Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV8859

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
639776 mb 11-1
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV).

Verzet tegen door officier van justitie uitgevaardigde kennisgeving van verhaal zonder dwangbevel.

Heel bijzondere casus!

Tot driemaal toe wordt door of namens de betrokken officier van justitie niet gereageerd op een verzoek van de kantonrechter om -gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval- de opgelegde initiële administratieve sanctie in heroverweging te nemen.

Kantonrechter acht deze handelwijze "hoogst ongepast".

Kantonrechter besluit uiteindelijk het onderhavige verzet maar af te doen.

Beslissing: Verklaart het verzet gegrond met vernietiging van de opgelegde kennisgeving van verhaal.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/55
VR 2013/20

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

zaaknummer: 639776 \ MZ VERZ 11-1

CJIB-nummer: 139273733

uitspraak: 8 maart 2012

Beslissing

Op de in het openbaar gehouden zitting van 9 februari 2012 is mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, bijgestaan door S.J. Roefs als griffier, overgegaan tot de mondelinge behandeling van het verzet dat is gedaan tegen de tenuitvoerlegging van de door de officier van justitie uitgevaardigde kennisgeving van verhaal zonder dwangbevel met bovenvermeld CJIB-nummer.

Het verzetschrift is ingediend door:

naam : [betrokkene]

adres : [adres], nader ook te noemen: betrokkene,

Betrokkene is, met voorafgaande instemming van de kantonrechter, niet ter zitting verschenen.

De officier van justitie is niet ter zitting verschenen.

1. De verdere beoordeling

1.1 De kantonrechter heeft de behandeling van deze zaak tot tweemaal toe aangehouden met als duidelijk geformuleerd doel om de officier van justitie te Leeuwarden in de gelegenheid te stellen de opgelegde initiële sanctie te heroverwegen. De kantonrechter is namelijk van oordeel, dat het nooit tot deze procedure had mogen komen. Een procedure die de kantonrechter formeel juridisch geen andere mogelijkheid biedt dan het uitspreken van een gegrondverklaring dan wel ongegrondverklaring van dit verzet. Maar ook met een eventuele gegrondverklaring van dit verzet schiet betrokkene niets op omdat daarmee de initiële sanctie niet van tafel is. Om die reden heeft de kantonrechter ervoor gekozen aan de bevoegde officier van justitie om een heroverweging van deze sanctie te vragen. Een alleszins redelijke uitkomst van deze heroverweging zou zijn geweest de vaststelling dat betrokkene de verweten gedraging weliswaar heeft gepleegd maar dat de omstandigheden waaronder deze gedraging gepleegd is, een matiging tot nihil van deze opgelegde sanctie rechtvaardigen. De officier van justitie kan ook concluderen dat de sanctie -gelet op diezelfde omstandigheden- nooit had moeten worden opgelegd.

1.2 Om het procesverloop in deze procedure duidelijk weer te geven zal de kantonrechter hierna eerst herhalen wat hij in het proces-verbaal van 1 september 2011 en in zijn tussenbeschikking van 24 november 2011 heeft overwogen.

1.3 Op 1 september 2011 overweegt hij dat voor het doen van verzet geldt de in artikel 27 zesde lid Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) gestelde termijn van één week na betekening van de kennisgeving van verhaal. De dagtekening van de kennisgeving van verhaal is 22 december 2010. Het verzetschrift van betrokkene is op 8 januari 2011 ontvangen. Dat is te laat.

1.4 De kantonrechter overweegt verder dat betrokkene zich beroept op verschoonbare termijnoverschrijding. Kijkend naar alle omstandigheden in deze zaak acht de kantonrechter bovengenoemde termijnoverschrijding ook verschoonbaar. Aan betrokkene is op 9 maart 2010 een initiële beschikking opgelegd voor het overschrijden van de maximumsnelheid van 8 km/h op 28 februari 2010 om 19.50 uur op de Leursebaan in Prinsenbeek, gemeente Breda. Betrokkene erkent de verweten gedraging, maar heeft aangegeven dat op die bewuste dag haar dochter is verkracht. Betrokkene was ten tijde van de verweten gedraging op weg naar het politiebureau om haar dochter op te halen. Door de heftige gebeurtenis heeft betrokkene niet op de snelheid gelet en heeft zij de maximumsnelheid overschreden. Na ontvangst van de initiële beschikking heeft de teamleiding van de districtsrecherche Breda een e-mail verzonden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) te Leeuwarden om de situatie van betrokkene uit te leggen en de boete ongedaan te (laten) maken/vernietigen. Abusievelijk is het betreffende e-mailbericht niet naar de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) te Utrecht verzonden, maar naar het CJIB te Leeuwarden. Doorzending van deze e-mail heeft kennelijk niet plaatsgevonden! De opgelegde sanctie is (mede) om die reden in stand gebleven.

1.5 Na de tenuitvoerlegging van de kennisgeving van verhaal zonder dwangbevel heeft betrokkene een verzetschrift ingediend bij de kantonrechter te Bergen op Zoom en daarnaast beroep ingesteld bij de kantonrechter te Breda. Betrokkene had geen zekerheid gesteld en is door de kantonrechter te Breda in de gelegenheid gesteld om alsnog zekerheid te stellen. Door het ongeveer gelijktijdig moeten betalen van het griffierecht in onderhavig verzetschrift en de betaling van de zekerheid in het beroepschrift alsmede de heftige gebeurtenissen in het gezin van betrokkene, heeft betrokkene wel het griffierecht betaald in onderhavige zaak, maar niet de zekerheid gesteld in de beroepsprocedure. Het beroepschrift is om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

1.6 Gelet op het vorenstaande, en dan in het bijzonder het eerdere verzoek van de teamleiding van de districtsrecherche te Breda overweegt de kantonrechter op 1 september 2011 dat de officier van justitie te Leeuwarden in de gelegenheid wordt gesteld om de initiële sanctie in heroverweging te nemen. De kantonrechter wenst dat deze zaak aan de officier van justitie persoonlijk wordt voorgelegd. De kantonrechter: verwijst de zaak naar de zitting van donderdag 24 november 2011 te 10.30 uur, teneinde de officier van justitie te Leeuwarden in de gelegenheid te stellen de initiële sanctie in heroverweging te nemen.

1.7 Op 24 november 2011 overweegt de kantonrechter dat de zaak ter terechtzitting van 1 september 2011 is aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen te reageren op de inhoud van het verzetschrift, hetgeen ter zitting naar voren is gebracht en het verzoek van de kantonrechter om de zaak in heroverweging te nemen.

De officier van justitie heeft op de zitting van 24 november 2011 echter (opnieuw) geen reactie, zoals door de kantonrechter verzocht, ingediend.

1.8 De kantonrechter overweegt in zijn tussenbeschikking van 24 november 2011 verder dat hij het onbegrijpelijk vindt dat het CJIB kennelijk het belang van betrokkene niet voldoende acht om zijn verzoek binnen de gestelde termijn te (laten) behandelen.

Zeker nu na telefonisch contact op 23 november 2011 is gebleken dat het dossier nog op ‘de plank’ lag ter behandeling, terwijl de zaak was verwezen naar de zitting van 24 november 2011.

1.9 Gelet op de situatie van betrokkene, het eerdere verzoek van de teamleiding van de districtrecherche te Breda en het proces-verbaal van terechtzitting van 1 september 2011 besluit de kantonrechter op 24 november 2011 de officier van justitie te Leeuwarden nogmaals in de gelegenheid te stellen de zaak nader te bestuderen en in overweging te nemen de initiële sanctie in te trekken, danwel de sanctie te matigen tot nihil. Hierbij geeft de kantonrechter onderstreept aan:

“Ook nu weer wenst de kantonrechter dat de zaak aan de officier van justitie persoonlijk wordt voorgelegd.” De kantonrechter verwijst de zaak naar de zitting van donderdag 9 februari 2012 te 10.30 uur met voornoemd doel.

1.10 Op 9 februari 2012 stelt de kantonrechter vast, dat opnieuw geen enkele reactie van de zijde van de bevoegde officier van justitie is binnengekomen. Gelet op dit handelen door of namens de bevoegde officier van justitie heeft de kantonrechter aanleiding gezien om deze zaak en in het bijzonder de handelwijze van het bevoegde openbaar ministerie (OM) hierin “aan te kaarten c.q. voor te leggen bij de president van deze rechtbank”. Of dit enig resultaat zal hebben, dient te worden afgewacht. Voorzichtig uitgedrukt is de handelwijze van het onderhavige OM (en het CJIB) “hoogst ongepast”. Betrokkene schiet hier echter niets mee op omdat zij zich nog steeds geconfronteerd ziet met een opgelegde administratieve sanctie die kennelijk inbegrepen de opgelegde verhogingen door het CJIB geïnd moet worden. De kantonrechter kan deze zaak echter ook niet laten liggen en geen beslissing nemen. Om die reden zal de kantonrechter deze verzetprocedure hierna wel afdoen.

1.11 De kantonrechter betreurt dat hij op deze wijze het handelen van het openbaar ministerie aan de orde moet stellen. Dat hij dit toch doet, is omdat deze zaak ook niet op zich staat.

Deze handelwijze is namelijk een indicatie hoe in Nederland wordt omgegaan met administratiefrechtelijke afdoening van Mulderfeiten. Bij deze afdoening door het openbaar ministerie (van honderdduizenden zaken op jaarbasis) komt de individuele rechtsbescherming van de betrokken burger (justitiabele) namelijk steeds meer in het gedrang.

De wetgever heeft bij deze rechtsgang gekozen voor een administratiefrechtelijke procedure waarbij in elk geval de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het redelijkheidbeginsel en het fairplay-beginsel (deugdelijke hoor en wederhoor) onverkort van kracht zijn. Deze beginselen gelden ook voor het openbaar ministerie bij de afdoening van Mulderzaken!

1.12 Niets verzet zich tegen een efficiënte afdoening van deze massale hoeveelheid aan (Mulder)zaken maar het mag niet zo zijn dat met deze massa-afdoening de individuele rechtsbescherming van betrokkene in het gedrang komt. Deze kantonrechter signaleert al jarenlang in diverse (ook gepubliceerde) uitspraken dat deze rechtsbescherming wel in het gedrang komt. Het betreft hier vooral handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en fairplay-beginsel.

1.13 In zogenaamde Mulderberoepen heeft de kantonrechter de mogelijkheid om de beslissing van de officier van justitie naar aanleiding van een ingesteld beroep “vol te toetsen”.

Het is bij kantonrechters een feit van algemene bekendheid, dat het betrokken OM niet of nauwelijks reageert op door de kantonrechter gedane verzoeken om aanvullende informatie. Kennelijk is dit teveel werk.

Standaard gevolg is dan gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de beslissing van de OvJ, waarvan beroep. Kijkend naar het grote aantal Mulderzaken vormen deze “vernietigingen” echter “een fractie van het totaal afgedane zaken” in elk geval geen reden voor het OM om het systeem van afdoening van Mulderzaken aan te passen.

1.14 Resteert de afdoening van deze verzetzaak. De kantonrechter zal dit verzet hierna gegrond verklaren, met vernietiging van het tegen betrokkene uitgevaardigde kennisgeving van verhaal. Indien de bevoegde officier van justitie en het CJIB op enig moment serieus naar deze zaak hadden gekeken c.q. laten kijken, zou het naar volle overtuiging van de kantonrechter nooit tot het uitvaardigen van deze kennisgeving van verhaal hebben mogen komen. Ook hier is de strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel aan de orde. Wellicht komt naar aanleiding van deze uitspraak wel een deugdelijke reactie.

2. De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt de tegen betrokkene uitgevaardigde kennisgeving van verhaal;

- bepaalt dat het griffierecht, voor zover betaald, aan betrokkene dient te worden terugbetaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 maart 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Bent u het met de beslissing op uw verzet niet eens, dan kunt u binnen twee weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beschikking hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom, (118 4600 AC Bergen op Zoom) en dient door degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.

U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.

Na indiening van het beroepschrift krijgt u een ontvangstbevestiging. Daarin staat ook de termijn waarbinnen u opnieuw griffierecht dient te betalen en zekerheid dient te stellen, wil uw beroep ontvankelijk zijn.

Datum toezending beschikking: