Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV8872

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
698597 mb-12-19 / 698598 mb 12-20 / 698599 mb 12-21 / 698605 md 12-22
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Ook Wet Mulder genaamd.

Beslissing op verzoek officier van justitie te Leeuwarden tot machtiging toepassen dwangmiddel gijzeling (art. 28, lid 1 WAHV).

Kantonrechter gaat uitgebreid in op de door het CJIB/CVOM toegepaste procedure in dat verband, waaronder de niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur.

Stortvloed van verzoeken tot machtiging toepassen dwangmiddel gijzeling.

Kantonrechter oordeelt dat indien in de voorfase wel de benodigde zorgvuldigheid zou zijn betracht de officier van justitie nooit tot deze vier verzoeken had mogen komen. Uitvoerende organen kijken helaas niet verder dan één zaak!

Kantonrechter betreurt het dat hij dit soort beschikkingen moet wijzen om een "signaal" af te geven.

Beslissing: Kantonrechter wijst de onderhavige vier verzoeken af.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/58 met annotatie van mr. dr. J.W. van der Hulst
NJFS 2012/123
VR 2013/19

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

zaaknummers: 698597 MD 12-19, 698598 MD 12-20, 698599 MD 12-21,

698605 MD 12-22

CJIB-nummers: 139201955, 137514626, 137403992, 133839726

uitspraak: 8 maart 2012

Op de in het openbaar gehouden zitting van 8 maart 2012 is mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, bijgestaan door J.C.M. Franken als griffier, overgegaan tot de mondelinge behandeling van het verzoek dwangmiddel gijzeling, gevorderd door de officier van justitie in de zaken met bovengenoemde CJIB-nummers, van de betrokkene:

naam: [betrokkene]

adres: [adres]

Betrokkene is verschenen in persoon.

Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden, welke aantekeningen worden geacht deel uit te maken van dit proces-verbaal.

1. De beoordeling

1.1 De kantonrechter heeft op grond van de navolgende overwegingen een beslissing genomen, welke beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1.2 De officier van justitie te Leeuwarden grondt zijn/haar verzoeken tot afgifte van een machtiging tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling op het feit, dat een viertal administratieve sancties, met hierboven genoemde CJIB beschikkingsnummers, en de daarop vallende verhogingen, door betrokkene niet zijn betaald. In alle vier de zaken betreft het hierbij overtredingen met de omschrijving “Voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”. In alle vier de zaken gaat het om een verschuldigd bedrag van € 168,75 (zijnde de sanctie van € 90,00 inclusief € 78,75 aan verhogingen). Zou de kantonrechter deze vorderingen toewijzen dan machtigt hij de betrokken officier van justitie betrokkene te gijzelen voor de duur van 12 dagen (ofwel 4 x 3 dagen). De officier vraagt overigens in alle vier de zaken om een machtiging voor de duur van 7 (zeven) dagen. Dus in totaal 28 (achtentwintig) dagen!

1.3 In alle vier de zaken treft de kantonrechter dezelfde standaardonderbouwing aan waarom de officier van justitie nu van mening is, dat hij/zij denkt, dat de kantonrechter deze vorderingen zou moeten toewijzen.

Het begint met de vaststelling dat betrokkene de opgelegde sancties ook na een eerste en een tweede aanmaning, met steeds van rechtswege verhogingen, onbetaald heeft gelaten.

Vervolgens stelt de officier van justitie dat hij/zij heeft getracht verhaal zonder dwangbevel toe te passen. Dit zou niet mogelijk zijn gebleken. De officier onderbouwt dit echter op geen enkele wijze.

Verder is geen verhaal zonder dwangbevel geïnitieerd omdat de deurwaarder geen verhaalsmogelijkheden aanwezig achtte. Ook deze stelling onderbouwt de officier van justitie op geen enkele wijze. Ook over de beide andere dwangmiddelen, het inleveren van het rijbewijs en het buiten gebruikstellen van het voertuig, worden slechts algemene opmerkingen gemaakt in die zin dat het niet mogelijk zou zijn gebleken om deze dwangmiddelen toe te passen. Echter ook deze stellingen worden niet onderbouwd.

1.4 Door het ontbreken van een concrete onderbouwing van de officier van justitie heeft de kantonrechter ook geen mogelijkheden om te toetsen of nu inderdaad het zwaarste dwangmiddel, te weten: gijzeling, geïndiceerd is.

1.5 Betrokkene heeft ter zitting aangevoerd dat de onderhavige auto, waarop de geconstateerde overtredingen betrekking hebben al in 2006 door een erkend sloopbedrijf is gesloopt. Hij heeft toen ook alle autopapieren ingeleverd en hij dacht dat hij daarmee aan al zijn verplichtingen als kentekenhouder had voldaan. Pas later bleek dat dit niet het geval was. Hij is de afgelopen 5 jaren overspoeld met boetes, wegens het niet verzekerd hebben en niet APK gekeurd hebben van deze -niet meer bestaande- auto. Hij heeft hiervoor al vele boetes betaald en er lopen nog diverse boetes met daarbij behorende procedures. Pas in januari 2012 ontving hij de brief van RDW, Divisie Registratie en Informatie, te Veendam d.d. 11 januari 2012 waarin hem is medegedeeld, dat het voertuig met het kenteken FR-DL-60 vanaf 11 januari 2012 staat geregistreerd als gedemonteerd. De RDW deelt hierbij mede, dat niet uitgesloten wordt, dat het voertuig al eerder gedemonteerd is. De RDW kan het kenteken echter niet met terugwerkende kracht ongeldig verklaren, omdat dan het kentekenregister niet meer zuiver is.

1.6 Betrokkene lijkt nu vanaf laatstgenoemde datum gevrijwaard van registercontroles met betrekking tot het voertuig met dat kenteken, waarbij steeds opnieuw geconstateerd werd dat dit voertuig niet verzekerd en niet APK gekeurd was. Kort gezegd: ongeveer iedere 4 (vier) maanden twee boetes en dat gedurende ongeveer 5 jaar. Het is bijna een feit van algemene bekendheid dat dit soort registercontroles met een frequentie van 1x per 4 maanden wordt uitgevoerd.

1.7 Natuurlijk dienen deze registercontroles te worden uitgevoerd. Dit ter controle op de naleving van de wettelijke verzekeringsplicht en de APK-keuringsplicht. Hiermee worden (mede) de belangen van de overige verkeersdeelnemers gediend.

1.8 Natuurlijk is betrokkene in 2006 tekort geschoten in de nakoming van zijn wettelijke verplichtingen als kentekenhouder. Hij had er op dat moment (de sloop) zelf op moeten toezien dat het onderhavige kenteken van zijn naam afging. Een andere vraag is of hij vervolgens ook jarenlang met de negatieve gevolgen van dit tekortschieten dient te worden geconfronteerd, bestaande uit een schijnbaar eindeloze reeks van boetes.

De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend.

1.9 De kantonrechter is van oordeel, dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) haar uitvoerende organen het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) dusdanig dient in te richten, dat situaties, zoals de onderhavige, zich niet jarenlang kunnen voordoen.

1.10 Het systeem is nu zo ingericht dat in iedere individuele zaak het gehele traject doorlopen wordt. In een zogenaamd Mulderfeit (WAHV) betekent dit: oplegging initiële sanctie,

1e aanmaning plus 1e verhoging, 2e aanmaning met 2e verhoging, verhaal met of zonder dwangbevel, inleveren rijbewijs, stilzetten voertuig en ten slotte het dwangmiddel gijzeling.

In iedere afzonderlijke zaak wordt dit traject doorlopen zonder te kijken of er wellicht meerdere soortgelijke overtredingen op naam van dezelfde persoon staan met betrekking tot hetzelfde voertuig. Gevolg is dat niet alleen deze persoon onevenredig wordt getroffen maar ook dat het gehele systeem, inclusief de rechterlijke macht, enorm wordt belast.

1.11 Wat is nog eenvoudiger dan in het geautomatiseerde systeem “een piepsysteem” in te bouwen waarin deze stortvloed aan overtredingen bij eenzelfde persoon (en met betrekking tot hetzelfde voertuig) wordt geconstateerd?

1.12 De kantonrechters worden bij iedere zogenaamde mulderzitting weer “overspoeld” met tientallen en soms honderdtallen verzoeken van de officier van justitie te Leeuwarden tot afgifte van een machtiging tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling. Het kan toch niet de bedoeling zijn van onze staat dat al deze “wanbetalers” na verleende machtiging tot gijzeling door de politie worden opgepakt en in een cel geplaatst teneinde te bereiken dat zij hun openstaande boetes betalen en dat terwijl minder ingrijpende dwangmiddelen niet dan wel onvoldoende worden toegepast. Wat kost dit de staat en wie wordt hier beter van?

1.13 De kantonrechter betreurt het dat hij dit soort beschikkingen moet schrijven/wijzen in de hoop dat hier wellicht een “signaalwerking” vanuit gaat die leidt tot een verandering van dit systeem.

1.14 Deze procedure maakt deel uit van een administratiefrechtelijke rechtsgang waarbij ook voor het CJIB en het Openbaar Ministerie (in dit geval de officier van justitie te Leeuwarden) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gelden. Dit betekent onder meer dat een besluit op een deugdelijke/zorgvuldige wijze dient te worden voorbereid en gemotiveerd.

Ook de uitkomst van dit proces dient redelijk te zijn. We spreken dan over naleving van het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het redelijkheidsbeginsel. De personen, over wie geoordeeld c.q. beslist wordt, vormen geen “eenheidsworst” maar verdienen een behandeling waarbij rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden van hun geval.

1.15 Bovenstaande betekent dat de kantonrechter hierna de onderhavige vier verzoeken tot afgifte van een machtiging tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling gaat afwijzen.

Indien het CJIB en de betrokken officier van justitie op een deugdelijke wijze naar deze zaken hadden gekeken, hadden ze nooit tot deze verzoeken kunnen komen.

1.16 De kantonrechter realiseert zich dat hij met deze afwijzing het probleem van betrokkene niet oplost. Immers de onderhavige 4 (vier) zaken (en nog vele andere) blijven openstaan. Betrokkene heeft op 26 februari 2012 alweer een dwangbevel ontvangen in de zaak met CJIB-nummer 149295067, waarin de oorspronkelijke sanctie van € 90,00 door invorderingskosten inmiddels is opgelopen tot € 241,38. Het gaat hierbij om een zoveelste overtreding (een APK-keuring) met betrekking tot dezelfde auto.

De vraag rijst wie stopt dit proces ten behoeve van betrokkene? De kantonrechter beschikt hiertoe niet over de wettelijke mogelijkheden anders zou hij het doen.

2. De beslissing

De kantonrechter:

wijst bovengenoemde 4 (vier) verzoeken tot afgifte van een machtiging tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling af.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van donderdag 8 maart 2012.

Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, doch alleen indien:

a. de bij deze beslissing opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of

b. het beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom, Postbus 118, 4600 AC Bergen op Zoom, en dient door degene die bij de sector kanton beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.

U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.

Datum toezending beslissing