Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW0193

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-02-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
10/4775
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:870, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijval herinvesteringsreserve

Belanghebbende heeft door de verkoop van het melkquotum een gedeelte van de onderneming gestaakt. Van de behaalde verkoopwinst van het quotum is een herinvesteringsreserve gevormd, die vervolgens is afgeboekt op de aanschaffingskosten van bedrijfsmiddelen ten behoeve van (nieuwe) lease-activiteiten. Door het starten van de lease-activiteiten is de identiteit van de onderneming wezenlijk gewijzigd. Nu gesteld noch gebleken is dat bij belanghebbende het voornemen is blijven bestaan te herinvesteren in het overgebleven, oude deel van de onderneming heeft de inspecteur in 2006 terecht de herinvesteringsreserve in de winst van belanghebbende opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/851
FutD 2012-0929
NTFR 2015/2612 met annotatie van Dr. W. Bruins Slot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/4775

Uitspraakdatum: 16 februari 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Helmond,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 mei 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen de gemachtigden van belanghebbende [gemachtigden], verbonden aan [belastingadviesbureau] BV te [woonplaats], vergezeld van de dochter van belanghebbende [dochter], en namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 279.060;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.310,50;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1Vanaf [datum] 2003 exploiteerde belanghebbende, geboren in 1933, in de vorm van een maatschap samen met haar dochters [dochters] een agrarische onderneming (hierna: de maatschap). De maatschap oefende een rundveebedrijf uit, bestaande uit twee takken, te weten een melkveehouderij en een jongveehouderij.

2.2Het maatschapcontract, ondertekend op [datum] 2005, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1 (doel)

1. Partijen gaan met ingang van [datum] 2003 met elkaar een maatschap aan.

2. De maatschap is gevestigd te [plaats] onder de naam “Maatschap [maatschap]”.

3. Zij heeft ten doel het gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening exploiteren van landbouwbedrijf en al hetgeen daarmede in verband staat in de meest uitgebreide zin van het woord.

(…)

Artikel 3(inbreng)

1. Door ieder der maten wordt in de maatschap ingebracht haar kennis, arbeid, vlijt, relaties en vergunningen.

2. Door de maat sub 1 wordt tevens ingebracht:

oHaar belang van 50% in alle onroerende zaken, roerende zaken, vorderingsrechten, het kasgeld alsmede productierechten van de tot [datum] 2003 in maatschapsverband met de heer [X] gedreven onderneming;

oHaar aandeel in de nalatenschap van de heer [X], bestaande uit:

?1% volle eigendom;

?Het vruchtgebruik over de resterende 99% van de nalatenschap;

3. Door de maat sub 2 wordt tevens ingebracht haar aandeel in de nalatenschap van de heer [X], bestaande uit het bloot eigendom van 49,5% van de nalatenschap.

4. Door de maat sub 3 wordt tevens ingebracht haar aandeel in de nalatenschap van de heer [X], bestaande uit het bloot eigendom van 49,5% van de nalatenschap.”

2.3In 2004 en 2005 is de melkveehouderij beëindigd en is het gehele melkquotum verkocht. Van de behaalde verkoopwinst van het quotum is een herinvesteringsreserve gevormd als bedoeld in artikel 3.54 van de Wet IB 2001 (tekst: 2006). Op 31 december 2005 respectievelijk 1 januari 2006 stond ter zake daarvan een totaalbedrag van € 387.304 aan herinvesteringsreserve op de balans van de maatschap. Belanghebbende is gerechtigd tot 70% van dat bedrag.

2.4In het jaar 2006 heeft de maatschap een rupsgraafmachine aangeschaft voor € 250.000 (exclusief btw) en een dubbele poort met spijlenhek van € 1.134 (exclusief btw). De herinvesteringsreserve is tot die bedragen afgeboekt op de aanschaffingskosten van de machine en de poort.

2.5De maatschap heeft in dat jaar de rupsgraafmachine in ‘operational lease’ gegeven aan [vennootschap A] BV (hierna: [vennootschap A] BV). Er is in 2006 een lease-overeenkomst voor een periode van 60 maanden gesloten, waarin met betrekking tot het onderhoud en schade van de rupsgraafmachine het volgende is overeengekomen:

“Artikel 4: onderhoud en reparaties

De lessee zal de rupskraan in goede staat houden en alle noodzakelijke onderhoud, reparaties en vervanging van onderdelen uitvoeren of doen uitvoeren.

Artikel 5: verzekering en schade

a) De lessee verplicht zich de rupskraan afdoende te verzekeren en ten bewijze van verzekering jaarlijks aan de lessor een bewijs van verzekering in de vorm van een polis of op andere wijze ter beschikking te stellen.

b) Lessee verplicht zich aan de rupskraan ontstane schade zodanig te herstellen dat de rupskraan na het herstel in dezelfde staat verkeerd als voor het ontstaan van de schade. Bij onherstelbare schade is de lessee gehouden aan de lessor te vergoeden het totaalbedrag van de nog resterende termijnen, met dien verstande dat op dit bedrag een rentekorting van 5% per jaar zal worden gehanteerd. Eventueel bij schade te ontvangen verzekeringsuitkeringen komen ten goede van de lessee.”

Met ingang van [datum] 2007 zijn de rechten en verplichtingen uit die lease-overeenkomst door [vennootschap B] BV overgenomen van [vennootschap A] BV.

2.6Op 5 maart 2008 heeft de maatschap een zogeheten wheelloader aangeschaft voor € 130.000 (exclusief btw). Op dit bedrag is in 2008 de herinvesteringsreserve afgeboekt. Ook deze machine is door de maatschap aan [vennootschap B] BV in lease gegeven, waarbij de kosten van onderhoud en verzekering eveneens ten laste kwamen van de lessee.

2.7In geschil is of het beroepschrift tijdig is ingediend, en zo ja, of de inspecteur terecht de herinvesteringsreserve in de winst van 2006 heeft opgenomen.

Ontvankelijkheid

2.8In het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2007, nr. 42739, LJN AZ5902, BNB 2007/99, heeft dat college geoordeeld dat de inspecteur de bewijslast draagt van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de (bezwaar- dan wel) beroepstermijn en dat, indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat een uitspraak is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan, de bewijslast dat zulks wel het geval is geweest derhalve op de inspecteur ligt.

2.9De inspecteur heeft ter zitting verklaard geen bewijs te hebben van de verzending van de uitspraak op bezwaar van 28 mei 2010 aan belanghebbende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat die uitspraak op de dag van de dagtekening is bekendgemaakt. Niet in geschil is dat belanghebbende de uitspraak voor het eerst onder ogen heeft gekregen nadat de inspecteur een kopie daarvan heeft gestuurd op 29 september 2010. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb eindigde de termijn voor het indienen van het beroepschrift derhalve op 10 november 2010. Nu het beroepschrift op 8 november 2010 door de rechtbank is ontvangen, is het beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:9 van de Awb tijdig ingediend.

Materieel geschil

2.10Artikel 3.54, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd kan worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesteringsreserve).

2.11Ter zitting heeft [dochter] onweersproken verklaard dat bij aanvang van de maatschap in 2003 het aantal koeien in zowel de melkveehouderij als in de jongveehouderij 60 tot 65 bedroeg, dat het vee in de eigen stallen en weilanden werd gehouden en dat de maatschap geen personeel in dienst had. Na beëindiging van de melkveehouderij bedroeg het aantal stuks jongvee nog circa 35. De weilanden zijn voor zover mogelijk toen aangewend voor de teelt van gewassen zoals maïs. Het in lease geven van de machines is begonnen met de aanschaf van de rupsgraafmachine. De werkzaamheden die hiermee verband houden zijn het opstellen van de contracten en het versturen van de maandelijkse facturen.

2.12Door het afstoten van het melkvee en de verkoop van het melkquotum is naar het oordeel van de rechtbank slechts een gedeelte van de onderneming gestaakt. Immers, het andere gedeelte van de onderneming, bestaande uit de activiteiten met het jongvee, is blijven bestaan. Bij de verkoop van het melkquotum is dan ook geen sprake van een staking van de (gehele) onderneming, doch van een zelfstandig gedeelte (de melkveehouderij). In plaats van het houden van melkvee is vervolgens binnen de bestaande onderneming van de maatschap een geheel nieuwe andersoortige activiteit geëntameerd, te weten het in lease geven van machines. De daarmee gemoeide werkzaamheden bestaan uitsluitend uit het opstellen van de leasecontracten, het ter beschikking stellen van de machines en het versturen van de maandelijkse facturen.

Gelet op een en ander is de rechtbank met de inspecteur van oordeel dat door de staking van de melkveehouderij en het starten van de lease-activiteiten de oorspronkelijk uitgeoefende onderneming naar aard en karakter zodanig is gewijzigd dat de identiteit van de onderneming wezenlijk is gewijzigd. Aan dit oordeel doet niet af dat de lease-activiteiten onder dezelfde naam van de maatschap plaatsvinden en dat geen sprake is van een splitsing van de boekhouding.

In aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat bij belanghebbende in 2006 het voornemen is blijven bestaan te herinvesteren in het overgebleven deel van de onderneming (de jongveehouderij) en dat van enige uitbreiding van activiteiten die reeds binnen de onderneming werden ontplooid, dan ook geen sprake is, volgt uit het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank dat voor de vorming van een herinvesteringsreserve – behoudens voor het hierna te melden bedrag van € 1.134 – geen plaats is. De in geschil zijnde vraag of de inspecteur terecht de herinvesteringsreserve in de winst van 2006 heeft opgenomen moet derhalve bevestigend worden beantwoord.

2.13De inspecteur heeft ter zitting nader het standpunt ingenomen dat de herinvesteringsreserve wel kan worden aangewend voor afboeking op de aanschaffingskosten van € 1.134 van de dubbele poort met spijlenhek. De rechtbank acht dit standpunt juist. Derhalve dient het belastbare inkomen uit werk en woning overeenkomstig de conclusie van de inspecteur te worden verminderd tot € 279.060. Het beroep is daarom gegrond.

2.14De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.310,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en toepassing van wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 16 februari 2012 door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. J.W.M. Tijnagel, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 29 februari 2012.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.