Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV8015

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
237179 / HA ZA 11-1122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Paard verongelukt na botsing met een hindernis in cross country wedstijd; aansprakelijkheid sportvereniging, bond en/of parcoursbouwer. Mobiele hindernis onvoldoende beveiligd tegen kantelen; omkeringsregel; eigen schuld?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/103

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 237179 / HA ZA 11-1122

Vonnis van 7 maart 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M. ten Cate te Nijmegen,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

PAARDEN- EN PONYSPORTVERENIGING PRINCENHAGE,

gevestigd te Breda,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KONINKLIJKE NEDERLANDSE HIPPISCHE SPORTFEDERATIE,

gevestigd te Ermelo,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A.V.M. van Dijk te Eindhoven.

Partijen zullen hierna eiser en gedaagden genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 oktober 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2012,

- de bij gelegenheid van de comparitie door eiser overgelegde producties genummerd 32 tot en met 41 alsmede de twee door gedaagden in het geding gebrachte, ongenummerde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. Eiser vordert, kort gezegd, de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling aan hem van EUR 45.000, =, vermeerderd met rente en kosten.

2.2 Gedaagden betwisten de vordering gemotiveerd.

3. De beoordeling

3.1.1 In dit geding kan van de navolgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

Op 16 en 17 oktober 2010 heeft gedaagde sub 1 een zogeheten “ eventingwedstrijd” georganiseerd. De wedstrijd werd georganiseerd onder auspiciën van gedaagde sub 2.

Een “eventingwedstrijd” bestaat uit een dressuur proef, een springparcours en een terrein- proef. Zo 'n terreinproef wordt ook wel “cross country” genoemd; de proef wordt afgelegd in een natuurlijke omgeving zoals bossen en weilanden. Tijdens een vooraf bepaalde route dienen door ruiter en paard verschillende soorten hindernissen te worden genomen zoals wallen, waterbak passages, greppels, constructies met boomstammen en dergelijke objecten; ook wordt er wel gebruik gemaakt van zogeheten mobiele hindernissen.

3.1.2 Het cross country parcours was ontworpen en gebouwd door gedaagde sub 3; voor aanvang van de wedstrijd was het parcours geïnspecteerd en goedgekeurd door een door gedaagde sub 2 aangewezen technisch afgevaardigde, te weten de heer [naam].

Eiser heeft zich ingeschreven voor de wedstrijd en vervolgens deelgenomen met zijn negenjarige ruin, “Romeo de l Éaugrennée” genaamd; nadat eiser de onderdelen dressuur en springen zonder problemen had doorlopen is hij begonnen met het derde onderdeel van de wedstrijd, de cross country. Aangekomen bij de laatste, de 21ste hindernis van dit onderdeel heeft het paard niet goed afgezet, waardoor het niet hoog genoeg van de grond kwam en het in aanraking kwam met de hindernis. Als gevolg hiervan zijn ruiter en paard ten val gekomen, waardoor het paard zo ernstig gewond is geraakt dat het ter plaatse door de dierenarts geeuthaniseerd is moeten worden; de ruiter, eiser, liep daarbij verwondingen aan zijn ribben op.

3.1.3 Deze laatste hindernis kan als volgt beschreven worden: het betrof een zogeheten mobiele oftewel prefab hindernis in de vorm van een boerderij. De hoogte was 102,5 cm. De breedte aan de basis was 100,5 cm en op het breedste punt 110 cm; de lengte was 345 cm. Ze bestond uit een balk structuur met een zadeldak, gemaakt van betonplex. Door een tractor is de boerderij op de plaats gezet en van bovenaf met een lepel in de grond geduwd, zodanig dat de bovenzijde van de boerderij circa 1 m boven het maaiveld uitstak. De hindernis was niet met enige verankering verbonden aan de grond.

3.1.4 Na de botsing met ruiter en paard is de hindernis gekanteld in de looprichting van het paard: de boerderij is dóór gekanteld, eerst op het zijvlak en vervolgens op een dakhelft. De boerderij-hindernis is als gevolg van de botsing voor het overige slechts luttele centimeters van haar plaats gekomen.

3.1.5 Eiser heeft zich aangemeld voor deze wedstrijd door zich aan te melden op het zogeheten “ Vraag programma SGW-Eventing” en daartoe per internet het formulier in te vullen en in te zenden; eiser heeft het verschuldigde inschrijfgeld betaald en kennisgenomen van onder meer de clausule: “ 5 wedstrijdgevende organisatie, noch ieder andere betrokkene bij de wedstrijd kan op enigerlei wijze aansprakelijk en of verantwoordelijk worden gesteld omtrent schade in welke vorm dan ook aan personen, paarden en of materiaal. Zowel deelnemers als bezoekers nemen deel en of zijn aanwezig op eigen risico.”

Op dat formulier komt een verwijzing voor naar het zogeheten Algemeen Wedstrijd reglement van gedaagde sub 2; artikel 1 sub 9 van dat reglement luidt: “ de KNHS draagt voor een wedstrijd, show of evenement, georganiseerd onder auspiciën van de KNHS geen juridische, financiële of enige andere aansprakelijkheid jegens de wedstrijdgevende organisatie, de deelnemers of derden.”

3.1.6 Bij het Algemeen Wedstrijdreglement hoort een bijlage 3, genaamd ” gedragscode welzijn van het paard” en waarin in artikel 3a geregeld is: “ paarden mogen uitsluitend worden getraind en aan wedstrijden deelnemen op geschikte en veilige terreinen. Alle hindernissen dienen te worden geconstrueerd met de veiligheid van het paard in gedachten (….).”; in artikel 4c staat: “ er dient tijdens de wedstrijd controle te worden uitgeoefend ter voorkoming van verwondingen van paarden. De toestand van het terreinoppervlak, de wedstrijd frequentie en andere risicofactoren dienen zorgvuldig te worden onderzocht om verwondingen van paarden tot een minimum te beperken”.

3.1.7 Naast het Algemeen Wedstrijdreglement is het “discipline reglement eventing”van toepassing. Dit reglement moet steeds in samenhang worden gelezen met het algemeen reglement en toegepast in het verlengde ervan.

Artikel 315 sub d lid 1 luidt: “ de hindernissen moeten vast en indrukwekkend door hun vorm en aanzicht zijn en zoveel mogelijk in natuurlijke staat worden gehouden”.

3.1.8 De “Féderation Equestre Internationale”( de FEI) kent regels voor internationale eventing wedstrijden, de zogeheten “Rules of Eventing”;

artikel 3 van het reglement bepaalt ten aanzien van “types of obstacles” en de cross country het volgende: “ the obstacles must be fixed and imposing in shape and appearance. When natural obstacles are used, they should, if necessary, be reinforced so that they remain in the same state throughout the test. All reasonable precautions must be taken to prevent the possibility of an athlete being able to pass mounted under an obstacle. Portable fence must be secured to the ground in a way that the fence cannot move.”

3.1.9 Op internationaal niveau wordt er jaarlijks een bijeenkomst gehouden, waarbij de laatste jaren steeds meer de veiligheid van mobiele hindernissen in cross country wedstrijden onderwerp van bespreking is. Tijdens het Safety forum 2008 in Kopenhagen kwam het thema opnieuw ter sprake, waarbij als beleidslijn benadrukt is dat cross country hindernissen vast moeten zijn: immers: “ cross country fences must in essence be fixed i.e. not knock down like a showdump”(….) “the prioritized target is elimination of somersault falls and reduction of the number of horse falls in general”; deze passages komen voor in het van dat congres opgemaakt “report & conclusions”.

3.1.10 De parcoursbouwers en technisch afgevaardigden van gedaagde sub 2 maken bij het bouwen, vervaardigen en inspecteren van cross country parcoursen gebruik van “ de handleiding voor bouwers en ontwerpers van cross country parcoursen” . Op bladzijde 14 van deze handleiding staat het volgende vermeld: “2. Solide de constructie van de cross hindernissen moet sterk zijn, waarbij staanders voor de bevestiging van de bomen goed verankerd moeten zijn in de grond (ca 80 cm). Bij prefab hindernissen is dat anders. Bij dit soort hindernis is het van groot belang dat de betreffende hindernis op een solide en brede basis is gebouwd, om omver springen te voorkomen. Bij sommige prefab hindernissen met een smalle basis ( punten, huisjes, etc.) zullen goede voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om deze in de grond te verankeren “. Verderop in de handleiding staat nog vermeld: (….) “ de constructie van de prefabs moet degelijk en robuust zijn op een sterk frame als basis. Deze basis moet ervoor zorgen dat de prefabs stevig staan en niet omver gesprongen kunnen worden”.

3.1.11 Gedaagden zijn verzekerd tegen aansprakelijkheid zoals door eiser geclaimd.

3.2 Eiser stelt zich op het standpunt, dat gedaagden verantwoordelijk zijn te houden voor het ongeluk. Het paard heeft niet hoog genoeg gesprongen en is daardoor met de vóór- benen tegen het dak van de boerderij-hindernis aangekomen. Omdat de boerderij niet verankerd was is de hindernis twee keer gekanteld waarbij de hindernis een veilige landing voor het paard belemmerde. Doordat de hindernis als het ware onder het paard bleef meerollen kon het paard de vóórbenen niet aan de grond krijgen. Een van de belangrijkste aspecten van een veilige hindernis is, dat deze vaststaat en niet kan kantelen of op een andere manier van haar plaats kan komen. Eiser verwijt gedaagden, ieder in haar eigen rol, dat de bewuste hindernis niet op toereikende manier was verankerd terwijl dit blijkens de diverse voorschriften en regels wèl had moeten gebeuren. Als gedaagden zich aan de voorschriften hadden gehouden had het risico op dit ongeval met deze dramatische gevolgen zich niet verwezenlijkt, aldus eiser.

3.3 Gedaagden hebben diverse verweren ontwikkeld tegen de vordering van eiser, welke verweren hierna besproken worden.

3.4 Gedaagden betwisten, dat mobiele of prefab hindernissen altijd in de grond verankerd moeten zijn of op een andere wijze tijdelijk onverplaatsbaar. Zij zijn juist ontworpen om te kunnen worden verplaatst, zodat de hindernis eventueel nadien ook elders dienst kan doen.

Gedaagden wijzen erop dat in de tekst van het discipline reglement verankering niet voorgeschreven is en dat ook het Algemeen Wedstrijdreglement van de KNHS hierover niets voorschrijft. Ook stellen zij dat in de FEI-rules weliswaar de termen “fixed”en “secured to the ground” voorkomen, maar dat dit niet met zich meebrengt dat mobiele hindernissen in de grond dienen te worden vastgezet. Ze wijzen er ook op, dat deze FEI-rules gelding hebben voor internationale wedstrijden en dus niet voor een nationale wedstrijd als de onderhavige. De bewuste hindernis voldeed aan de voorschriften, omdat ze een brede solide basis had, zwaar was door haar eigen gewicht en bovendien enkele centimeters in de grond was gedrukt. Aldus, volgens gedaagden, was voldoende zorg gedragen voor vermijding van het gevaar van omvallen of omkantelen van de hindernis.

Bovendien betwisten gedaagden de juistheid van de stelling van eiser, dat in het geval de hindernis wel verankerd was geweest in de grond, de schade niet ontstaan zou zijn. Zij stellen zich op het standpunt, dat juist dan het paard een roterende val zou hebben gemaakt, waardoor de schade wellicht nog erger zou zijn geweest, tot misschien zelfs het overlijden van de ruiter.

3.5 Uit het debat tussen partijen en uit de door hen over en weer in het geding gebrachte literatuur maakt de rechtbank op dat veiligheid in cross country wedstrijden al sinds jaar en dag in de hippische wereld een belangrijk onderwerp van bespreking is. Vele materiedeskundigen hebben in de afgelopen jaren onderzoek en aanbevelingen gedaan op het gebied van de bevordering van welzijn en veiligheid van zowel paard als ruiter tijdens cross country wedstrijden; juist –en ook- waar het gaat om de constructie van mobiele, prefab hindernissen, zoals de onderwerpelijke. Blijkens de hierboven bij de vaststaande feiten weergegeven passages uit nationale en internationale regels, voorschriften en aanbevelingen is men thans tot het inzicht gekomen, dat die veiligheid het best gediend is bij een constructie van een hindernis, die vast is, niet van zijn plaats komt en bij aanraking niet omver valt. Als een hindernis, zo begrijpt de rechtbank de portee van deze passages, deze eigenschappen niet uit zichzelf in zich heeft dan dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen, opdat het risico van de nadelige gevolgen van een veiligheidsincident geminimaliseerd wordt. Onder dergelijke voorzorgsmaatregelen wordt begrepen, zo stelt eiser onbetwist, het aanbrengen van een verankering door middel van bijvoorbeeld L-ijzers, spiraalvormige grond ankers en/of stutting met eenvoudige houten palen.

De rechtbank stelt vast dat in dit geval de hindernis als gevolg van de botsing van het paard op zijn kant is gerold, vervolgens op een dak-helft te terecht is gekomen en enkele centimeters van zijn plaats is geraakt; de rechtbank stelt ook vast dat de inhoud van voormelde passages juist de strekking heeft om dit gevolg te vermijden en –eveneens- dat de voorzorgsmaatregelen om dit te voorkomen door gedaagden achterwege zijn gelaten. Kennelijk, zo moet de rechtbank vaststellen, is dus de inschatting van de kant van gedaagden dat de boerderij-hindernis na een botsing met een paard niet om zou kantelen of van de plaats komen onjuist gebleken en is hun keuze om geen voorzorgsmaatregelen te treffen foutief te noemen. De rechtbank concludeert hieruit, dat de hindernis niet voldeed aan de in redelijkheid hier aan te stellen veiligheidseisen.

Hiermee is evenwel nog niet gezegd dat de beweerdelijk door eiser geleden schade in een rechtstreeks causaal verband staat met deze conclusie.

Gedaagden hebben dit verband immers gemotiveerd betwist. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv. is het aan eiser om bewijs bij te brengen van dit verband.

Echter, geoordeeld moet worden dat in deze situatie aan de voorwaarden is voldaan om de zogeheten “omkeringsregel” toe te passen; de rechtbank doelt op het volgende: gegeven de schending door de gedaagde partij van een norm, die strekt ter voorkoming van een specifiek gevaar ter zake het ontstaan van schade, houdt de rechtbank het ervoor dat het verband tussen die schade en de normschending aanwezig is; dit tenzij gedaagden aantonen dat deze schade ook zou zijn ontstaan in het geval zij wel toereikende voorzorgsmaatregelen hadden getroffen. Deze “omkering” ziet dus op het door gedaagden bij te brengen tegen bewijs - in de betekenis van aannemelijk maken- van dit voorshands bewezen geachte

causaal verband.

Zoals hierna beslist zal de rechtbank gedaagden toelaten tot die bewijslevering.

3.6 Gedaagde sub 1 stelt zich op het standpunt dat zij niet aansprakelijk is. Immers zij heeft de wedstrijd georganiseerd met inachtneming van de toepasselijke reglementen en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid. Zij heeft de aanwijzingen van gedaagden sub 2 en haar technisch afgevaardigde nageleefd en zich verlaten op de crossbouwer, gedaagde sub 3. Haar valt dus geen enkel verwijt te maken, aldus gedaagde sub 1.

Het debat tussen partijen op dit punt heeft zich afgespeeld in de sleutel van het leerstuk van de onrechtmatige daad. De rechtbank evenwel stelt vast dat eiser zich voor de door gedaagde sub 1 te organiseren wedstrijd heeft ingeschreven met behulp van een wedstrijdformulier, dat hij het verschuldigd inschrijfgeld heeft betaald, dat hij akkoord is gegaan met de voorwaarden waaronder de wedstrijd door deze gedaagde werd aangeboden, dat deze gedaagde zich op het standpunt stelt dat de tussen partijen afgesproken exoneratieclausule geldt en dat eiser meent, dat deze clausule hem niet kan worden tegengeworpen op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Deze vaststellingen dwingen de rechtbank tot de slotsom, met toepassing van artikel 25 BRv, dat tussen eiser en gedaagde sub 1 een contractuele relatie is ontstaan, binnen welke relatie de vordering van eiser beoordeeld moet worden.

Gegeven deze contractuele relatie was gedaagde sub 1 gehouden om aan eiser een wedstrijd parcours aan te bieden, dat voldeed aan de veiligheidsregels zoals hierboven besproken. Wanneer het parcours hierin tekortschiet door handelen of nalaten van degenen die betrokken zijn bij de oprichting van de bewuste hindernis, is dit aan gedaagde sub 1 als organiserende vereniging toe te rekenen.

Dit verweer van deze gedaagde faalt dus.

3.7 Gedaagde sub 3 brengt naar voren dat zijn aansprakelijkheid afgewezen dient te worden, omdat hij slechts werkte op verzoek van gedaagde sub 1, daar geen vergoeding voor kreeg, zich geheel gehouden heeft aan de gestelde eisen voor het ontwerpen en vervaardigen van de hindernis en dat de technisch afgevaardigden hebben bevestigd dat de hindernis in orde was.

De rechtbank passeert het verweer. Als vast komt te staan dat de schade het gevolg is van een of meer fouten aan de hindernis dan valt niet in te zien waarom gedaagde sub 3 als ontwerper en bouwer van de hindernis niet aansprakelijk te houden is. Of hij daarbij al dan niet op verzoek van één of beide mede-gedaagden heeft gewerkt en of hij daarvoor een vergoeding heeft gekregen is niet ter zake dienend.

3.8 Gedaagde sub 2 brengt naar voren dat zij een federatie is die de belangen van de aangesloten verenigingen en haar leden behartigt, opdat zij de paardensport zo goed als mogelijk kunnen beoefenen. Feitelijk heeft zij geen bemoeienis gehad bij de organisatie van de wedstrijd. Het enkele feit dat deze wedstrijd werd georganiseerd onder haar auspiciën maakt haar immers nog geen mede organisator. Zij vindt dan ook dat zij niet aansprakelijk gesteld kan worden.

De rechtbank is het eens met dit argument. Immers, geconcludeerd moet worden dat gedaagde sub 2 geen directe en concrete bemoeienis heeft gehad met de onderwerpelijke wedstrijd. Het enkele feit dat gedaagde sub 3 als parcoursbouwer een KNHS- licentie had maakt dat niet anders. Ook het gegeven dat gedaagde sub 2 technisch afgevaardigden ter beschikking stelde ter controle van het parcours wil nog niet zeggen dat deze gedaagde een dergelijke bemoeienis heeft gehad. Onbetwist wordt door deze gedaagde gesteld dat de technisch afgevaardigden geen ondergeschikten zijn van haar en evenmin gehouden zijn om haar aanwijzingen c.a. op te volgen; evenmin biedt art. 6:171 BW een juridische basis voor aansprakelijkheid, reeds omdat niet gezegd kan worden, dat gedaagde sub 2 een bedrijf voert in de zin van dat artikel. Het enkele feit dat deze gedaagde sub 2 zich het belang van een veilig parcours aantrekt, daartoe technisch afgevaardigden ter beschikking stelt en - naar de rechtbank begrijpt- ook richtlijnen uitvaardigt ter optimalisering van veiligheid, maakt deze gedaagde nog geen mede organisatrice of verantwoordelijk toezicht houdster van een wedstrijd. Dit brengt met zich mee dat de vordering tegen deze gedaagde dient te worden afgewezen.

3.9 Gedaagden stellen zich op het standpunt dat met de aanvaarding door eiser van de exoneratieclausule zij niet aansprakelijk zijn voor door deze geleden schade.

Eiser vindt dat gedaagde geen beroep toekomt op deze clausule omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Hij doet - naar de rechtbank begrijpt- een beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid.

Bij de beoordeling van een dergelijk beroep moet steeds gelet worden op de omstandigheden van het geval. Daartoe behoort onder meer de mate van schuld van degene die zich wil bedienen van de clausule, aan het ontstaan van het incident, de manier waarop het beding tot stand is gekomen, de maatschappelijke positie van partijen en hun onderlinge verhouding, de verzekerbaarheid van het risico, het antwoord op de vraag in welke mate eiser zich bij het aanvaarden van het beding bewust is geweest van de strekking van de clausule en, tenslotte, de mate van exoneratie in vergelijking met de omvang van de schade.

Getoetst aan deze omstandigheden stelt de rechtbank vast, dat gesteld noch gebleken is dat gedaagden zich op enigerlei manier schuldig hebben gemaakt aan opzet of grove schuld; bovendien kan gezegd worden dat beide partijen er zich bewust van waren dat deelname aan dit onderdeel van de wedstrijd forse risico's in zich had en dat eiser ten tijde van de inschrijving aan de wedstrijd wist dat er een exoneratie bepaling gehanteerd werd door de organiserende vereniging.

De rechtbank vindt geen van deze gegevens doorslaggevend voor beoordeling van de vraag of de clausule tussen partijen aansprakelijkheid in de weg mag staan. Anders ligt dat bij de verzekerbaarheid: vaststaat dat gedaagden zich hebben verzekerd juist tegen het risico van dit soort ongevallen. Gedaagden hebben dat gedaan omdat niet alleen het risico op een ongeval bepaald niet denkbeeldig is, maar ook omdat de schade in voorkomende gevallen aanzienlijk kan zijn. Nu zij juist met het oog op dit type schades de verzekering overeenkomst hebben gesloten ten behoeve van onder andere eiser valt niet in te zien waarom haar in redelijkheid nog een beroep op exoneratie toe zou moeten komen.

De rechtbank geeft eiser op dit punt dan ook gelijk.

3.10 Gedaagden hebben als verweer aangevoerd, dat eiser, net zoals de andere ruiters, voor aanvang van de wedstrijd de gelegenheid heeft gehad om het parcours te verkennen van welke gelegenheid eiser ook gebruik heeft gemaakt. Eiser heeft daarna geen bezwaar gemaakt tegen de veiligheid van deze hindernis nummer 21.

Voor zover in dit verweer gelezen moet worden dat eiser de hindernis als “veilig” heeft aanvaard moet dit verweer worden verworpen.

Dit na-lopen van het parcours immers, zou blijkt uit de stellingen van eiser, geschiedt vanuit andere perspectieven dan louter dat van veiligheid. Eiser behoeft er als ruiter niet op bedacht te zijn dat de hindernis niet gebouwd is in overeenstemming met veiligheidsvoorschriften; bovendien, zo bleek ter comparitie van partijen, is niet steeds bij zo’n verkenning vooraf voor een ruiter waar te nemen dat aan een hindernis een veiligheidsgebrek kleeft. Ten slotte, valt niet in te zien op grond waarvan het achterwege blijven van een bezwaar van de kant van de ruiter een tekortkoming van gedaagden opgeheven zou kunnen worden.

3.11 Al eerder, aldus gedaagden, was het paard van eiser in de problemen gekomen, te weten bij hindernis 17, de zogeheten waterbak. Daar maakte de ruin een foute landing bij de tweede afsprong en zakte door de voor-knieën; deze foute manoeuvre had voor eiser aanleiding moeten zijn om de wedstrijd niet te vervolgen dan wel, in elk geval, extra voorzichtig te zijn bij de volgende hindernissen. Eiser echter heeft ervoor gekozen om verder te gaan met als gevolg het ongeval bij hindernis 21.

De juridische slotsom die gedaagden hieraan verbinden is dat eiser het ongeluk aan zijn eigen schuld te wijten heeft.

Ook dit verweer faalt. Ter comparitie van partijen is door eiser verklaard, dat Romeo de afsprong die op de waterhindernis volgde goed heeft genomen en dat eiser vervolgens niets heeft gemerkt aan het gedrag van het paard dat zou kunnen duiden op een blessure of iets dergelijks. Dit laatste is door gedaagden niet betwist. Bij deze stand van zaken dient het er dan ook voor gehouden te worden, dat zich niet de situatie heeft aangediend dat eiser een bepaalde keuze heeft gemaakt zoals door gedaagde bedoeld.

3.12 In alinea 25 en verder van de conclusie van antwoord stellen gedaagden dat in het geval zij aansprakelijk zouden moeten worden gehouden voor het incident hun vergoedingsplicht dient te worden verminderd in evenredigheid met de mate waarin eiser zelf bij heeft gedragen aan het ontstaan van de schade. Gedaagden doelen hiermee op de werking van artikel 6: 101 BW.

Eiser en gedaagden weten allen, dat eventing een risicovolle sport is, waarbij geregeld ernstige ongelukken gebeuren. Niettemin heeft eiser deelgenomen aan de terrein proef van deze eventing wedstrijd; eiser is een ervaren ruiter, een praktiserend paarden dierenarts en tevens adjunct directeur van een diergeneeskundige dienst: als geen ander kende eiser de risico's. In zijn algemeenheid geldt bovendien dat hier sprake is van sportbeoefening met dieren, waarvan op voorhand het gedrag niet te bepalen is. Het dier kan gedrag vertonen voortkomende uit de eigen energie en de onberekenbare elementen die daarin gelegen zijn. Lang niet altijd voert het paard uit wat de ruiter wil; in dit geval was er sprake van een fout van het paard.

Deze onderbouwing van dit verweer is feitelijk niet betwist door eiser; de rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid er van. Dit leidt evenwel nog niet tot het door gedaagden gewenste resultaat. Immers deze juistheid scherpt evenzo het belang in dat gelegen is een nauwgezette en precieze naleving van regelgeving en aanwijzingen op veiligheidsgebied bij het bouwen van mobiele hindernissen.

Bij het aanvaarden door eiser van de zojuist bedoelde risico's mag hij erop vertrouwen dat de hindernissen zo zijn uitgevoerd, dat ze voldoen aan de huidige inzichten op het gebied van veiligheid. Niet ondenkbaar is immers dat eiser, had hij geweten dat de bewuste hindernis niet toereikend tegen omvallen/verplaatsen toegerust was, bij zijn beslissing om deel te nemen aan de wedstrijd een andere afweging had gemaakt.

Voor zover gedaagden met dit verweer het oog hebben op het gegeven, dat het paard een foutieve sprong heeft gemaakt en aldus bij heeft gedragen aan het ontstaan van het ongeluk faalt het verweer evenzeer: het is een ervaringsfeit dat bij dit type wedstrijden de hindernissen niet steeds volledig succesvol worden genomen. Juist daarom zijn voorzorgsmaatregelen geïndiceerd zoals in dit vonnis overwogen. Gesteld noch gebleken is, dat het gedrag van ruiter en/of paard bij het ontstaan van het ongeluk op de een of andere manier zo anders is geweest dan wat in redelijkheid in normale omstandigheden verwacht kan worden; aldus valt dit gedrag dan ook niet binnen de termen van wat onder eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW begrepen moet worden.

3.13 Gedaagden spreken tenslotte gemotiveerd de hoogte van de gevorderde schade tegen.

Eiser onderbouwt zijn schade door te wijzen op een reeks van factoren, zoals opgesomd in productie 25 bij dagvaarding. Eiser betrekt daarbij de aankoopsom ad EUR 10.000, =, kosten van onderhoud en scholing van het paard evenals de commerciële waarde er van. Hij maakte er gewag van dat hij in februari 2010 nog een bod gekregen heeft van EUR 45.000, = voor Romeo.

De rechtbank overweegt reeds thans dat, mocht toegekomen worden aan bepaling van de omvang van de schade, de schade vastgesteld gaat worden op de waarde van de ruin in het economisch verkeer pal voor het noodlottig incident.

Partijen worden uitgenodigd om zich nader over deze waarde uit te laten; het is aan eiser om feiten en omstandigheden te stellen - en bij betwisting te bewijzen- die de onderbouwing vormen van het schadebedrag. De rechtbank wijst partijen ook op artikel 6:97 BW, dat de rechter de mogelijkheid geeft om de schade te schatten; tevens sluit de rechtbank niet uit, dat zij bij deze schade-vaststelling de hulp nodig heeft van een of meer deskundigen; partijen worden uitgenodigd om reeds thans hun visie te geven op nut en noodzaak van deskundigenbericht.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. laat gedaagden sub 1 en 3 toe te bewijzen, dat de schade ook zou zijn ontstaan in het geval wèl toereikende voorzorgsmaatregelen zouden zijn getroffen om kanteling/ verplaatsing van de hindernis te vermijden.

4.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 maart 2012 voor uitlating door deze gedaagden of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

4.3. bepaalt dat deze gedaagden, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

4.4. bepaalt dat deze gedaagden, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen en vrijdagen in de maanden april tot en met juni 2012 moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

4.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. Poerink in het gerechtsgebouw te Breda aan Sluissingel 20,

4.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.