Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV9377

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
697915 az 12-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek van de werkneemster afgewezen.Van een verandering in de omstandigheden zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 7:685 BW die noopt tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd is geen sprake. Hetgeen primair door de werkneemster beoogd wordt met het ontbindingsverzoek d.d. 3 januari 2012 -een einde van de arbeidsovereenkomst- was immers al bereikt door de opzegging van de arbeidsovereenkomst met gebruikmaking van de ontslagvergunning door de werkgever op 10 november 2011 tegen 29 februari 2012, terwijl de omstandigheden nadien niet gewijzigd zijn. De vernietiging van de opzegging, waarvoor geen juridische verplichting bestaat, is in dit geval door de werkneemster kennelijk alleen maar ingeroepen om op die manier een door haar zelf te entameren ontbindingsprocedure mogelijk te maken teneinde in die procedure een vergoeding te kunnen claimen gebaseerd op de kantonrechtersformule.

Het aan het einde van de zitting door de werkgever mondeling ingediende voorwaardelijke tegenverzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wordt niet ontvankelijk verklaard. Voldoet niet aan de voorwaarden en is bovendien in strijd met goede procesorde.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 663
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/103
AR-Updates.nl 2012-0264
JAR 2012/103

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team kanton Tilburg

zaak/rolnr.: 697915 AZ VERZ 12-1

beschikking van 6 maart 2012

inzake

[X],

wonende te Tilburg,

verzoekster, verweerster inzake het voorwaardelijke tegenverzoek (hierna te noemen: [X]),

gemachtigde: mr. J.J.M. Cliteur, advocaat bij Van der Kruijs Advocaten te ‘s-Hertogenbosch,

tegen:

de naamloze vennootschap [de N.V.],

gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

verweerster, verzoekster inzake het voorwaardelijke tegenverzoek (hierna te noemen: [de N.V.]),

gemachtigde: mr. P.W.H.M. Willems, advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn Advocaten en Notarissen te Den Haag.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 3 januari 2012 ter griffie ontvangen voorwaardelijk verzoekschrift met producties;

b. het op 10 februari 2012 ter griffie ontvangen verweerschrift met producties;

c. de bij brieven van 8 februari 2012 en 13 februari 2012 door de gemachtigde van [X] toegezonden aanvullende producties;

d. de bij brief van 14 februari 2012 door de gemachtigde van [de N.V.] toegezonden aanvullende productie.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012. Ter zitting waren aanwezig namens [de N.V.], mr. M.P.J. Letschert (bestuursvoorzitter), bijgestaan door mr. Willems, alsmede [X] in persoon, bijgestaan door mr. Cliteur. De gemachtigden van [X] en [de N.V.] hebben ter zitting pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Ter zitting is geen minnelijke regeling bereikt.

2. Het verzoek

2.1 [X] heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen – voor zover die nog bestaat – op korte termijn te ontbinden met toekenning van een vergoeding aan haar van € 80.084,00 bruto en met veroordeling van [de N.V.] in de proceskosten.

2.2 [de N.V.] heeft verzocht [X] in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen met veroordeling van [X] in de proceskosten. Verder heeft [de N.V.] ter zitting mondeling een zelfstandig tegenverzoek gedaan om de overeenkomst tussen partijen – voor zover die nog bestaat – op korte termijn te ontbinden op grond van bedrijfseconomische redenen zonder toekenning van een vergoeding. [X] heeft zich tegen dat verzoek verzet.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staan de volgende feiten vast.

a. [X], geboren op [geboortedatum], is op 1 februari 1996 in dienst getreden bij (de rechts-voorganger van) [de N.V.] en is laatstelijk werkzaam in de functie van medewerkster externe incasso. Het salaris van [X] bedraagt € 3.227,37 bruto per maand exclusief vakantie-toeslag en overige emolumenten.

b. Zes (voormalig) vennoten van [de N.V.] hebben dat kantoor met ingang van 1 september 2011 verlaten en zijn met ingang van die datum een eigen kantoor begonnen onder de naam NeXT Advocaten.

c. In een gesprek dat heeft plaatsgevonden op 5 september 2011, aansluitend op de vakantie van [X], heeft mr. Letschert [X] geïnformeerd over het standpunt van [de N.V.] ten aanzien van de gerezen situatie. [de N.V.] heeft zich op het standpunt gesteld dat de praktijken van de zes vertrokken vennoten een onderneming zijn als bedoeld in artikel 7:662 e.v. van het BW. Omdat [X] bij [de N.V.] werkzaam was in de incassopraktijk, veelal voor cliënten van mr. [Y], één van de vertrokken vennoten, is [de N.V.] van mening dat de arbeids-overeenkomst met [X] per 1 september 2011 met alle rechten en plichten is overgegaan op NeXT Advocaten en dat zij per diezelfde datum van rechtswege in dienst is gekomen van NeXT Advocaten. [de N.V.] zou haar daarom geen werkzaamheden meer opdragen en zij had ook niet meer de verplichting c.q. het recht om op het kantoor van [de N.V.] aanwezig te zijn.

d. Bij brief van 5 september 2011 aan [X] heeft de toenmalige gemachtigde van [de N.V.] het bovenvermelde standpunt van [de N.V.] bevestigd.

e. [X] heeft [de N.V.] vervolgens gesommeerd haar weer tot de bedongen werkzaamheden toe te laten onder continuering van de overige verplichtingen van [de N.V.], waaronder de salarisbetalingen.

f. Bij brief van 22 september 2011 heeft [de N.V.] bij het UWV WERKbedrijf Eindhoven

– voor zover vereist, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst na 1 september 2011 nog zou bestaan – een ontslagvergunning voor [X] aangevraagd op grond van bedrijfseconomische redenen. [X] heeft in twee ronden inhoudelijk verweer gevoerd.

g. Bij e-mail van 29 september 2011 heeft de toenmalige gemachtigde van [de N.V.] de gemachtigde van [X] onder meer het volgende bericht: “(…) De argumentatie voor de voorwaardelijke ontslagvergunning wegens bedrijfseconomische redenen heeft uw cliënte kunnen lezen in mijn brief aan UWV WERKbedrijf van 22 september 2011, die ik u op dezelfde datum per e-mail toestuurde. Uw cliënte ziet zich, zo begrijp ik, gedwongen een kort geding te beginnen omdat zij na september 2011 moet vrezen voor de continuering van haar inkomen. Die vrees -en daarmee het spoedeisend belang- kan ik namens het dagelijks bestuur wegnemen: mijn cliënte is bereid ook na deze maand aan uw cliënte maandelijks een bedrag gelijk aan haar netto salaris te betalen zulks, tot en met het einde van de opzegtermijn (of zoveel eerder als uw cliënte elders aanspraak op salaris heeft c.q. deze geldend heeft gemaakt). Overigens voorziet ook het aanbod dat ik deed erin de financiële gevolgen van het einde van de arbeidsovereenkomst met mijn kantoor te verzachten, zodat ik dat nogmaals in de aandacht van uw cliënte aanbeveel.”

h. Bij beslissing van 7 november 2011 heeft het UWV [de N.V.] toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [X] te beëindigen. Bij brief van 10 november 2011 heeft [de N.V.] van de verleende ontslagvergunning gebruik gemaakt en heeft zij de arbeidsovereenkomst van [X] – voor zover er nog een arbeidsovereenkomst bestond – opgezegd tegen 29 februari 2012.

i. Bij brief van 3 januari 2012 heeft [X] de vernietiging van die opzegging ingeroepen ex artikel 7: 670a lid 1 sub a BW in verbinding met de artikelen 7:677 lid 5 en 7:683 lid 2 BW, stellend dat zij geplaatst is op de kandidatenlijst voor de ondernemingsraad voor de vestiging Tilburg.

j. Bij dagvaarding van 9 januari 2012 heeft [X] tevens een procedure aanhangig gemaakt waarin de kantonrechter verzocht wordt om voor recht te verklaren dat aan de arbeids-overeenkomst tussen partijen geen einde is gekomen door overgang van onderneming en/of door opzegging, zodat deze vanaf 1 september 2011 voortduurt totdat daaraan op rechtsgeldige wijze een einde zal zijn gekomen.

3.2 [X] heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst nog zou bestaan. Volgens [X] bestaat de arbeidsovereenkomst nog indien in voormelde dagvaardingsprocedure komt vast te staan dat:

1. er geen sprake was van een overgang van onderneming per 1 september 2011;

2. er sprake was van plaatsing van [X] op de OR-kandidatenlijst, waardoor zij terecht de vernietiging van de opzegging heeft ingeroepen.

Aan het ontbindingsverzoek en de noodzaak om zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen heeft [X] het volgende ten grondslag gelegd.

[de N.V.] heeft zich niet als een goed werkgever gedragen, doordat zij op geen enkele manier is voorbereid op het standpunt van [de N.V.]. Eerst op de dag waarop zij terugkeerde van vakantie is [X] van dat standpunt op de hoogte gesteld. Zij werd vervolgens gedwongen het kantoor te verlaten zonder dat zij op behoorlijke wijze afscheid kon nemen van collega’s, laat staan van cliënten. [X] is bovendien van mening dat er andere redenen ten grondslag liggen aan haar directe op non-actiefstelling. Door [de N.V.] is met zoveel woorden uitgesproken dat [X] door [de N.V.] als lastig wordt ervaren. De argumentatie met betrekking tot de overgang van onderneming komt [de N.V.] bijzonder goed uit om af te komen van een kritische en onafhankelijk denkende medewerkster. De constatering dat [de N.V.] [X] als medewerk-ster binnen het bedrijf niet langer tolereert blokkeert evident een vruchtbare terugkeer van [X] binnen de organisatie van [de N.V.]. Het is om die reden dat [X] de kantonrechter verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

Aan [X] moet daarbij een vergoeding worden toegekend. Dit vloeit volgens [X] voort uit de omstandigheid dat [de N.V.] zich jegens [X] niet als goed werkgever heeft gedragen. [X] is immers, zoals eerder al gezegd, op diffamerende wijze uit de organisatie verwij-derd en met betrekking tot haar vertrek heeft geen enkele adequate communicatie plaats-gevonden. Ook is [X] niet in staat geweest afscheid te nemen van haar directe collega's. Een dergelijke wijze van optreden jegens een werkneemster, die een bijna zestienjarig dienstverband onberispelijk heeft volgemaakt, levert op dat een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid dient te worden vastgesteld ten laste van [de N.V.]. De noodzaak om te komen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is veroorzaakt door en ligt in de risicosfeer van [de N.V.], zodat daarbij de correctiefactor op 1,5 dient te worden gehouden. Van belang is daarbij dat [X] geen nieuwe betrekking heeft gevonden of een daarmee gelijk te stellen vooruitzicht. In het bijzonder heeft dat te gelden voor een arbeidsovereenkomst met NeXT Advocaten. [X] is alleenstaand en kostwinner. Zij heeft in het licht van de huidige omstandigheden, mede gelet op haar leeftijd, te vrezen voor een lange periode van werkloosheid, waarbij voorts nog heeft te gelden dat een nieuwe betrekking haar niet dezelfde arbeidsvoorwaarden zal brengen als die zij bij [de N.V.] had, aldus [X].

3.3 [de N.V.] heeft in haar verweer onder meer een beroep gedaan op de uitspraak van de Hoge Raad van 11 december 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BJ9069). [X] maakt op oneigenlijke wijze gebruik van de artikel 685-procedure en probeert [de N.V.] aldus procedureel te benadelen. [X] heeft geen gewichtige redenen of gewijzigde omstandigheden gesteld die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in de opzegtermijn en daarmee eerder dan de datum waartegen is opgezegd (voorwaardelijk) zal moeten eindigen. Haar verzoek dient daarom te worden afgewezen. Subsidiair heeft te gelden dat ingeval van inwilliging van het verzoek, bij het bepalen van de vergoeding rekening gehouden dient te worden met het op korte termijn eindigen van de arbeidsover-eenkomst door de opzegging. De vergoeding kan dan ook slechts betrekking hebben op de zeer korte periode die de arbeidsovereenkomst zonder de ontbinding had voortgeduurd. Voorts dient bij het bepalen van de ontbindingsvergoeding er mee rekening te worden gehouden dat [X] wellicht aanspraak kan maken op een vergoeding op grond van artikel 7:681 BW. Anders gezegd: de vraag of vanwege het eindigen van de arbeidsovereenkomst door opzegging aanspraak bestaat op een vergoeding, dient beantwoord te worden in een procedure als bedoeld in artikel 7:681 BW.

3.4 De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van het eerste lid van artikel 7:685 BW kan ieder van partijen zich te allen tijde tot de kantonrechter wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. Als gewichtige redenen worden in het tweede lid van artikel 7:685 BW beschouwd omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 677 lid 1 BW zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn, alsook veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De kantonrechter stelt vast dat de omstandigheid die [X] aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, te weten de constatering dat [de N.V.] [X] als medewerkster binnen het bedrijf niet langer tolereert hetgeen evident een vruchtbare terugkeer van [X] binnen de organisatie van [de N.V.] blokkeert, zich reeds voordeed op het moment dat [de N.V.] de ontslagvergunning (voor zover vereist) voor [X] verkreeg en daarvan gebruik maakte. Dit wordt door [X] zelf ook met zoveel woorden erkend. In de pleitnota van [X] valt het volgende te lezen: “Onweersproken is dat 5 september 2011 het eerste moment is waarop cliënte is geconfronteerd met het standpunt van [de N.V.] dat van overgang van onderneming en dus het vertrek van cliënte sprake zou zijn. Die wijze van handelen, is, in het licht van een onberispelijk zestienjarig dienstverband, zo onfatsoenlijk dat reeds op dat moment van cliënte feitelijk niet meer kon worden verwacht dat zij nog enige hoop zou koesteren op een vruchtbare samenwerking met [de N.V.]. Voorzover die hoop bij cliënte nog bestond, werd die vervolgens door de wijze waarop [de N.V.] zich ten aanzien van cliënte opstelde, volledig weggenomen doordat [de N.V.], met succes, betoogde dat als gevolg van het vertrek van de zes vennoten en een aantal personeelsleden minder werk zou zijn en er binnen de organisatie van [de N.V.] voor cliënte geen plaats meer zou zijn (…).” Van een verandering in de omstandigheden zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 7:685 BW die noopt tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake. Hetgeen primair door [X] beoogd wordt met het onderhavige ontbindingsverzoek -een einde van de arbeidsovereen-komst- was immers ook al bereikt door de opzegging van de arbeidsovereenkomst met gebruikmaking van de ontslagvergunning door [de N.V.] op 10 november 2011 tegen 29 februari 2012, terwijl de omstandigheden nadien niet gewijzigd zijn. De vernietiging van de opzeg-ging, waarvoor geen juridische verplichting bestaat, is in dit geval door [X] kennelijk alleen maar ingeroepen om op die manier een door haar zelf te entameren ontbindings-procedure mogelijk te maken teneinde in die procedure een vergoeding te kunnen claimen gebaseerd op de kantonrechtersformule. Want werkhervatting is door [X] na die vernietiging niet gevorderd, terwijl [X] in de ontslagprocedure bij het UWV WERKbedrijf ook met geen woord heeft gerept over haar gestelde plaatsing op de OR-kandidatenlijst. Het had na de gebruikmaking van de verleende ontslagvergunning door [de N.V.] voor de hand gelegen c.q. ligt na de afwijzing van het onderhavige ontbindingsverzoek bij gebreke van een gewichtige reden nog steeds voor de hand dat [X] de vraag, of zij aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de beëindiging van de arbeidsover-eenkomst door de door [de N.V.] gedane opzegging, aanhangig maakt via een dagvaardings-procedure aan de hand van het bepaalde in artikel 7:681 BW. In een dergelijke procedure kunnen alle door [X] genoemde aspecten (o.a. slecht werkgeverschap van [de N.V.] en het haar door [de N.V.] onthouden van een passende functie) in de volle omvang worden voorgelegd en beoordeeld. In dat verband merkt de kantonrechter ten overvloede nog op dat hem van een overgang van onderneming vooralsnog niet is gebleken. [de N.V.] heeft haar standpunt in dat opzicht volstrekt onvoldoende onderbouwd.

3.5 Wat betreft het ter zitting door [de N.V.] gedane mondelinge voorwaardelijke ontbindings-verzoek overweegt de kantonrechter als volgt. In Tekst en Commentaar Arbeidsrecht 2010, artikel 7:685 BW, aantekening 8 onder a. staat dat een eventueel tegenverzoek moet worden gedaan bij verweerschrift en dat een verweerschrift kan worden ingediend tot de aanvang van de mondelinge behandeling. In het onderhavige geval is aan die voorwaarden niet voldaan, omdat het tegenverzoek mondeling helemaal aan het einde van de zitting (in de tweede termijn) is gedaan. Ook in haar pleitnota heeft mr. Willems met geen woord gerept over een tegenverzoek. Los daarvan acht de kantonrechter het tegenverzoek in dit geval bovendien in strijd met de goede procesorde, omdat [X] – door de keuze van [de N.V.] om het tegen-verzoek zo laattijdig in te dienen – geen behoorlijke mogelijkheid heeft gehad om verweer te voeren. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [de N.V.] niet ontvankelijk is in haar tegenverzoek. Dat laat uiteraard onverlet de mogelijkheid voor [de N.V.] om, wanneer zij dat wenst, alsnog een deugdelijk voorwaardelijk ontbindingsverzoek in te dienen.

3.6 De omstandigheden van het geval geven aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek van [X] af;

verklaart [de N.V.] niet ontvankelijk in haar tegenverzoek;

compenseert de kosten van deze procedure zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2012.