Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV7783

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
02/811747-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9798, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man uit Bergen op Zoom is veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, voor doodslag op de baby van zijn toenmalige vriendin in december 2009. De rechtbank Breda acht bewezen dat de man opzettelijk zodanig geweld op het hoofd van het zes maanden oude meisje heeft toegepast dat zij als gevolg daarvan is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 02/811747-09

Data zitting : 29 maart 2010, 24 juni 2010, 9 september 2010, 25 november 2010,

18 februari 2011, 5 april 2011, 27 april 2011, 21 juli 2011,

22 september 2011, 16 december 2011, 21 en 22 februari 2012

Datum uitspraak : 6 maart 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Breda

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [datum en plaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid Limburg", locatie PPC Overmaze te Maastricht

Raadsman: mr. J.C. Dionisius, advocaat te Breda..

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging en een wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 9 december 2009 te Bergen op Zoom en/of te Rotterdam , althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en /of het lichaam van die [slachtoffer] toegepast en/of die voornoemde [slachtoffer] (met kracht) heen en weer geschud, (mede) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 8 december 2009 tot en met 9 december 2009 te Bergen op Zoom en/of te Rotterdam, althans in Nederland aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: één of meer fracturen in de schedel en/of een hematoom onder het harde hersenvlies) heeft toegebracht, door opzettelijk een of meer vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of die [slachtoffer] (met kracht) heen en weer te schudden, (mede) terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

art 302 lid 1 Wetboek van Stafrecht

art 302 lid 2 Wetboek van Stafrecht

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 21 en 22 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht.

Verdachte is op 21 februari 2012 aanwezig geweest. Op 22 februari 2012 is verdachte niet verschenen.

De raadsman van verdachte mr. J.C. Dionisius, advocaat te Breda, is beide zittingsdagen aanwezig geweest.

De officier van justitie, mr. P. Emmen, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3a. De beslissing inzake het bewijs

Aan verdachte is primair – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij in de periode van 8 tot en met

9 december 2009 opzettelijk [slachtoffer] (verder te noemen [voornaam slachtoffer]) van het leven heeft beroofd door opzettelijk uitwendig geweld op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van [voornaam slachtoffer] toe te passen tengevolge waarvan [voornaam slachtoffer] is overleden.

Om tot een bewezenverklaring van het vorenstaande te kunnen komen dienen de vragen te worden beantwoord of verdachte opzettelijk zodanig (uitwendig) geweld op [voornaam slachtoffer] heeft toegepast dat [voornaam slachtoffer] tengevolge daarvan is overleden en of de verdachte dit gedaan heeft met de opzet om [voornaam slachtoffer] van het leven te beroven.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is bepleit dat het primair en het subsidiair tenlastegelegde niet bewezen kan worden nu het bewijs voor ‘opzet’ ontbreekt.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Verdachte heeft bij de politie wisselend verklaard. Verdediging en openbaar ministerie zijn van oordeel dat een deel van die verklaringen van verdachte onbetrouwbaar is, zij het dat zij van mening verschillen welke verklaringen dat betreft. De rechtbank heeft daarom, en mede op grond van de bevindingen van het NIFP dat verdachte voldoet aan de kenmerken van pathologisch liegen, bij de bewijsbeoordeling, vrijwel geheel, gevaren op het technisch bewijsmateriaal en de verklaring door verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 februari 2012. Dit alles heeft op zijn beurt meegebracht dat de rechtbank in de bewijsvoering op een aantal punten zelf conclusies, bewijsstappen heeft moeten formuleren.

Bij de bewijsbeoordeling heeft de rechtbank gebruik gemaakt van het deskundigenrapport opgemaakt door [naam deskundige], forensisch arts KNMG en de door hem bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. Het feit dat [naam deskundige] niet geheel blanco en onvoorbereid door de verdediging kon worden gehoord, is naar het oordeel van de rechtbank, voldoende gecompenseerd door het de wijze waarop [naam deskundige] door de verdediging bij de rechter-commissaris is verhoord. De verdediging heeft op het punt van de bevindingen van [naam deskundige] alle nodige vragen kunnen stellen en alles daartegen in kunnen brengen hetgeen noodzakelijk mocht worden geoordeeld.

Dit oordeel van de rechtbank is mede gebaseerd op het feit dat de verdediging op dit, eerder door haar aangevoerde, punt bij pleidooi niet meer terug is gekomen.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 9 december 2009, omstreeks 01.05 uur, hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding gekregen zich te begeven naar het adres [adres] in verband met een reanimatie van een kindje van zes maanden oud.

Het kindje, [voornaam slachtoffer], bevond zich in kritieke toestand en is per ambulance overgebracht naar het Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. [voornaam slachtoffer] is op 9 december 2009 te 21.10 uur overleden in dat ziekenhuis.

Waardoor is [voornaam slachtoffer] overleden?

In haar deskundigenrapport opgemaakt 26 augustus 2010 heeft [naam deskundige], arts en patholoog, gerapporteerd:

“…

Conclusie: [slachtoffer], 6 maanden oud geworden, is overleden aan de gevolgen van meermalen toegepast heftig botsend uitwendig inwerkend geweld op het hoofd.

…”

Wanneer is dit letsel ontstaan?

In haar deskundigenrapport opgemaakt 26 augustus 2010 heeft [naam patholoog], arts en patholoog, gerapporteerd:

“…

De schedel-, hersen- en oogletsels zijn het gevolg geweest van circa één dag voor het overlijden ten minste tweemaal toegebracht heftig botsend geweld op het hoofd.

…”

In zijn deskundigenrapport opgemaakt 17 mei 2010 heeft dr. [naam patholoog 2] patholoog, gerapporteerd:

“…

Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont een normale aanleg van alle structuren, uitrijping conform leeftijd. Er wordt een maximaal 1 dag oud (traumatisch) subduraal hematoom gevonden. Er worden in de grote hersenen … axonale afwijkingen gezien die passen bij een focale, traumatische, axonale beschadiging, die opgetreden was meerdere uren, doch niet langer dan circa 1 dag, voor het overlijden.

…”

In haar aanvullend bericht opgemaakt 8 februari 2011 heeft [naam patholoog], arts en patholoog, gerapporteerd:

“…

Zowel radiologisch als macro- en microscopisch werden fracturen gezien van het schedeldak …

Conclusie: Stukje schedeldak met daarin twee recente fracturen niet langer dan circa 24 uur voor de dood opgelopen.

…”

Gezien het feit dat [voornaam slachtoffer] op 9 december 2009 is overleden, concludeert de rechtbank op grond van het vorenstaande dat het letsel bij [voornaam slachtoffer] moet zijn toegebracht in de tenlastegelegde periode van 8 tot en met 9 december 2009.

Hoe is het letsel ontstaan?

[naam deskundige] heeft verklaard dat, omdat voor het bij [voornaam slachtoffer] vastgestelde schedelletsel buitengewoon veel geweld nodig is terwijl een plausibele accidentele verklaring ontbreekt, het letsel bij [voornaam slachtoffer] naar zijn oordeel het gevolg is geweest van menselijk handelen.

De rechtbank stelt vast dat behoudens de handelingen die door verdachte tijdens de reconstructie zijn getoond, het dossier geen enkele aanwijzing bevat voor het ontstaan van het letsel bij [voornaam slachtoffer].

Naar het oordeel van [naam deskundige] heeft [voornaam slachtoffer] na het toebrengen van het bij de sectie aangetroffen letsel, niet meer normaal gefunctioneerd. [naam deskundige] stelt dat het letsel daarom kort voor het zoeken van medische hulp moet zijn ontstaan.

Door wie is het letsel toegebracht?

Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 februari 2012 verklaard dat hij zich voor 90% kan herinneren dat in de periode van 8 tot 9 december 2009 geen andere mensen in de woning aan de [adres] zijn geweest dan [vriendin van verdachte], [voornaam slachtoffer] en hijzelf.

In het dossier is geen enkel aanknopingpunt te vinden dat dat anders zou zijn geweest.

In die periode is verdachte op drie momenten gedurende een wat langere periode met [voornaam slachtoffer] alleen geweest. Het laatste van die drie momenten was kort voor het bellen van 112 door verdachte. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet heeft gezien dat [voornaam moeder van het slachtoffer] iets heeft gedaan waardoor bij [voornaam slachtoffer] letsel kon ontstaan.

[moeder van het slachtofffer] heeft als getuige voor de rechter-commissaris eensluidend verklaard.

Resumerend komt de rechtbank op grond van het voorgaande tot de volgende conclusies:

- het bij [voornaam slachtoffer] bij de sectie gevonden letsel is het gevolg van menselijk handelen;

- het letsel is bij [voornaam slachtoffer] ontstaan terwijl alleen [voornaam vriendin] en verdachte met

[voornaam slachtoffer] in de woning waren;

- het bedoelde letsel is niet door [voornaam vriendin] toegebracht;

- verdachte moet dus het (dodelijk) letsel hebben toegebracht.

Is het letsel door verdachte opzettelijk toegebracht met de opzet om [voornaam slachtoffer] van het leven te beroven?

Door de verdediging is aangevoerd dat het letsel bij [voornaam slachtoffer] is ontstaan door de in de verklaringen van verdachte en op de reconstructievideo te onderscheiden botsmomenten, te weten:

- het vallen van [voornaam slachtoffer] uit de armen van verdachte op de tafel;

- het vallen van [voornaam slachtoffer] van de tafel op de grond c.q. schoen van verdachte;

- het contact van [voornaam slachtoffer] met de tafelpoot;

- het moment dat [voornaam slachtoffer] op de grond komt, voorafgaand aan de reanimatie.

In zijn deskundigenrapport opgemaakt 28 februari 2011 heeft [naam deskundige], forensisch arts KNMG, heeft na kennisname van de verklaringen van verdachte en de reconstructievideo gerapporteerd:

“…

Algemene conclusie met betrekking tot de letsels in het hoofd-halsgebied

(excl. de uitwendig zichtbare letsels)

De combinatie van aangetroffen letsels kan passen bij de beschreven incidenten. Hierbij moet worden aangetekend dat de beschreven vrijkomende krachten op het hoofd tijdens bepaalde gebeurtenissen niet ernstig genoeg lijken om zodanig intracranieel letsel te veroorzaken [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden, behoudens mogelijke de laatste gebeurtenis (het neerkomen van het hoofd op de vloer, voorafgaand aan de reanimatie).

…”

Eerder in het rapport heeft [naam deskundige] over deze laatste gebeurtenis ( het op de vloer leggen om te reanimeren) geschreven:

“…

Indien het hoofd met grote kracht/snelheid de vloer raakt, bestaat de kans op een ‘crushing’ trauma met vervorming van de schedel en eventueel losscheuren van de schedelnaden en fracturering van het voorhoofdsbot (os frontale).

……..

Conclusie

De letsels die [bij slachtoffer] zijn aangetroffen aan de hoofdhuid, in het hoofd en in de ogen/schede van de oogzenuwen, kunnen zijn ontstaan op het moment dat het hoofd [van slachtoffer] de vloer raakt, mits sprake was van voldoende kracht/snelheid bij het contact.…”

Voorts heeft [naam deskundige] als getuige-deskundige voor de rechter-commissaris verklaard:

“…

Bij baby [voornaam slachtoffer] is onder meer vastgesteld dat schedelnaden zijn losgescheurd. Dit vergt buitengewoon veel geweld.

…”

In haar deskundigenrapport opgemaakt 26 augustus 2010 heeft [naam patholoog], arts en patholoog, gerapporteerd:

“…

Conclusie: [slachtoffer], 6 maanden oud geworden, is overleden aan de gevolgen van meermalen toegepast heftig botsend uitwendig inwerkend geweld op het hoofd.

…”

De rechtbank concludeert uit hetgeen de deskundigen hebben vastgesteld dat het bij [voornaam slachtoffer] geconstateerde letsel, zoals de deskundigen het beschrijven, het gevolg is van heftig botsend geweld c.q. buitengewoon veel geweld, of grote kracht uitgeoefend op het hoofd van [voornaam slachtoffer].

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de door verdachte in een aantal van zijn verklaringen beschreven en tijdens de reconstructie getoonde botsmomenten, niet tot de conclusie kan worden gekomen dat die botsmomenten, op de wijze zoals deze door verdachte tijdens de reconstructie zijn getoond, het geconstateerde letsel kunnen hebben veroorzaakt en het overlijden van [voornaam slachtoffer] kunnen verklaren. Bij de door verdachte beschreven en getoonde handelingen is geen sprake van de daartoe noodzakelijke grote kracht c.q. het buitengewoon vele geweld c.q. het heftig botsende geweld. De rechtbank acht die door verdachte aangegeven gang van zaken zoals blijkt uit de reconstructie daarom ongeloofwaardig.

Om deze reden zal de rechtbank bij de beoordeling van de vragen of verdachte opzettelijk uitwendig geweld heeft toegepast tengevolge waarvan [voornaam slachtoffer] is overleden en of verdachte dit heeft gedaan met de opzet om [voornaam slachtoffer] van het leven te beroven, niet uitgaan van de door verdachte afgelegde verklaringen met betrekking tot de toedracht en hetgeen op de reconstructievideo is te zien.

Bij afwezigheid van een plausibele verklaring van verdachte voor het ontstaan van het dodelijke letsel bij [voornaam slachtoffer] zal de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van ‘opzet’ uitgaan van de conclusies zoals deze door de deskundigen [naam patholoog] en [naam deskundige] zijn getrokken.

Beide deskundigen hebben, zoals gezegd, geconcludeerd dat er voor het toebrengen van het dodelijke letsel bij [voornaam slachtoffer] grote kracht c.q. buitengewoon veel geweld c.q. heftig botsend geweld nodig is geweest.

De rechtbank stelt daaruit vast, dat verdachte handelingen moet hebben verricht die naar hun aard geschikt zijn om dodelijk letsel teweeg te brengen: handelingen die, gelet op de conclusies van de deskundigen, buitengewoon veel geweld of grote kracht vergden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen dergelijke handelingen niet onbewust of per ongeluk door verdachte zijn verricht maar eisen die een zodanige mate van bewustheid dat sprake is van opzettelijk handelen. Gezien dat kennelijk door de verdachte gebruikte, buitengewone, meervoudige, geweld moet verdachte de - naar algemene ervaringsregelen als aanmerkelijke te achten - kans dat [voornaam slachtoffer] door toepassing van dat geweld zou overlijden, bewust hebben aanvaard.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat bewezen kan worden dat verdachte opzettelijke [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk uitwendig geweld toe te passen op en/of tegen het hoofd van [slachtoffer] tengevolge waarvan [voornaam slachtoffer] is overleden.

Door de raadsman is bepleit dat er bij verdachte geen sprake kan zijn van opzet. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bewustzijn van verdachte gedurende de betreffende avond van 8 op 9 december 2009 was aangetast door het gebruik van het medicijn Tramadol. Blijkens het Farmacotherapeutisch Kompas, kan het gebruik van Tramadol als bijwerking motorische spierzwakte, verwardheid en duizeligheid met zich brengen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard “een stoned gevoel” te hebben ervaren.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman omdat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat verdachte die dag, voorafgaand aan de avond van dinsdag 8 op woensdag 9 december 2009, onder de invloed was van het medicijn Tramadol.

3b. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 8 december 2009 tot en met 9 december 2009 te Bergen op Zoom , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meer vorm(en) van uitwendig geweld op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] toegepast, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, met name ook niet uit het pro justitia rapport opgemaakt door [naam psychiater], psychiater, en [naam psycholoog], GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum. Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, betreffende verdachte, gedateerd 15 juni 2010.

Door de verdachte is bepleit dat de rechtbank geen gebruik mag maken van het pro justitia rapport, nu het rapport eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. De beperking waar de verdachte op doelt, is enkel van toepassing indien de rechtbank van het pro justitia rapport gebruik wil maken om tot de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling te kunnen komen. Er is geen wettelijke bepaling die in de weg staat aan kennisname van het rapport wat betreft de strafbaarheid van verdachte. Het gaat immers om de beantwoording van de vraag of verdachte op het moment waarop het tenlastegelegde is gepleegd leed aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van het geestvermogen en de eventuele oorzakelijke invloed daarvan op het bewezen verklaarde feit. De informatie (geraadpleegde stukken en onderzoek van verdachte) op grond waarvan die vraag is beantwoord is na het uitbrengen van de rapportage niet gewijzigd.

6a. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Door de officier van justitie is voor de afdoening van het primair tenlastegelegde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren geëist.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het mocht komen tot een strafoplegging, er rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop en de ernstige schending van het recht op ‘fair trail’ door – kort gezegd – het ongeoorloofde contact tussen de rechtbank en het openbaar ministerie buiten de terechtzitting.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd

24 januari 2012

• een pro justitia rapport opgemaakt door [naam psychiater], psychiater, en [naam psycholoog], GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum. Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, betreffende verdachte, gedateerd 15 juni 2010.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij de destijds zes maanden oude [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Doodslag is één van de ernstigste commune misdrijven. Het doden van een medemens is onomkeerbaar. Dieper ingrijpen in een mensenleven dan door het leven te beëindigen is niet denkbaar.

Het onderhavige misdrijf heeft groot verdriet en een enorme schrik teweeg gebracht bij de nabestaanden en de samenleving, terwijl het voor de nabestaanden bijzonder moeilijk moet zijn om een dergelijk zwaar verlies te dragen.

De rechtbank beoordeelt het bewezen verklaarde feit als zeer ernstig. Dit wordt nog eens versterkt door de omstandigheid het feit dat het slachtoffer [voornaam slachtoffer] een hulpeloze baby was en verdachte mede de zorg voor haar had.

Door zijn ontkenning heeft verdachte geen inzicht willen geven in het waarom van zijn handelen. Als gevolg daarvan kan de rechtbank dan ook geen rekening houden met omstandigheden die mogelijk tot beter begrip van het feit hadden kunnen leiden.

In het hiervoor aangehaalde pro justitia rapport van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum wordt geconcludeerd dat het feit verdachte volledig kan worden toegerekend.

Voor de bestraffing van dit ernstige feit is dan ook uitsluitend een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren geëist.

De rechtbank acht dit op zich een passende straf.

Ter terechtzitting van 16 december 2011 heeft de rechtbank overwogen dat er in deze zaak sprake is geweest van vormverzuimen dan wel schendingen van de beginselen van behoorlijke procesorde. Er is buiten de behandeling ter terechtzitting contact geweest tussen de rechtbank en het openbaar ministerie op een wijze die niet had gemogen en die niet ter terechtzitting is verantwoord.

Bovendien is later, bij de behandeling van de wraking, ook nog gezwegen waar gesproken en opening van zaken geboden had moeten worden.

Hoewel het in dit geval niet gaat om vormverzuimen tijdens het voorberediend onderzoek zal de rechtbank naar analogie hier het sanctiepatroon van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toepassen en dient het feilen naar het oordeel van de rechtbank te leiden tot strafvermindering met 1 (een) jaar.

Een en ander heeft tot gevolg dat de rechtbank zal komen tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren.

Hiermee is ook het tijdsverloop gecompenseerd dat is veroorzaakt door deze juridische complicatie.

6b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [moeder van slachtoffer] vordert een bedrag van in totaal € 15.319,00.

De vordering bestaat uit de volgende posten:

1. materiële schade (aanschaf urn) € 192,00

2. immateriële schade € 15.000,00

3. kosten rechtsbijstand € 127,00

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.319,00 wordt toegewezen, te weten € 192,00 materiële schade, € 127,00 kosten rechtsbijstand en een bedrag van € 5.0000,00 immateriële schade.

Hij heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het daarbij behorende aantal dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is primair bepleit dat, nu verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij wat betreft de materiële schade en de kosten rechtsbijstand kan worden toegewezen. Wat betreft de gevorderde immateriële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege gebrek aan onderbouwing en onevenredige belasting van het strafgeding, vanwege moeilijkheid van vaststellen van de immateriële schade. Mocht de rechtbank enig bedrag bij wijze van voorschot aan immateriële schade toewijsbaar achten dan refereert de raadsman zich wat betreft de hoogte van dit bedrag.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

De rechtbank acht de vordering wat betreft de gevorderde materiële schade - nu het primair tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar.

De vordering zal voor dit deel dan ook volledig worden toegewezen.

De rechtbank acht voorts voldoende bewezen dat de benadeelde partij door hetgeen waarvoor verdachte wordt veroordeeld immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 5.000,00 aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De benadeelde partij zal voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu een exacte vaststelling van (het meerdere van) de geleden immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Voor het toewijsbare deel van de vordering zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen en dus verdachte de verplichting opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [moeder van slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [moeder van slachtoffer], p/a advocatenkantoor Bos, [adres], te betalen € 5.319,00 (zegge vijfduizenddriehonderdennegentien euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 5319,00, subsidiair 61 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [moeder van slachtoffer], p/a advocatenkantoor Bos, [adres], te betalen € 5.319,00 (zegge vijfduizenddriehonderdennegentien euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 61 (éénenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. L.C.P. Goossens, mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en mr. J.M.J.M. Doon, rechters,

in tegenwoordigheid van M.H.J. Materman, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2012.