Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV9425

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
690927 cv 11-9898
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaring afgewezen. Het oproepen van negen verschillende (rechts)personen in vrijwaring veroorzaakt onredelijke vertraging. Ook geen gedeeltelijke toewijzing, want daarvoor zou een nadere inhoudelijke beoordeling van de gestelde rechtsverhoudingen moeten plaatsvinden, hetgeen in incident niet goed mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Tilburg

zaak/rolnr.: 690927 CV EXPL 11 - 9898

vonnis d.d. 14 maart 2012

inzake

de stichting Stichting WSG,

gevestigd te Geertruidenberg,

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

gemachtigde: mr. A.P.J.M. Verbeek, advocaat te Amsterdam,

tegen

[X],

wonende te [adres],

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident,

gemachtigde: mr. J.F. Bil, advocaat te Oosterhout (N-B).

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 8 november 2011met producties;

b. de incidentele conclusie strekkende tot oproeping in vrijwaring, tevens houdende een conclusie van eis in reconventie met producties;

c. de conclusie van antwoord in het incident.

2. Het geschil

In de hoofdzaak

2.1 Eiseres in de hoofdzaak (verder te noemen WSG) vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde in de hoofdzaak (verder te noemen [X]) te veroordelen tot betaling van € 5.284.861,99, althans voor recht te verklaren dat [X] jegens WSG voor door haar geleden schade aansprakelijk is met een verwijzing naar de schadestaatprocedure en [X] te veroordelen tot het betalen aan WSG van een ex aequo en bono vast te stellen immateriële schadevergoeding, steeds vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [X] in de proceskosten.

2.2 [X] heeft aangekondigd tegen deze vorderingen verweer te zullen voeren, doch wel – voor zover rechtens toegestaan – reeds een eis in reconventie ingesteld.

In het incident

2.3 [X] vordert toestemming om de individuele leden (en gewezen leden) van de Raad van Commissarissen van WSG (te weten [Y]; [Z]; [Q]; [A]; [B] en [C]) als waarborg in vrijwaring te mogen oproepen. Daarnaast vordert [X] toestemming voor oproeping in vrijwaring van Deloitte (de accountant van WSG), van [D] (interim bestuurder van WSG) en van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. [X] stelt dat als hij op grond van de hem in de hoofdzaak door WSG gemaakte verwijten aansprakelijk wordt gehouden en schadevergoeding dient te betalen de door hem genoemde (rechts)personen hem als waarborg dienen te vrijwaren.

Hieraan wordt door hem – kort samengevat - ten grondslag gelegd:

- ten aanzien van de (gewezen) leden van de Raad van Commissarissen:

dat zij jegens [X] tekort zijn geschoten dan wel onrechtmatig hebben gehandeld door hun werkzaamheden niet naar behoren uit te voeren. Meer in het bijzonder hadden de leden van de Raad van Commissarissen moeten toezien op een juiste ontwikkeling en uitvoering van het beleid van WSG en hem - [X] - daarmee moeten behoeden voor het eventuele voornemen of uitvoeren van rechtshandelingen die niet binnen het te voeren beleid pasten. Voorts stelt [X] dat onvoldoende is toegezien op de werkzaamheden van de huidige (interim)bestuurder van WSG waardoor schade is ontstaan die bij een behoorlijk functionerende bestuurder niet zou zijn ontstaan, terwijl de gevolgen van dit beleid in de hoofdprocedure op [X] worden afgewenteld. Voor de schade die [X] door dit alles lijdt zijn de leden van Raad van Commissarissen hoofdelijk aansprakelijk.

- ten aanzien van Deloitte

dat Deloitte jegens [X] toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door de opgedragen werkzaamheden niet naar behoren te verrichten. Meer in het bijzonder stelt [X] dat Deloitte met een volledige controleopdracht jarenlang een goedkeurende accountantsverklaring heeft afgegeven en dat Deloitte de administratieve organisatie en de interne controle en beheersmaatregelen als goed heeft gekwalificeerd. Deloitte had daarentegen melding moeten maken van onjuiste (rechts) handelingen van [X], toelichting en opheldering moeten vragen en opmerkingen moeten maken in jaarrekening of accountantsverklaringen, zodat [X] behoed had kunnen worden voor de onjuiste ontwikkeling en uitvoering van het financieel beleid en de uitvoering van onjuiste (rechts) handelingen die hem in de hoofdzaak worden verweten. Deloitte is dientengevolge in voorkomend geval jegens [X] (hoofdelijk) aansprakelijk.

- ten aanzien van Ir. [D]

dat deze na zijn aantreden als interim bestuurder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de door [X] aangeboden diensten en het door [X] opgebouwde netwerk. Daardoor is de voortgang van lopende projecten gestagneerd, mede door de ruzieachtige benadering van [D] jegens derden. [D] is verder verantwoordelijk voor ongerechtvaardigde afboekingen op een reeds voorliggende jaarrekening waardoor de positie van WSG is aangetast. Bij deskundig en prudent functioneren van hem als bestuurder zou de schade die thans in de hoofdzaak op [X] wordt verhaald niet zijn opgetreden, zodat [D] [X] dient te vrijwaren voor de door WSG tegen [X] ingestelde vorderingen.

- ten aanzien van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (CFV)

dat CFV de werkzaamheden en financiën van WSG altijd als toezichthouder heeft beoordeeld en goed bevonden en dat [X] er op mocht vertrouwen dat deze toezichthouder hem zou hebben behoed voor eventuele onjuiste ontwikkelingen en/of uitvoering van beleid ten aanzien van WSG, zodat geen onjuiste (rechts) handelingen zouden zijn verricht, die [X] thans in de hoofdprocedure worden verweten. In dat kader had met [X] van gedachten gewisseld moeten worden omtrent de voorgenomen totstandkoming en/of wijziging van beleid van WSG. Nu CFV zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft verricht is door CFV jegens [X] toerekenbaar tekortgeschoten dan wel heeft CFV onrechtmatig gehandeld, hetgeen leidt tot aansprakelijkheid jegens [X]. Voorts is onvoldoende toezicht gehouden op het behoorlijk functioneren van de huidige (interim) bestuurder van WSG waardoor eveneens schade is ontstaan, die in de hoofdzaak op [X] wordt afgewenteld.

2.4 WSG concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident. Zij stelt – kort samengevat – dat de incidentele vordering niet voor alle weren is gedaan en voorts dat niet aan de vereisten voor het toelaten van vrijwaring is voldaan aangezien door [X] onvoldoende duidelijk wordt gesteld welke rechtsverhouding er tussen [X] en de beoogde waarborgen bestaat en waarom uit deze rechtsverhouding een verplichting tot vrijwaring voortvloeit. Ten slotte stelt WSG dat een doelmatige procesvoering aan toewijzing van de vordering in de weg behoort te staan. Doordat negen separate vrijwaringdossiers moeten worden opgebouwd ontstaat een niet toelaatbare vertraging in de afdoening van de hoofdprocedure.

3. De beoordeling

In het incident

3.1 Voor toewijzing van de incidentele vordering in vrijwaring is vereist, dat [X] zich voor alle weren beroept op een rechtsverhouding met derden die meebrengt dat dezen verplicht zijn om de nadelige gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak tegen [X] te dragen. Daarbij hoeft het bestaan van die rechtsverhouding in dit incident als zodanig nog niet vast te staan. Of die rechtsverhouding bestaat dient immers in de vrijwaringprocedure beslist te worden. De rechtsverhouding die [X] stelt kan ook een andere zijn dan de rechtsverhouding waarover in de procedure tussen WSG en [X] geoordeeld moet worden. Daarnaast dient de rechter de belangen van partijen te onderzoeken zowel als de eisen van een doelmatige procesvoering teneinde te kunnen beoordelen of de oproeping tot vrijwaring in de omstandigheden van het geval op haar plaats is en meer in het bijzonder of daarvan wellicht onredelijke of onnodige vertraging van de procedure te verwachten is.

3.2 Anders dan WSG stelt kan niet geoordeeld worden dat [X] zijn incidentele vordering te laat heeft ingesteld. Het processtuk draagt de titel “incidentele conclusie tot vrijwaring”. Hoewel [X] daarin eerst enige woorden wijt aan de procedure in hoofdzaak en het inhoudelijk verweer dat hij in die procedure zal gaan voeren, leidt dat niet tot de conclusie dat het incident te laat wordt voorgesteld. Het is meer dan duidelijk dat nog geen daadwerkelijk inhoudelijk verweer wordt gevoerd en dat het processtuk slechts beoogt een incidentele vordering in te stellen, behoudens de vordering in reconventie waarover hieronder meer.

3.3 In dezen is in zoverre sprake van een bijzondere situatie dat [X] negen verschillende rechtspersonen in vrijwaring wil oproepen. Uit de door [X] – zeer summier gestelde – rechtsbetrekkingen die de verschillende vrijwaringen moeten rechtvaardigen volgt dat geen sprake is van negen keer een identieke situatie in die zin dat één enkele beoordeling van een gestelde rechtsverhouding kan volstaan. Dit betekent dat in negen verschillende dossiers steeds afzonderlijk en opnieuw beslist dient te worden op de gestelde rechtsverhoudingen.

3.4 Uiteraard heeft [X] een belang bij gelijktijdige afdoening van de hoofdzaak en de procedures die hij tegen de waarborgen wil voeren, zodat hij direct weet of hij bij een eventuele veroordeling de schade zelf en zo ja, in welke mate hij die schade dan dient te dragen. [X] heeft er verder belang bij dat dezelfde rechter die in de hoofdzaak oordeelt, in één vonnis ook in de vrijwaring beslist. Het belang van [X] dient evenwel in zoverre gerelativeerd te worden dat hij ook buiten de hoofdprocedure tussen WSG en [X], zijn beoogde waarborgen in rechte kan betrekken. Tegenover het belang van [X] staat het belang van WSG om onnodige vertraging in de hoofdprocedure te voorkomen.

3.5 Het is naar het oordeel van de kantonrechter niet mogelijk onnodige vertraging in de procedure te voorkomen indien naast WSG en [X] nog negen andere partijen in de procedure betrokken worden. Immers in dat geval zal sprake zijn van tien procedures waarin uiteindelijk gelijktijdig beslist dient te worden. Dit argument wordt versterkt door het feitelijk gegeven dat in geen van de vrijwaringsprocedures dezelfde rechtsverhouding als de rechtsverhouding in de hoofdzaak aan de orde komt. Met andere woorden, de vraag of [X] in de door WSG gestarte procedure veroordeeld kan worden dient heel anders beoordeeld te worden dan de vraag of één van de waarborgen jegens [X] veroordeeld kan worden. Daarbij is verder relevant dat voor de verschillende waarborgen ook weer verschillende toetsingskaders zullen gelden, immers de rol van de verschillende (gewezen) commissarissen is niet alleen onderling verschillend, maar ook afwijkend van de rol die Deloitte als accountant vervuld heeft, afwijkend van de rol van de huidige bestuurder en afwijkend van de rol van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. Toelating van de vrijwaring zal ook daardoor naar het oordeel van de kantonrechter tot onredelijke en onnodige vertraging leiden. De kantonrechter heeft zich voorts de vraag gesteld of de incidentele vordering gedeeltelijk toegewezen zou kunnen worden om daarmee de procedure beheersbaar te houden. De kantonrechter acht dit echter ongewenst. Gedeeltelijke toewijzing zou een meer inhoudelijke beoordeling van de verschillende gestelde rechtsverhoudingen vragen, terwijl deze inhoudelijke beoordeling pas goed gemaakt kan worden in de procedures tegen de verschillende waarborgen en niet in dit incident. Gedeeltelijke toewijzing zou als neveneffect kunnen hebben dat daaruit reeds een eerste oordeel van de kantonrechter afgeleid wordt zonder dat betrokkenen daarover gehoord zijn, hetgeen te allen tijde voorkomen dient te worden.

3.5 Nu de incidentele vordering wordt afgewezen wordt de zaak naar de rol verwezen zodat [X] voor antwoord kan concluderen. Daarna zal WSG in de gelegenheid gesteld worden te reageren op de thans reeds ingediende eis in reconventie, die de kantonrechter zal behandelen als ware deze bij antwoord ingesteld. Om redenen van proceseconomie ziet de kantonrechter geen aanleiding apart te bepalen, zoals door WSG verzocht, dat de reconventionele vordering nog niet ingesteld had kunnen worden met als gevolg dat deze in het volgende processtuk door [X] opnieuw moet worden ingesteld.

3.6 Over de proceskosten zal beslist worden in het eindvonnis.

In de hoofdzaak

3.7 De hoofdzaak zal worden verwezen naar de hierna te melden rolzitting voor het nemen van een conclusie van antwoord door [X]. Daarna dient WSG te reageren op de eis in reconventie. Aan partijen wordt gevraagd zich in hun conclusies uit te laten over de wenselijkheid van een mogelijke comparitie.

3.8 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

In het incident

wijst de vordering van [X] af;

In de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 11 april 2012 te 11.00 uur voor conclusie van antwoord door [X].

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2012.