Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV7309

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
685938 cv 11-7738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter wijst de vordering van ING af nu haar stellingen en producties onvoldoende informatie bevatten om te kunnen vaststellen of ING de vereisten van artikel 33 aanhef en onder c sub 1 WCK in acht heeft genomen. Bovendien heeft ING de omvang van haar vordering onvoldoende onderbouwd c.q. heeft zij haar stellingen omtrent de omvang van haar vordering, na het (zowel bij antwoord als antwoordakte gevoerde) gemotiveerde verweer van gedaagde dat de hoofdsom te hoog is, onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Breda

zaak/rolnr.: 685938 CV EXPL 11-7738

vonnis d.d. 29 februari 2012

inzake

de naamloze vennootschap ING Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde: Vesting Finance te Hilversum,

tegen

[X],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

procederend in persoon.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 11 oktober 2011 met producties;

b. het extract audiëntieblad van de rolzitting van 26 oktober 2011 bij welke gelegenheid gedaagde voor antwoord heeft geconcludeerd en producties in het geding heeft gebracht;

c. de akte zijdens eiseres van 21 december 2011 met producties;

d. het extract audiëntieblad van de rolzitting van 18 januari 2012 bij welke gelegenheid gedaagde een antwoordakte, tevens houdende eis in reconventie heeft genomen en producties in het geding heeft gebracht;

e. de akte zijdens eiseres van 1 februari 2012.

2. Het geschil

In conventie:

2.1 Eiseres (verder te noemen ING) vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde (verder te noemen [X]) te veroordelen tot betaling van € 23.399,24, vermeerderd met de vertragingsrente van 0,647 % per maand over € 20.566,18 vanaf 11 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [X] in de proceskosten.

2.2 [X] voert verweer.

In reconventie:

2.3 [X] vordert in rechte – naar de kantonrechter begrijpt – ING te veroordelen om te bewerkstelligen dat de BKR notering van hem en zijn echtgenote zal worden verwijderd.

3. De beoordeling

In conventie:

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, danwel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partijen het volgende vast:

- [X] en zijn toenmalige partner [Y] hebben op 14 september 1999 een krediet bij

de rechtsvoorgangster van ING aangevraagd. [X] en [Y] hebben op het aanvraagformulier het volgende ingevuld: ‘(…) gewenste kredietlimiet f 30.000,00 Bestedingsdoel verhuizing (…) Direct op te nemen bedrag f 15.000,=’.

- De kredietovereenkomst tussen de rechtsvoorgangster van ING en [X] is op 23 september 1999 tot stand gekomen. Uit hoofde van deze overeenkomst heeft de rechtsvoorgangster van ING aan [X] een krediet in rekening courant toegestaan tot een maximum bedrag van fl. 30.000,00 (€ 13.610,41). In de overeenkomst is – voor zover thans van belang – het volgende bepaald: ‘(…) De kredietnemer verplicht zich, zodra een dispositie heeft plaatsgevonden, om maandelijks een bedrag aan rente en aflossing te betalen volgens onderstaande opgave. (…) Maandelijks verschuldigd bedrag f. 600,00 (…) Op deze overeenkomst zijn voorts de aan de keerzijde vermelde voorwaarden van toepassing. (…)’

- [X] is bij vonnis van 8 augustus 2000 in staat van faillissement verklaard. In de beschikking van 14 november 2006 heeft de rechtbank Breda de opheffing van het faillissement bevolen.

- De gemachtigde van ING heeft [X] op 18 juni 2008 en 5 augustus 2008 gesommeerd om binnen respectievelijk 10 en 5 dagen een bedrag van (respectievelijk) € 20.566,18 en € 20.755,50 aan haar te voldoen.

- [X] heeft de gemachtigde van ING op 1 juli 2008, 10 en 21 augustus 2008 en 21 september 2008 verzocht de vordering nader te specificeren.

- De gemachtigde van ING schrijft in haar brief van 13 augustus 2008 aan [X]: ‘(…) Voor de door u gevraagde specificaties verwijzen wij u naar uw eigen administratie en de rekening en verantwoording door uw curator. (…)’ en in haar brief van 27 augustus 2008: ‘(…) Vordering 1842384 betreft een doorlopend krediet (…) het saldo bedraagt per heden € 20.755,50 negatief. Met betrekking tot de vordering inzake het doorlopend krediet ontvangt u bijgaand een kopie van het door u ondertekende contract. (…) Daar wij nu aan u de vordering hebben gespecificeerd verwachten wij van u op korte termijn een reactie (…).’

3.2 ING vordert in rechte betaling van het saldo van de kredietovereenkomst te vermeerderen met overeengekomen vertragingsrente. Zij legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat tussen haar en [X] een kredietovereenkomst tot stand is gekomen en dat [X] met de betaling van 2 termijnen in gebreke is gebleven zodat het gehele krediet ineens opeisbaar is geworden.

3.3 [X] voert – naar de kantonrechter begrijpt – aan dat het saldo van de hoofdsom te hoog is omdat hij en zijn echtgenote slechts fl. 15.000,00 van het krediet hebben opgenomen en omdat zij bovendien op het krediet hebben afgelost. Voorts voert [X] aan dat sprake is van verjaring omdat hij ruim 8 jaar niets van ING of haar rechtsvoorgangster heeft vernomen, ook niet gedurende het faillissement. Tot slot voert [X] aan dat de hoofdsom niet zo hoog zou zijn geworden, indien ING hem en zijn echtgenote daarop eerder geattendeerd zou hebben of indien ING haar vordering op zijn echtgenote zou hebben verhaald.

3.4 In de onderhavige zaak is sprake van een overeenkomst waarop de consumentbeschermende dwingendrechtelijke bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet (WCK) van toepassing zijn. In artikel 33 aanhef en onder c sub 1 WCK is bepaald dat een kredietovereenkomst nietig is voor zover daarbij vervroegde opeisbaarheid van het door de kredietnemer verschuldigde wordt bedongen, anders dan voor het geval dat de kredietnemer, die gedurende tenminste twee maanden (en niet twee termijnen zoals ING stelt) achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen.

3.5 De kantonrechter is van oordeel dat de stellingen en producties van ING onvoldoende informatie bevatten om te kunnen vaststellen of (de rechtsvoorgangster van) ING de vereisten van artikel 33 aanhef en onder c sub 1 WCK in acht heeft genomen. Niet is gebleken dat het krediet door ING op rechtsgeldige wijze is opgeëist, terwijl bovendien niet is gebleken dat [X] voor een voldoende betalingsachterstand in gebreke is gesteld. Andere stukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat aan deze wettelijke vereisten is voldaan, zijn niet door ING in het geding gebracht.

3.6 Voorts is de kantonrechter van oordeel dat ING de omvang van haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd c.q. dat zij haar stellingen omtrent de omvang van haar vordering na het (zowel bij antwoord als antwoordakte gevoerde) gemotiveerde verweer van [X] dat de hoofdsom te hoog is, onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. ING heeft niet alleen nagelaten een betalingsoverzicht en een renteberekening in het geding te brengen, zij heeft eveneens nagelaten inzichtelijk te maken welk deel van de hoofdsom bestaat uit door [X] opgenomen bedragen, kredietvergoeding en vertragingsvergoeding. Gelet op het verweer van [X] kon ING naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan met de verwijzing naar haar producties (waarin niet veel meer is te lezen dan dat de vordering een doorlopend krediet betreft) en de stelling dat het specificeren van de vordering haar veel moeite kost. ING zal daarom ondanks haar aanbod niet alsnog in de gelegenheid worden gesteld haar vordering nader te specificeren. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van ING zal worden afgewezen.

3.7 Nu de vordering van ING wordt afgewezen, behoeven de overige verweren van [X] geen bespreking meer.

3.8 ING zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. Deze worden aan de zijde van [X] begroot op nihil nu niet gesteld of gebleken is dat door hem kosten zijn gemaakt.

In reconventie:

3.9 Hetgeen hiervoor in conventie is overwogen dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

3.10 De kantonrechter constateert dat ING niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de vordering in reconventie van [X]. Gelet op het navolgende zal de kantonrechter ING die gelegenheid niet alsnog bieden.

3.11 In artikel 137 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de eis in reconventie dadelijk bij het antwoord dient te worden ingesteld. Nu [X] zijn eis in reconventie eerst bij antwoordakte heeft ingesteld, wordt aldus aan deze eis niet voldaan. [X] kan dan ook niet in zijn vordering worden ontvangen.

3.12 [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. Deze worden aan de zijde van ING begroot op nihil nu ING niet inhoudelijk op de vordering van [X] heeft gereageerd.

4. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

wijst de vorderingen van ING af;

veroordeelt ING in de kosten van dit geding, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op nul.

In reconventie:

verklaart [X] niet ontvankelijk in zijn vordering;

veroordeelt [X] in de kosten van dit geding, aan de zijde van ING tot op heden begroot op nul.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M.L. Van den Bosch- van de Sande, en in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.