Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV3900

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
02-800482-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-Feit 1: Voldoende bewijs aanwezig voor poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

-Feit 2: Om tot een bewezenverklaring van de bedreiging te komen is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk dat precies komt vast te staan welke van de in de tenlastelegging genoemde woorden door verdachte zijn gebruikt.

-Feit 1 en 2: Beroep op putatief noodweer is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800482-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Den Ouden, advocaat te Goirle.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2012.

Ter zitting is door de rechtbank vastgesteld dat de oproeping alsmede de vordering nadere omschrijving tenlastelegging in persoon aan verdachte zijn betekend. Verdachte is echter niet ter zitting verschenen. Wel is verschenen haar raadsman. De raadsman heeft aangegeven slechts ten aanzien van de eerste twee op de vordering nadere omschrijving tenlastelegging genoemde feiten te zijn gemachtigd om namens verdachte op te treden. Met betrekking tot het als derde genoemde feit stelt de raadsman niet te zijn gemachtigd.

De officier van justitie, mr. Smale, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer

feit 1: dat verdachte op 4 mei 2011 heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2: dat op 4 mei 2011 verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd.

feit 3: dat verdachte op 19 oktober 2010 [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen. Daarbij baseert zij zich op de verklaringen die aangever [slachtoffer 1] en getuige [getuige 1] hebben afgelegd. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte en [slachtoffer 1] dicht bij elkaar stonden, dat hij vervolgens heeft gezien dat [slachtoffer 1] in een angstreflex de deur heeft dichtgetrokken en dat hij daarna het schrapende geluid van een mes over de deur heeft gehoord. [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat het mes van verdachte op een afstand van ongeveer 10 cm langs zijn gezicht ter hoogte van zijn keel zwierde. Bij de rechter-commissaris heeft hij aangegeven dat het mes van verdachte op 3 centimeter afstand van hem is gekomen. Indien het mes van verdachte [slachtoffer 1] daadwerkelijk zou hebben geraakt ter hoogte van zijn bovenlichaam of hals, dan had dit volgens de officier van justitie zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] kunnen veroorzaken.

De officier van justitie acht feit 2 eveneens wettig en overtuigend bewezen. Zij stelt in dit verband dat uit het dossier duidelijk blijkt dat verdachte boos was op [slachtoffer 1]. Verdachte heeft dit zelf ook verklaard. [slachtoffer 1] heeft aangegeven dat verdachte heeft geschreeuwd: “Ik steek je neer”. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd: “Ik prik je, ik prik je”. De officier van justitie acht op grond van het voorgaande voldoende bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] verbaal heeft bedreigd. Niet ieder onderdeel van de tenlastelegging behoeft door meerdere bewijsmiddelen te worden gedekt, aldus de officier van justitie.

Met betrekking tot feit 3 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd, gelet op de aangifte van [slachtoffer 3], de verklaring van (getuige) alsmede de verklaring van verdachte dat zij tegen [slachtoffer 3] heeft geroepen: “Als je me aanraakt dan steek ik jou”.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1, zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde, kan komen. Hij wijst in dit verband op de ontkennende verklaring van verdachte. Verdachte verklaart dat zij ziek en spastisch was op het moment dat zij met [slachtoffer 1] werd geconfronteerd. Zij zegt een mes te hebben gepakt en dit voor haar lichaam te hebben gehouden, maar zij ontkent van haar bed te zijn opgestaan en met het mes een stekende beweging in de richting van [slachtoffer 1] te hebben gemaakt. Er liggen in het dossier twee belastende verklaringen, te weten die van [slachtoffer 1] en die van [getuige 1], maar die verklaringen wijken van meet af aan op belangrijke punten van elkaar af. De raadsman leidt uit de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen af dat [slachtoffer 1] de neiging heeft onjuistheden te vertellen dan wel zaken te overdrijven. De beelden van de beveiligingscamera van [naam daklozenopvang] zijn niet meer beschikbaar, dus deze kunnen de verklaring van [slachtoffer 1] ook niet ondersteunen. Het voorgaande in aanmerking nemende stelt de raadsman zich op het standpunt dat de overtuiging ontbreekt dat de situatie op 4 mei 2011 zo is geweest als [slachtoffer 1] en [getuige 1] hebben verteld.

De raadsman vraagt voorts vrijspraak van feit 2. Hiertoe voert hij aan dat verdachte bij de politie heeft betwist dat zij de in de tenlastelegging genoemde woorden heeft gebruikt. Opvallend is dat [slachtoffer 1] en [getuige 1] expliciet aangeven wat verdachte zou hebben gezegd, maar dat die uitspraken totaal niet op elkaar lijken. Om tot een bewezenverklaring van een verbale bedreiging te komen is van belang te weten welke bewoordingen door verdachte zijn gebruikt. Zeker in dit geval – waarin verdachte, [slachtoffer 1] en [getuige 1] op korte afstand van elkaar stonden en alles in een fractie van een seconde is gebeurd – moet het mogelijk zijn om een eenduidig verhaal te hebben. Nu hiervan geen sprake is, stelt de raadsman zich op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 2

Op 4 mei 2011 wordt door [slachtoffer 1] aangifte gedaan van bedreiging. Deze bedreiging heeft plaatsgevonden tussen 4 mei 2011 te 00.50 uur en 4 mei 2011 te 1.00 uur in Tilburg. Aangever [slachtoffer 1] heeft hierover verklaard dat hij die nacht werkzaam was als nachtwaker bij daklozenopvang [naam daklozenopvang]. Omstreeks 00.30 uur kreeg hij van zijn collega, [voornaam] [getuige 1], telefonisch het verzoek om met spoed assistentie te verlenen in verband met een agressieve bewoonster, zijnde verdachte. Verdachte was stennis aan het schoppen voor de deur van huisdealer [naam] in het Sociaal Pension van [naam daklozenopvang]. [slachtoffer 1] heeft verdachte daar aangesproken en verdachte is hierna naar haar kamer gegaan. Na van [naam] te hebben gehoord dat verdachte stennis aan het schoppen was, omdat zij meer drugs van [naam] wilde hebben, is [slachtoffer 1] naar de kamer van verdachte gegaan om haar daarop aan te spreken. [slachtoffer 1] sprak verdachte aan en vervolgens flipte verdachte helemaal. [slachtoffer 1] heeft haar daarop verzocht 2 uur naar buiten te gaan om af te koelen. Op dat moment stond [slachtoffer 1] in de deuropening. Toen hij daar stond zag hij verdachte uit het niets met een gekarteld bestekmes van ongeveer 15 centimeter op hem insteken. Het mes zwierde op een afstand van ongeveer 10 centimeter ter hoogte van zijn keel langs hem. Hij kon het mes nog net op tijd ontwijken door zijn hoofd naar achteren trekken. Getuige [getuige 1] stond iets achter [slachtoffer 1] toen [slachtoffer 1] in deuropening van de kamer van verdachte stond. Hij zag dat [slachtoffer 1] op een gegeven moment de deur dichttrok en hij hoorde dat [slachtoffer 1] tegen hem zei dat verdachte met een mes in zijn richting stak. Hij heeft bij [slachtoffer 1] een angstreflex gezien.

Primair is vorenstaande ten laste gelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging tot zware mishandeling. De vraag is hoe bovenstaande gekwalificeerd dient te worden. De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Anders dan de verdediging, en met de officier van justitie, is de rechtbank echter wel van oordeel dat feit 1 subsidiair, een poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft verklaard een mes te hebben gepakt en deze voor haar lichaam in de richting van [slachtoffer 1] te hebben gehouden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte stekend op hem afkwam. Die bewegingen passen bij elkaar en de rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte met een mes een stekende beweging in de richting van [slachtoffer 1] heeft gemaakt. Weliswaar heeft het mes [slachtoffer 1] niet geraakt, maar dat dit niet is gebeurd is naar het oordeel van de rechtbank geenszins aan verdachte te danken. Verdachte verkeerde in opgewonden toestand en stak met een mes in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 1]. Wanneer [slachtoffer 1] niet op tijd zijn hoofd naar achteren had getrokken en de deur dicht had getrokken, had verdachte met het mes op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] ingestoken. De hiervoor omschreven handelingen hadden zwaar lichamelijk letstel van [slachtoffer 1] tot gevolg kunnen hebben en zijn daarmee uitvoeringshandelingen van zware mishandeling. De handelingen van verdachte moeten qua verschijningsvorm ook geacht worden daarop gericht te zijn geweest. Door aldus te handelen heeft verdachte zich ook willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en heeft zij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. Dat verdachte volgens psychiater [naam deskundige] destijds verminderd toerekeningsvatbaar was, sluit niet uit dat sprake is geweest van opzettelijk handelen aan haar zijde.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij verdachte, tijdens en na voornoemd incident, hoorde schreeuwen: “Ik steek je neer”. Getuige [getuige 1] hoorde verdachte op dat moment tegen [slachtoffer 1] schreeuwen: “Ik prik je, ik prik je”. Uit het voorgaande blijkt dat verdacht ofwel de woorden “Ik steek je neer” ofwel de woorden “Ik prik je, ik prik je” heeft gebruikt. Deze woorden zijn niet zodanig verschillend dat op basis daarvan moet worden geconcludeerd dat er niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Beide bewoordingen houden in dat er wordt gedreigd om [slachtoffer 1] met het mes, dat verdachte in haar hand had, te raken. Om tot een bewezenverklaring van de bedreiging te komen is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk dat precies komt vast te staan welke van de in de tenlastelegging genoemde woorden door verdachte zijn gebruikt.

Feit 3

Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken. Verdachte wordt volgens de tekst van de tenlastelegging verweten dat zij [slachtoffer 2] heeft bedreigd, maar in het dossier ligt een aangifte van bedreiging van [slachtoffer 3] Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanig verschil in namen, zeker nu de naam [slachtoffer 2] als zodanig elders in het dossier (in het kader van de feiten 1 en 2) voorkomt, dat hier niet gesproken kan worden van een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging die de rechtbank ambtshalve kan wijzigen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. (subsidiair)

op 04 mei 2011 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een mes in de richting van het bovenlichaam van deze [slachtoffer 1] heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 04 mei 2011 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"ik steek je neer!" en/of "ik prik je, ik prik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De raadsman heeft met betrekking tot beide feiten een beroep gedaan op putatief noodweer. In dit verband verwijst hij naar het op 28 juli 2011 door psychiater [naam deskundige] uitgebrachte rapport, waarin is aangegeven dat er bij verdachte sprake is van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld, dat verdachte wanen niet kan scheiden van de werkelijkheid en dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is te achten voor de haar ten laste gelegde delicten.

Onder putatief noodweer wordt verstaan dat men abusievelijk in de veronderstelling leeft zich te moeten verdedigen dan wel zich te mogen verdedigen. Het (dreigend) gevaar is dus ingebeeld, oftewel de verdachte heeft zich in de feitelijke situatie vergist. Voorwaarde is aldus dat verdachte een vergissing heeft begaan toen zij zich wilde verweren, maar dat die vergissing ook begrijpelijk is. Een ander zou in haar geval normaal gesproken dezelfde vergissing moeten hebben gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat hiervan echter geen sprake is. Daarbij verwijst de rechtbank naar de eigen verklaring van verdachte. Zij heeft bij de politie verklaard dat zij, toen een voor haar onbekende man ([slachtoffer 1]) de deur van haar kamer opende, daar ook de bewaker van het pension zag staan. Uit deze laatste omstandigheid kan niet worden afgeleid dat verdachte een reden had om aan te nemen dat zij zou worden aangevallen en zich eigenlijk ten onrechte heeft verdedigd. Het beroep op putatief noodweer zal dan ook worden afgewezen.

Nu het beroep op putatief noodweer is verworpen, is verdachte strafbaar. Ook overigens is niet gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 101 dagen met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de eventueel op te leggen straf aangevoerd dat hij een gevangenisstraf, gelijk aan het voorarrest van verdachte van 101 dagen, passend acht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 4 mei 2011 schuldig gemaakt aan een poging om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen alsmede aan een bedreiging van [slachtoffer 1] met de dood. Aangezien er in wezen sprake is van één feitencomplex, zal de rechtbank hiermee bij de strafbepaling rekening houden.

Tevens zal de rechtbank bij het opleggen van de straf de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking nemen. Verdachte is bekend met een cocaïneverslaving en verblijft al vele jaren in het Sociaal Pension van [naam daklozenopvang]. Blijkens het rapport van psychiater [naam deskundige] van 28 juli 2011 is verdachte vanwege haar paranoïde psychotisch toestandsbeeld verminderd toerekeningsvatbaar te achten ten aanzien van voormelde feiten. De heer [naam], verpleegkundige van het ACT-team van de GGZ te Tilburg, heeft op 17 januari 2012 schriftelijk bericht dat verdachte een onrustige en psychotische periode achter de rug heeft, maar dat er sinds ruim een maand een positieve ontwikkeling gaande is, waarbij verdachte positief tegenover haar medicatie staat en er een betere samenwerking met de hulpverlening mogelijk is.

De rechtbank acht één feit minder bewezen dan de officier van justitie. Gelet hierop en op met name de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het met betrekking tot de feiten 1 en 2 inbeslaggenomen goed, te weten een steakmes met een zwart heft, vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het voorwerp bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten is aangetroffen, terwijl de feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van dit voorwerp.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 45, 55, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van

feit 1 primair;

feit 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

het onder feit 2 bewezen verklaarde feit is begaan in eendaadse samenloop met het onder feit bewezen verklaarde feit;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een steakmes met een zwart heft;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pick, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Kneepkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

3 februari 2012.

Mr. Kneepkens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

zij op of omstreeks 04 mei 2011 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] (nachtwaker bij [naam daklozenopvang]) van het leven te beroven, met dat opzet een steek- dan wel snijbeweging met een mes, althans een scherp voorwerp, in de richting van de hals en/of het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 04 mei 2011 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een mes, althans een scherp voorwerp, in de richting van de hals en/of het bovenlichaam van deze [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of met dat mes richting de hals en/of bovenlichaam van deze [slachtoffer 1] een snijdende beweging heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 04 mei 2011 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"ik steek je neer!" en/of "ik prik je, ik prik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 19 oktober 2010 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 2] een mes getoond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd :"als je me aanraakt steek ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht