7 schoten is getroffen. De kogels bleken inderdaad te zijn ingekerfd. Gevraagd naar de herkomst van deze wetenschap heeft [mededader 2] verklaard dat hij geen antwoord op deze vraag wenst te geven. Dit doet vermoeden dat het wapen van [mededader 2] afkomstig is, maar zegt op zichzelf nog niets over wie heeft geschoten.

Er zijn volgens de rechtbank geen aanwijzingen dat [verdachte] heeft geschoten. Noch [mededader], noch [mededader 2] hebben daarover verklaard en ook overigens is dit niet aannemelijk geworden. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat anderen dan voornoemde drie verdachten zijn betrokken bij het schietincident.

Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve geen aanleiding om te veronderstellen dat er een ander dan [mededader] en/of [mededader 2] hebben/heeft geschoten. De ware toedracht kan niet worden vastgesteld, nu het wapen niet is gevonden en gelet op de wisselende verklaringen van [mededader 2] en de niet op dit punt betrouwbare verklaring van verdachte [verdachte].

Wel of niet medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat evenwel in het midden kan blijven van wie het wapen afkomstig is en wie er geschoten heeft. Vaststaat dat er gesproken is over het opruimen van de taxichauffeur, dat er een wapen was en dat er op de taxichauffeur geschoten is. Nadat de eerste schoten waren gevallen, is [mededader] niet weggegaan. Hij is uitgestapt en heeft het slachtoffer vastgehad onder de linkeroksel, zoals het DNA-onderzoek doet vermoeden. [mededader 2] is evenmin weggegaan. Hij heeft de auto doorzocht, heeft de navigatie gepakt en heeft de I-Phone en de portefeuille van de taxi-chauffeur weggenomen.

Van medeplegen kan sprake zijn ook zonder dat een medepleger uitvoeringshandelingen verricht. Er moet blijken van een nauwe bewuste samenwerking met een ander of anderen ter uitvoering van een gezamenlijk plan. De rechtbank verwijst hiervoor naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op dit gebied.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [mededader] en [mededader 2] in een nauwe en bewuste samenwerking de taxichauffeur hebben gedood . Dit plan bespraken zij tevoren samen in de auto. Daarbij maakt het naar het oordeel van de rechtbank voor een bewezenverklaring niet uit wie de chauffeur heeft gedood en of op voorhand besproken is op welke wijze de taxichauffeur gedood zou worden. Vast staat dat hij dood moest. Beiden waren in de nabijheid van de taxichuaffeur toen de schoten op zijn lichaam werden afgevuurd en beiden hebben nadien ook nog handelingen verricht en zich niet aan de uitvoering onttrokken. De rechtbank kan dergelijke handelingen alleen plaatsen in een scenario waarin [mededader] als mededader met [mededader 2] heeft meegedaan. De rechtbank ziet hen daarom, als medeplegers. Die nauwe en bewuste samenwerking met [verdachte] heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Voor zijn betrokkenheid bij het doden van de taxichauffeur acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig. Zij zal hem daarvan vrijspreken.

Voor de overige onder 1 tenlastegelegde feiten acht de rechtbank eveneens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs tegen [verdachte] voorhanden. Ook daarvan zal zij hem vrijspreken.Ten aanzien van het derde subsidiair ten laste gelegde (diefstal voorafgegaan, vergezeld dan wel gevolgd door geweld) merkt de rechtbank nog op dat het opzet van [verdachte] – gezien zijn reden om naar de camping te gaan – niet op diefstal van goederen van de taxichauffeur was gericht en ook niet gezegd kan worden dat hij bij het instappen van de taxi rekening moest houden met de aanmerkelijke kans dat de taxichauffeur beroofd zou gaan worden en hij door in de taxi te blijven zitten de gevolgen daarvan op de koop heeft toegenomen.

feit 2

Op 27 juni 2010 stond [slachtoffer 2] met zijn taxi op de taxistandplaats in Scheveningen. Er kwamen toen drie mannen op zijn taxi aflopen. Zij vroegen de taxichauffeur hen naar de Hobbemastraat in Den Haag te rijden. Twee van de drie mannen spraken Pools. Ter hoogte van de Hobbemastraat zei één van hen dat hij moest stoppen. Toen hij tot stilstand kwam, zag en voelde hij dat door één van hen met twee handen een zwarte stalen pijp tegen zijn keel werd gedrukt. Hij kreeg hierdoor gedurende 20 tot 30 seconden geen lucht meer. Terwijl hij zich probeerde te bevrijden zag hij dat één van de anderen ook een zwarte stalen pijp in zijn hand had en daarmee driemaal op de rechterzijde van zijn gezicht sloeg. Eén van hen riep: “Money”. De taxichauffeur drukte vervolgens met zijn knie op de claxon. Daarna openden zij de deuren van de taxi en renden weg. De stalen pijp van één van de daders is in de taxi achtergebleven. De verbalisant die de aangifte opnam, heeft letsel waargenomen bij de taxichauffeur. Hij had een opgezwollen bovenlip en een snee op zijn bovenlip. De man die met de stalen pijp sloeg, had volgens de taxichauffeur rechts naast hem gezeten.

Deze stalen pijp werd onderzocht op DNA sporen. Aan beide uiteinden bevonden zich DNA profielen, afkomstig van twee onbekende mannen (A en B). Deze profielen werden opgenomen in de databank.

In verband met feit 1 werd van [verdachte] DNA materiaal afgenomen. Het DNA-profiel van hem werd opgenomen in de databank. Vervolgens is komen vast te staan dat het DNA van verdachte overeenkomt met het DNA profiel van onbekende man A.

Tevens werd aan de buitenzijde van de portierstijl (bijrijderskant) van de taxi een dactyspoor aangetroffen en veilig gesteld. Het NFI heeft dit vingerspoor onderzocht en kunnen vaststellen dat er 9 dactyloscopische kenmerken aangegeven konden worden. Het dactyspoor van de rechterwijsvinger van [verdachte] kwam overeen met alle 9 kenmerken. Significante verschillen werden niet aangetroffen. Nu niet aan het minimumvereiste van 12 punten van overeenkomst is voldaan, kan het NFI slechts concluderen dat het waarschijnlijker is dat het spoor van [verdachte] afkomstig is dan dat het afkomstig is van een willekeurige andere persoon.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet bij het feit betrokken is geweest. Over de stalen pijp heeft hij verklaard dat hij deze wel in handen moet hebben gehad en ergens moet hebben achtergelaten, maar niet op de plaats waar het delict is gepleegd.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de stalen pijp op andere wijze dan door toedoen van [verdachte] in de taxi is terecht gekomen. Het is immers een draagbaar voorwerp. De aangetroffen vingerafdruk is volgens de verdediging niet voor identificatie vatbaar.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de resultaten van het DNA onderzoek en van het onderzoek naar het dactyspoor wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die bij de poging tot beroving van de taxichauffeur in Den Haag betrokken is geweest. Het resultaat van het onderzoek naar het dactyspoor voldoet weliswaar niet volledig aan de eisen, maar nu beide sporen in zijn richting wijzen is toeval uit te sluiten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 27 juli 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2], met een ijzeren pijp de keel van die [slachtoffer 2] heeft dichtgedrukt en die [slachtoffer 2] met een ijzeren pijp, tegen de zijkant van zijn gezicht en zijn armen en zijn knieën heeft geslagen en die [slachtoffer 2] vuistslagen tegen het achterhoofd heeft gegeven en tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd:

"Money", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 jaar. Hij is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 1 primair en van feit 2.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf, nu zij van mening is dat verdachte voor alle tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met anderen geprobeerd een taxichauffeur te beroven. Door met een stalen pijp de keel van de taxichauffeur dicht te drukken en hem te slaan heeft hij samen met twee anderen geprobeerd hem geld afhandig te maken. Doordat de taxichauffeur in staat was de claxon langdurig in te drukken, waardoor de daders zijn gevlucht, is het niet tot een daadwerkelijke beroving gekomen.

Het slachtoffer heeft gevreesd voor zijn leven, omdat hij geen lucht meer kreeg. Dat het letsel door het slaan uiteindelijk nog beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde poging tot beroving voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier te proberen snel aan geld te komen.

Verdachte heeft een gering strafblad. Hij is door de politierechter eenmaal eerder veroordeeld in verband met een diefstal.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van het feit een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van het voorarrest aan verdachte moet worden opgelegd.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, genoemd op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 177085, te weten een ijzeren pijp, is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het onder 2 bewezen feit is voorbereid met behulp van dit voorwerp.

Verder is dit voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met het algemeen belang.

7.2 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de overige op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde goederen, aangezien thans niet vaststaat wie als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 45, 47, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair, subsidiair, tweede en derde subsidiair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het onder 2 bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 2: Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde

personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken het onder 7.1 genoemde voorwerp;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de onder 7.2 genoemde voorwerpen;

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mrs. Volkers en Combee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oostlander-Vink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 april 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 9 oktober 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) zijn

mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een

vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, (mede)

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 oktober 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat

opzet met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer]

geschoten, (mede) tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten de diefstal (in vereniging) van een Iphone en/of

een portemonnee en/of een geldbedrag en/of een TomTom navigatie-systeem,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of

het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 oktober 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat

opzet, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer]

geschoten, (mede) tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

derde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 oktober 2010 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, heeft

weggenomen een Iphone en/of een portemonnee en/of een geldbedrag en/of een

TomTom navigatie-systeem, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging(en) met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] een of meer ma(a)l(en) op/tegen

het hoofd/gelaat en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of (al dan

niet met een hard voorwerp) heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer] een

vuurwapen heeft/hebben getoond en/of dat vuurwapen op hem heeft/hebben

gericht en/of met dat vuurwapen een of meer kogel(s) in het lichaam van [slachtoffer]

heeft geschoten, (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 juli 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld N.

[slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf] en/of voornoemde [slachtoffer 2],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), met een ijzeren pijp/voorwerp de keel/hals van die [slachtoffer 2]

heeft/hebben dichtgedrukt en/of die [slachtoffer 2] een of meer ke(e)r(en) met een

ijzeren pijp, althans een hard voorwerp, tegen de zijkant van zijn gezicht

en/of zijn arm(en) en/of zijn knie(ën) heeft/hebben geslagen en/of die

[slachtoffer 2] een of meer vuistslag(en) tegen het achterhoofd heeft/hebben gegeven

en/of een of meer ma(a)l(en) tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd:

"Money", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht