Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV3891

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
02-800746-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meermalen met kracht slaan met een stok op het hoofd van het slachtoffer wordt niet aangemerkt als poging doodslag, maar als poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Beroep op noodweer wordt afgewezen. Beroep op noodweerexces wordt eveneens afgewezen, omdat er bij verdachte sprake is geweest van een moment van bezinning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800746-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. J. van Boekel, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 9 juli 2011 heeft geprobeerd – al dan niet met voorbedachten rade – [slachtoffer] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

subsidiair: op 9 juli 2011 – al dan niet met voorbedachten rade – [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een stuk hout met puntige uitsteeksels meermalen op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Hij concludeert dat in het dossier verschillende verklaringen terug te vinden zijn over het door verdachte gebruikte stuk hout, maar dat de beschrijvingen van dit stuk hout niet eenduidig zijn. Het voorgaande in aanmerking nemende alsmede op basis van de medische verklaring met betrekking tot het door [slachtoffer] opgelopen letsel is de officier van justitie van mening dat er onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag. Gelet op verschillende in het dossier aanwezige getuigenverklaringen dat verdachte het stuk hout met beide handen vast heeft gehad en hiermee met volle kracht meermalen op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, kwalificeert de officier van justitie de handelingen van verdachte als een poging tot zware mishandeling.

Uit de verklaring van verdachte dat hij in de supermarkt tegen [slachtoffer] heeft geroepen dat hij hem terug zou zien, dat hij vervolgens naar huis is gereden om een stuk hout te halen en dat hij daarna naar de supermarkt terug is gegaan om bij [slachtoffer] verhaal te halen, leidt de officier van justitie voorts af dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Naar de mening van de officier van justitie is in de supermarkt misschien sprake geweest van een noodweersituatie, maar is aan deze situatie in ieder geval een einde gekomen op het moment dat verdachte en [slachtoffer] door omstanders uit elkaar zijn gehaald. Door vervolgens naar huis te gaan heeft verdachte gelegenheid gehad voor bezinning. Er kan volgens de officier van justitie dan ook niet worden gesproken van een noodweerexcessituatie op het moment dat verdachte terugkomt op de parkeerplaats van de supermarkt en [slachtoffer] aldaar met een stuk hout slaat.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is met de officier van justitie van mening dat niet kan worden bewezen dat verdachte met het door hem gebruikte stuk hout een mens heeft kunnen doden. De raadsman kan zich voorts vinden in het standpunt van de officier van justitie dat het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling.

De raadsman is anders dan de officier van justitie echter van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld. In dit verband verwijst hij naar de rapportage van psycholoog [naam deskundige] d.d. 5 september 2011, waarin wordt aangegeven dat verdachte een stoornis in de impulsbeheersing heeft. Volgens [naam deskundige] heeft verdachte zeer impulsief en onnadenkend gehandeld en kan verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd met betrekking tot het hem ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring overgaat, verzoekt de raadsman verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege noodweer, althans noodweerexces. De raadsman stelt hiertoe dat aanleiding van het feit een ruzie tussen verdachte en [slachtoffer] bij de kassa in de supermarkt is geweest, waarbij sprake is geweest van een handgemeen tussen beide heren. Wie er is begonnen is niet duidelijk, maar vast staat dat [slachtoffer], zoals hij zelf zegt, verdachte op een gegeven moment in een nekklem heeft gepakt en hem zo een tijdje heeft vastgehouden. Verdachte heeft gevoelens van doodsangst gekend tijdens deze verwurging, hetgeen blijkt uit het feit dat verdachte zijn ontlasting niet meer kon ophouden. Als gevolg van die gevoelens van doodsangst raakte verdachte in een heftige gemoedstoestand; hij had geen controle meer over zichzelf. In die gemoedstoestand is verdachte naar huis gegaan, heeft hij daar een tak van een boom gepakt die hij gebruikt om met zijn hond te spelen en is hij vervolgens met die tak op zijn scooter teruggereden naar de supermarkt. Toen hij zag dat [slachtoffer] daar nog steeds was, heeft hij [slachtoffer] met de tak geslagen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 9 juli 2011 heeft bij de kassa in de supermarkt Jumbo aan het [adres] te Tilburg een incident voorgedaan tussen verdachte en aangever [slachtoffer]. Verdachte had slechts 2 boodschappen en vroeg aan [slachtoffer], die een kar vol met boodschappen had, of hij voor mocht gaan. Verdachte mocht dit niet van [slachtoffer]. Vervolgens is er een woordenwisseling en daarna ook een gevecht tussen beide heren ontstaan. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer] verdachte door middel van een nekklem vastgehouden en hem zo een tijdje vastgehouden. Verdachte en [slachtoffer] zijn vervolgens door medewerkers van de winkel uit elkaar gehaald. Verdachte is daarna de winkel uitgelopen, heeft daarbij naar [slachtoffer] geroepen dat hij hem nog wel terug zou zien en is op zijn scooter weggereden. Hij is naar huis gereden en heeft daar een houten tak van een boom met een paar korte zijtakken eraan gepakt die hij gebruikt om met zijn hond te spelen. Daarna is hij op zijn scooter terug gereden naar de Jumbo. Op de parkeerplaats van de Jumbo stond [slachtoffer] zijn boodschappen in zijn auto te laden. Hij stond met zijn rug naar verdachte toe. Verdachte heeft op dat moment het stuk hout met beide handen vastgepakt en [slachtoffer] hiermee meermalen geslagen. [slachtoffer] probeerde de klappen met zijn armen af te weren , maar de slagen werden met volle kracht door verdachte uitgedeeld en [slachtoffer] werd op zijn hoofd en zijn rechterarm geraakt. [slachtoffer] is vervolgens naar het ziekenhuis gebracht, alwaar hij op de spoedeisende hulp is onderzocht. De dienstdoende arts heeft bij hem een flinke barstwond op zijn achterhoofd en een gezwollen rechterelleboog met een grote bloeduitstorting waargenomen.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte met het door hem gebruikte stuk hout [slachtoffer] heeft kunnen doden. Hiervoor beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie over de lengte en de dikte van het betreffende stuk hout. Dit stuk hout is niet meer door de politie teruggevonden en de getuigen verklaren wisselend over het uiterlijk van het stuk hout. Het door [slachtoffer] opgelopen letsel is evenmin zodanig dat dit voldoende indicatie geeft voor een bewezenverklaring van een poging tot moord dan wel doodslag. De rechtbank spreekt verdachte hiervan dan ook vrij.

Gelet op bovenstaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het letsel dat [slachtoffer] uiteindelijk heeft opgelopen is niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, maar door met een stuk hout meermalen met kracht op het hoofd van [slachtoffer] te slaan heeft verdachte wel willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met het vereiste opzet, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer], in de zin van voorwaardelijk opzet, gehandeld.

De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Een medewerker van de supermarkt, getuige [getuige 1], heeft verdachte bij het verlaten van de winkel naar [slachtoffer] horen roepen: “Ik pak je nog wel” of woorden van gelijke strekking. Getuige [getuige 2], een vriend van verdachte, heeft verdachte op dat moment tegen [slachtoffer] horen zeggen: “Wacht hier maar even, want ik kom zo terug”. Verdachte woont naar eigen zeggen op ongeveer 6 minuten loopafstand van de supermarkt. Hij heeft aldus de tijd gehad om de keuze te maken om met zijn scooter van de supermarkt naar zijn huis te rijden, daar een stok te pakken en vervolgens met die stok terug te rijden naar de supermarkt. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis van de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Dat psycholoog [naam deskundige] concludeert dat verdachte in een impulsdoorbraak heeft gehandeld en verminderd toerekeningsvatbaar is te achten ter zake van het hem ten laste gelegde delict doet aan het voorgaande niets af.

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft zich in de supermarkt een situatie voorgedaan waarin verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer], zulks op het moment dat [slachtoffer] hem in de nekklem vasthield. De rechtbank volgt daarbij de stelling van verdachte dat dit moment voor hem dusdanig angstig is geweest dat hij in zijn broek heeft gepoept. Er is in de supermarkt aldus sprake geweest van een noodweersituatie. Deze situatie is echter geëindigd op het moment dat verdachte en [slachtoffer] door medewerkers van de supermarkt uit elkaar zijn gehaald en verdachte de winkel heeft verlaten. Het beroep op noodweer volgt de rechtbank dan ook niet.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte het hem ten laste gelegde delict onder invloed van een hevige gemoedstoestand heeft begaan en of verdachte aldus een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij, toen hij thuis het stuk hout had gepakt, nog aan het denken was of hij [slachtoffer] wel of niet zou slaan. Hij heeft verklaard dat hij hierover nog aan het twijfelen was, terwijl hij terugreed naar de supermarkt. Wanneer men in een hevige gemoedstoestand verkeert, handelt men zonder na te denken. Uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat er geen sprake is geweest van een noodweerexcessituatie.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(primair)

op 09 juli 2011 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met kracht meermalen met een stuk hout met puntige uitsteeksels op het hoofd en de armen van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar omdat het beroep op noodweerexces eveneens onder 4.3 is verworpen. Ook overigens is niet gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 160 uur alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit het volgen van een ambulante behandeling bij de GGZ inhoudt.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht een werkstraf, waarbij een deel van de werkstraf voorwaardelijk wordt opgelegd, een passende straf voor verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. De rechtbank beschouwt dit als een ernstig feit. [slachtoffer] is als gevolg van de handelwijze van verdachte gewond geraakt, maar zijn letsel had veel erger kunnen zijn. Naar de ervaring leert kunnen slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven hiervan ernstige en langdurig psychische gevolgen ondervinden. Naast de gevolgen die het slachtoffer van dit feit ondervindt, worden door een dergelijk misdrijf ook in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt. Extra schokkend is dat het 10-jarige zoontje van het slachtoffer er getuige van is geweest dat zijn vader met een stuk hout meermalen met kracht op zijn achterhoofd werd geslagen. Uit de inhoud van het dossier volgt voorts dat er veel mensen het incident hebben zien gebeuren en dat er onder de omstanders sprake is geweest van flinke consternatie. Verdachte is geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en heeft zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen gekrenkte gevoelens.

De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat in het voordeel van verdachte rekening houden met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Voorts heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte is gescheiden en zorgt al enige jaren voor zijn kinderen van ongeveer 6 en 9 jaar oud. Verdachte heeft financiële problemen en bij vonnis van de rechtbank van 10 november 2011 is op hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

Psycholoog [naam deskundige] vermeldt in haar rapport van 5 september 2011 dat verdachte door zijn beperkte cognitieve capaciteiten onvoldoende zicht heeft gehad op de consequenties van zijn gedrag en dat dit, in combinatie met krenking van onderliggende gevoelens door het gedrag van [slachtoffer], heeft geleid tot een impulsdoorbraak. Zij concludeert dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd met betrekking tot het hem ten laste gelegde.

Reclassering Nederland heeft op 14 september 2011 schriftelijk geadviseerd om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft alsmede dat hij zich voor zijn stoornis in de impulsbeheersing laat behandelen bij de GGZ.

De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 12 juli 2011 geschorst, met (onder meer) als voorwaarde dat hij zich zal melden bij de reclassering en zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering. De reclasseringsbegeleider van verdachte, de heer [naam begeleider], heeft op 16 januari 2012 een (kort) schriftelijk verslag uitgebracht over de huidige stand van zaken met betrekking tot het reclasseringstoezicht. In dit verslag is naar voren gebracht dat verdachte momenteel onder behandeling van een psychologe van de GGZ staat. Deze psychologe heeft te kennen gegeven dat verdachte op het gebied van agressieregulatie/impulsbeheersing/frustratietolerantie nog genoeg te leren heeft. In het verslag is voorts vermeld dat verdachte opmerkelijk veel problemen heeft op verschillende leefgebieden. Het probleemoplossend vermogen van verdachte lijkt niet bijzonder groot te zijn en begeleiding en behandeling lijkt de heer [naam begeleider] dan ook zeker op zijn plaats. Ten slotte geeft de heer [naam begeleider] aan dat verdachte zich zowel bij de GGZ als bij de reclassering coöperatief opstelt en zich keurig aan de gemaakte afspraken houdt.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf van 140 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar recht doet aan de ernst van het gepleegde feit en aan de persoon van verdachte. Met het voorwaardelijke strafdeel beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Ook maakt een voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk. De rechtbank laat het aan de reclassering over of het noodzakelijk wordt geacht dat verdachte gedurende de proeftijd een ambulante behandeling bij de GGZ moet (blijven) ondergaan. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte het reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde opleggen, evenals een meldingsgebod.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: poging tot zware mishandeling;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 140 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte zich ambulant moet laten behandelen door de GGZ;

* dat verdachte zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij deze reclasseringsinstelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pick, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Kneepkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

3 februari 2012.

Mr. Kneepkens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 09 juli 2011 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) meermalen althans eenmaal, met een knuppel (met puntige uitsteeksels) althans een stuk hout (met puntige uitsteeksels) althans een hard voorwerp op het hoofd en/of de arm(en) althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juli 2011 te Tilburg, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (met kracht) meermalen althans eenmaal met een knuppel (met puntige uitsteeksels) althans een stuk hout (met puntige uitsteeksels) althans een hard voorwerp op het hoofd en/of de arm(en) althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht