Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW1628

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
02/996005-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een 40tal personen overgehaald om hun vermogen door hem te laten beleggen. Hij garandeerde (vaak schriftelijk) dat zij hun inzet altijd terug zouden krijgen en beloofde rendementen van 10 tot 15 % of zelfs hoger. Verdachte toonde hen (valse of vervalste) overzichten waaruit die rendementen ook bleken, maar in werkelijkheid belegde hij de gelden niet en bleek uiteindelijk een inzet van 2,2 miljoen euro verdwenen. Daarnaast pleegde hij faillissementsfraude.

Conform de eis van de OvJ volgt een gevangenisstraf van 30 maanden. Zowel alle slachtoffers afzonderlijk als de curator in zijn faillissement, die zich eveneens namens de benadeelden als benadeelde partij stelde, worden niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaard. De slachtoffers omdat zij hun vordering slechts ter verificatie kunnen aanbieden. De curator om dat hij geen belang heeft bij zijn vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/996005-09

Verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 maart 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Van Horen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer:

dat verdachte in de periode januari 2005 tot en met oktober 2008 een groot aantal beleggers heeft opgelicht door hen over te halen om hun vermogen door verdachte te laten beleggen, waarbij een risicoloos hoog rendement werd voorgespiegeld, waardoor in totaal aan verdachte € 2.213.995,-- ter belegging is afgegeven maar slechts ten dele door hem is belegd en nimmer aan de beleggers is terugbetaald, althans dat verdachte dat bedrag heeft verduisterd (feit 1),

dat verdachte daartoe valse beleggingsoverzichten opmaakte en verstrekte aan de beleggers (feit 2), en

dat verdachte, terwijl hij in staat van faillissement verkeerde, aan zijn curator baten van de boedel niet heeft verantwoord, goederen aan die boedel heeft onttrokken en zijn administratie niet op orde had(feit 3).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle hem verweten feiten heeft begaan, feit 1 in de zin van de primaire oplichting.

Hij baseert zich daarbij op de gedane aangiften en de bekennende verklaringen van verdachte voor zover betreffende de feiten 1 en 2.

Ook feit 3 acht de officier van justitie, ondanks de ontkennende verklaring van verdachte, bewezen op grond van de (aanvullende) aangifte van de curator, diens verklaring bij de rechter-commissaris, de verklaringen van de dochter en de echtgenote van verdachte in combinatie met de verklaringen van verdachte zelf, alsmede de onder verdachte aangetroffen bescheiden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman is echter van mening dat de rechtbank bij feit 3 niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat de eigendom van zowel de sieraden als de auto niet aan verdachte, maar aan zijn echtgenote toebehoorde. Ten aanzien van het bijhouden van zijn administratie en boekhouding heeft verdachte weliswaar niet geadministreerd zoals verwacht had mogen worden, maar wel openheid van zaken gegeven en zo hij bepaalde stukken niet kon aanleveren, dan waren deze eenvoudig te achterhalen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

m.b.t. feit 1:

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 28 maart 2012 ;

- de excellijst D/0188 waarop de FIOD-ECD aan de hand van bankafschriften, overeenkomsten, brieven, overzichten en aangiften een overzicht van de beleggers heeft opgesteld;

- de verklaringen van en overgelegde stukken door de diverse beleggers .

De rechtbank acht overigens onvoldoende gebleken dat verdachte structureel de beleggers beleggingsoverzichten toonde met positieve resultaten om hen te bewegen (meer) geld aan hem af te geven.

m.b.t. feit 2:

De rechtbank acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 28 maart 2012 ;

- de door diverse beleggers overgelegde beleggingsoverzichten

met betrekking tot feit 3:

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 7 oktober 2008 is verdachte op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. [naam curator] tot curator.

Curator [naam curator] heeft bij de politie verklaard dat verdachte niet bedrijfsmatig heeft geadministreerd, nu er geen boekhouding was en verdachte privégelden vermengde met gelden van beleggers. Voorts verklaarde de curator dat verdachte hem niet had verteld dat hij sieraden in bezit had.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte trof de politie afrekeningen aan van

Veilinghuis Christie’s te Amsterdam d.d. 2 juni 2009 respectievelijk 16 juni 2009 , beide gericht aan het adres van de dochter van verdachte te Breda, waarin is vermeld dat in verband met de verkoop van sieraden een opbrengst was betaald aan verdachtes echtgenote van respectievelijk € 11.225,31 en € 3.238,40.

Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft naar aanleiding van het op die afrekeningen vermelde adres gebeld naar de aldaar woonachtige dochter van verdachte. Deze verklaarde tegen de verbalisant dat de afrekeningen op verzoek van haar vader naar haar adres waren gestuurd, omdat haar vader niet wilde dat deze correspondentie bij de curator terecht zou komen.

Verdachte heeft op de zitting toegegeven dat hij tijdens het faillissement sieraden ter verkoop heeft aangeboden aan Veilinghuis Christie’s en de afrekeningen heeft doen versturen naar het adres van zijn dochter omdat anders post aan hem de curator zou bereiken.

De rechtbank acht op grond daarvan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet heeft voldaan aan zijn verplichting om een nauwkeurige administratie bij te houden en dat hij gedurende zijn faillissement baten niet heeft verantwoord en de opbrengst van de verkoop van sieraden aan de boedel heeft onttrokken. Dat deze sieraden, zoals verdachte stelt, eigendom waren van zijn echtgenote is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken en bovendien ontslaat hem dat, gelet op de vermenging van de gelden van beleggers met privégelden, niet van de verplichting de verkoop te melden aan zijn curator.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de eigendom van de Mazda 6 zou hebben verzwegen. Verdachte heeft van meet af aan aangegeven dat deze auto eigendom was van zijn echtgenote, met wie hij buiten gemeenschap van goederen gehuwd is hetgeen, voor zover uit het strafdossier blijkt, ook door de curator is erkend, althans onvoldoende is weerlegd.

Op basis van de inhoud van het dossier is er zoveel twijfel over de eigendomsrechten dat verdachte niet kan worden verweten dat hij deze niet aan de curator heeft vermeld.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van de maand januari 2005 tot en met de maand oktober 2008 in de gemeente Breda en/of in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep en/of een samenweefsel van verdichtsels, de in het inhoudelijke vonnis genoemde en een of meer andere personen, vermeld op de excellijst D-0188 (p 1046 t/m 1051 p.v.), verder te noemen 'de belegger(s)', heeft bewogen tot de afgifte van bedrag(en) aan geld, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-:

(telkens) de belegger(s) mondeling en/of schriftelijk en/of middels (een) door hem, verdachte (mede) ondertekende overeenkomst met de belegger(s) en/of verklaring(en) gegararandeerd en/of voorgespiegeld en/of voorgehouden dat de belegger(s) via hem, verdachte, (nagenoeg) risicoloos kon(den) beleggen en/of dat de inleg(gen) volledig zou(den) dienen ter belegging in fondsen en/of aandelen en/of opties en/of dat de/het rendement(en) op de belegging(en) in fondsen en/of aandelen en/of opties 10 - 15% zou(den) bedragen, waardoor voornoemde personen (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

2.

in de periode van 22 mei 2008 tot en met 12 augustus 2008 in de gemeente Breda, meermalen overzichten van de belegging ten name van de in het inhoudelijke vonnis genoemde beleggers en/of ten name van andere personen (D/0009 en/of D/0044 en/of D/0046 en/of D/0064 en/of D/0128 en/of D/0152 en/of D/0164 en/of D/0165 en/of D/0316 en/of D/0317), verder te noemen 'de belegger(s)', - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid –zakelijk weergegeven- op die overzichten van belegging voornoemd een (geactualiseerd) overzicht vermeld van (onder meer) de hoofdsom van de door hem, verdachte, voor de belegger beheerde gelden en/of de positieve beleggingsresultaten over de door hem, verdachte, voor de belegger beheerde gelden, zulks terwijl die op die overzichten van belegging vermelde hoofdsom voornoemd in werkelijkheid niet (meer) was belegd en die op die overzichten van belegging vermelde beleggingsresultaat in werkelijkheid niet, althans niet tot de bedrag(en) als vermeld op die overzichten van belegging was behaald, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

3.

in de periode van 1 mei 2008 tot en met 16 juni 2009 in de gemeente Breda, terwijl hij, verdachte, bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 7 oktober 2008, in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s),

- baten niet heeft verantwoord en goederen aan de boedel heeft onttrokken door tegenover de curator de gehele of gedeeltelijke eigendom en de opbrengst van de verkoop van sieraden met een totale verkoopopbrengst van 11.225,31 euro en 3.238,40 euro (D/0259 en D/0260) te verzwijgen en

- niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het aantekening houden ingevolge artikel 15i, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel.

Bij feit 2 heeft de rechtbank op het einde van de opsomming van de dossierverwijzingen in plaats van “D/0315 t/m D/0317” gelezen “D/0316 en D/0317” aangezien het hier een kennelijke verschrijving betreft, door verbetering waarvan verdachte niet in zijn verdediging kan zijn geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf voor de maximale duur.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte haalde in totaal ruim veertig mensen over om hun vermogen door hem te laten beleggen en hield hen daarbij voor dat ze bij hem een rendement van 10 tot 15 % zouden behalen.

Om zijn klanten ervan te overtuigen dat hun vermogen veilig was bij verdachte ondertekende hij overeenkomsten waarin hij hen voorspiegelde dat zij hun inleg gegarandeerd terug zouden krijgen.

Ook vervalste hij beleggingsoverzichten of toonde hij door hem zelf gemaakte overzichten van door verdachte met hun vermogen behaalde resultaten, welke onjuist waren.

In de loop der tijd ging verdachte nieuwe inleggelden niet meer beleggen, maar gebruikte hij deze om de door hem toegezegde rendementen uit te keren. Verdachte ging in plaats van deze te beleggen de inleggelden vergokken, volgens verdachte in pogingen om alsnog genoeg winst te kunnen maken.

Toen de beurzen inzakten en een grote belegger zijn inleg opeiste vroeg verdachte zijn faillissement aan en bleek, dat van de totale inzet van ruim 2,2 miljoen euro er nagenoeg niets meer over was.

Verdachte bleek hoegenaamd niet over een administratie te beschikken en hij verzweeg aan zijn curator vervolgens dat de boedel sieraden bevatte. Verdachte verkocht deze en probeerde de opbrengst buiten het bereik van zijn schuldeisers te houden.

Het hoeft geen betoog dat dit ernstige feiten betreffen. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij genoot, kennelijk ingegeven omdat hij als (voormalige) medewerker bij de belastingdienst voor velen de aangifte Inkomstenbelasting invulde. Verdachte had daardoor inzicht in hun vermogens en hij schroomde er zelfs niet voor om beleggers te adviseren een tweede hypotheek af te sluiten en het daarmee verkregen bedrag ter belegging aan hem over te dragen.

Verdachte heeft een blanco strafblad. Zijn gezondheid laat dermate te wensen over dat verdachte arbeidsongeschikt is verklaard.

De reclassering ziet geen recidiverisico, alhoewel verdachte enorme bedragen, afkomstig van zijn beleggers, heeft vergokt.

Gelet op het grote aantal mensen die door verdachte zijn opgelicht voor hoge bedragen en de consequenties die dit voor de slachtoffers van verdachte heeft gehad, acht de rechtbank een werkstraf, zoals de reclassering heeft geadviseerd en de raadsman heeft bepleit, onvoldoende recht doen aan de ernst van de gepleegde misdrijven. De officier van justitie heeft in zijn eis al in vergaande mate rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gelet ook op straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd ziet de rechtbank geen aanleiding van de eis van de officier van justitie af te wijken. Zij zal verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden opleggen.

7 De benadeelde partijen

Een groot aantal benadeelden heeft zich gevoegd in het strafproces en zelfstandig een vordering tot schadevergoeding ingediend. Het betreft de in het inhoudelijke vonnis genoemde (rechts-)personen.

Daarnaast heeft de curator, mr. [naam curator], zich op eigen titel gevoegd in het strafproces. Hij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ter behartiging van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Deze vordering betreft een optelsom van een groot aantal van de hiervoor genoemde individuele vorderingen.

Met betrekking tot de vorderingen van de individuele benadeelden overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de tekst van en wetsgeschiedenis bij artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat de wetgever beoogd heeft de positie van slachtoffers van strafbare feiten te verbeteren door hen op een eenvoudige, goedkope en snelle manier de gelegenheid te bieden hun civiele vordering te innen.

Bij de beoordeling van de gegrondheid van de vordering is uitgangspunt dat de strafrechter het civiele aansprakelijkheidsrecht toepast, met inachtneming van enkele strafvorderlijke bijzonderheden die met name tot doel hebben de strafzaak niet te zeer op te houden met debatten over ingewikkelde civielrechtelijke (bewijs-)aangelegenheden. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de onderhavige vorderingen beoordeeld dienen te worden naar civiel recht. Dit geldt ook voor de vraag naar de ontvankelijkheid van de vorderingen.

Blijkens artikel 26 van de Faillissementswet kunnen vorderingen die reeds bestonden ten tijde van de faillietverklaring, gedurende het faillissement op geen andere wijze worden ingesteld dan door aanmelding bij de curator ter verificatie. Aangezien in het onderhavige geval sprake is van vorderingen die hun grond vinden in het onrechtmatig handelen van verdachte vóór datum faillissement en voorts het faillissement nog niet is opgeheven, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen in dit strafproces. Zij kunnen hun vorderingen slechts ter verificatie aanmelden bij de curator. Het arrest van de Hoge Raad van 13 december 2011, LJN: BT8760, waar ter terechtzitting een beroep op is gedaan, maakt voornoemd oordeel niet anders. In dit arrest wordt geen oordeel gegeven over de ontvankelijkheid van pre-faillissementsvorderingen in het strafproces, maar over de mogelijkheid om gedurende een faillissement de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Met betrekking tot de vordering van de curator overweegt de rechtbank dat de curator vanuit zijn bijzondere positie gerechtigd is om ter behartiging van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gezamenlijke schuldeisers procedures te voeren. In het onderhavige geval is de rechtbank echter van oordeel dat de curator geen belang heeft bij zijn vordering. Het betreft immers een vordering van de curator tegen zijn gefailleerde zelf. Toewijzing van de vordering zal niet leiden tot een verandering van de positie van de schuldeisers in het faillissement of hun mogelijkheden tot verhaal. Zij zullen hun vordering nog steeds ter verificatie moeten aanmelden bij de curator en vervolgens moeten afwachten of er voldoende baten in de boedel voorhanden zijn. Ter zitting heeft de curator toegelicht dat hij wel belang heeft bij zijn vordering omdat bij toewijzing van de vordering de schuldeisers na de afwikkeling van het faillissement over een titel beschikken waarmee zij het deel van hun vordering dat zij onder het faillissement niet uitgekeerd hebben gekregen, op verdachte kunnen verhalen. De rechtbank volgt de curator hierin niet. De vordering is door de curator namens de gezamenlijke schuldeisers ingesteld. Bij toewijzing zou slechts een titel ontstaan voor de curator als zodanig en niet voor de schuldeisers.

Nu de curator geen belang heeft bij zijn vordering, zal ook zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8 Het beslag

8.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan degene, die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 225, 326 en 341 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Oplichting, meermalen gepleegd;

feit 2: Verduistering, meermalen gepleegd;

feit 3: Bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de in het inhoudelijke vonnis genoemde benadeelde partijen en de curator mr. [naam curator] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten sieraden, personenauto en schilderijen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Prenger en mr. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is (in uitgebreide vorm) uitgesproken ter openbare zitting op 11 april 2012. Mr. Peeters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Zie inhoudelijk vonnis.