Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV3817

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
671021 cv 11-4770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Consumentenkoop tweedehands voertuig; criterium non-conformiteit ex art. 7:17 BW; ontbinding; schadevergoeding ex art. 6:277 BW. Het voertuig vertoonde ten tijde van de aankoop diverse gebreken die geen kleinigheden zijn die verwacht mogen worden bij de aanschaf van een twaalfjarig voertuig en gemakkelijk gerepareerd konden konden worden, doch die dermate ernstig van aard zijn dat de koper geen rekening behoefde te houden met de aanwezigheid daarvan. Het voertuig bezit derhalve niet de eigenschappen die de koper op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten, zodat er sprake is van non-conformiteit. Op grond van artikel 7:21 lid 1 BW heeft de koper bij non-conformiteit recht op herstel of vervanging van de zaak. Ingevolge artikel 7:22 lid 2 BW komt de bevoegdheid tot ontbinding de koper slechts toe indien herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, dan wel indien de verkoper niet binnen redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor de koper tot herstel of vervanging is overgegaan. In de periode gelegen tussen 8 oktober 2010 en 24 november 2010 zijn niet alle benodigde reparaties aan het voertuig verricht, terwijl de verkoper in die periode wel redelijkerwijs tot volledig herstel/reparatie van het voertuig had kunnen overgaan. De koper heeft in die periode geen beschikking gehad over het door hem aangekochte voertuig. Derhalve heeft de verkoper niet voldaan aan zijn verplichting om binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper het voertuig te herstellen. De koper had vanaf dat moment het recht om de koopovereenkomst te ontbinden en is terecht tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst overgegaan. Uit hoofde van de op partijen rustende ongedaanmakingsverplichtingen is de koper gehouden het voertuig aan de verkoper te retourneren en de verkoper gehouden tot teruggave van de koopsom aan de koper. Uit artikel 7:22 lid 4 BW volgt dat aanspraak op herstel of vervanging het recht op schadevergoeding onverlet laat. De koper komt op basis van artikel 6:277 BW vergoeding toe van diens schade die hij heeft gelden doordat geen wederzijdse nakoming heeft plaatsgevonden, doch ontbinding wegens de tekortkoming zijdens de verkoper. Op die grond komt voor vergoeding in aanmerking het verschil in de vermogenssituatie bij onberispelijke nakoming enerzijds en de vermogenssituatie bij ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de restitutieverplichtingen, anderzijds.Voorts dient voldaan te zijn aan het verzuimvereiste en dient de schadebeperkingsplicht in acht genomen te zijn. De koper vordert schadevergoeding bestaande uit diverse posten, die al dan niet worden toegewezen op basis van voornoemd wettelijk kader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 671021 CV EXPL 11-4770

vonnis d.d. 8 februari 2012

inzake

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. G.J. van den Hoven, advocaat te Breda,

tegen

[Gedaagde] h.o.d.n. [X]

wonende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.C.M. Bonnier, advocaat te Wijchen.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “[Eiser]” en “[Gedaagde]”.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 6 juli 2011, met producties genummerd 1 tot en met 27;

b. de conclusie van antwoord;

c. de conclusie van repliek, met producties 28 en 29;

d. de conclusie van dupliek.

2. Het geschil

2.1. [Eiser] vordert - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. primair voor recht te verklaren dat [Eiser] op 24 november 2010 met recht is overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst en subsidiair de koopovereenkomst tussen partijen te ontbinden, alsmede [Gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.050,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2010 tot en met 24 juni 2011 ad € 886,02, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 904,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2010, althans de dag der dagvaarding;

II. de koopovereenkomst tussen partijen te vernietigen en [Gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van

€ 19.050,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2010 tot en met 24 juni 2011 ad € 857,04, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 904,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2010, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [Gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

2.2. [Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [Eiser] in de proceskosten.

3. De beoordeling

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten.

- Partijen hebben op 2 oktober 2010 een koopovereenkomst gesloten betreffende een voertuig, type GMC Savana, met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: het voertuig). De overeengekomen koopsom voor dit voertuig bedroeg € 13.500,-. [Eiser] heeft ter voldoening van deze koopsom een personenauto van het merk Hyundai H200 met kenteken [kenteken] ingeruild en daarnaast een bedrag van € 9.000,- aan [Gedaagde] voldaan.

- Op 2 oktober 2010 heeft [Eiser] het voertuig bij [Gedaagde] opgehaald.

- Op 4 oktober 2010 heeft [Eiser] in een telefonisch contact met [Gedaagde] aan laatstgenoemde te kennen gegeven dat het voertuig gebreken vertoonde.

- [Eiser] heeft het voertuig op 5 oktober 2010 naar garagebedrijf [Y] gebracht ten einde de staat van het voertuig te laten controleren, waarna dit garagebedrijf [Eiser] uit veiligheidsoverwegingen heeft afgeraden om met het voertuig te rijden.

- In de brief van 8 oktober 2010 van [Eiser] aan [Gedaagde] heeft [Eiser] diverse gebreken aan het voertuig opgesomd en geschreven dat hij erop vertrouwt dat [Gedaagde] deze gebreken, conform diens telefonische toezegging, binnen een redelijke termijn zal verhelpen.

- Op 10 oktober 2010 heeft [Gedaagde] het voertuig bij [Eiser] opgehaald, ten einde reparaties aan het voertuig te verrichten.

- Bij brief van 24 november 2010 heeft [Eiser] aan [Gedaagde] geschreven - samengevat en voor zover thans van belang - dat het voertuig inmiddels reeds 6 weken bij [Gedaagde] ter reparatie staat, dat dit geen redelijke termijn meer behelst en dat de gebreken nog immer niet zijn verholpen. [Eiser] heeft voorts in deze brief geschreven dat hij wenst over te gaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst en dat [Gedaagde] binnen vijf werkdagen de koopsom aan hem dient te retourneren, bij gebreke waarvan [Eiser] via een gerechtelijke procedure de koopovereenkomst zal trachten te ontbinden en - naast terugvordering van de koopsom - schadevergoeding zal vorderen.

- Uit het rapport van [Z] volgt dat [Gedaagde] het voertuig in de avond van 25 november 2010 aan [Z] heeft aangeboden ter reparatie en dat hij in een handgeschreven briefje onder meer te kennen heeft gegeven dat het voertuig afslaat op het moment dat hij op gas overgaat. Voorts volgt uit dit rapport dat [Z] diverse reparaties aan het voertuig heeft verricht en er nog gebreken aan het voertuig verholpen dienden te worden.

- Bij brief van 30 november 2010 heeft [Gedaagde] aan [Eiser] geschreven dat het voertuig klaar is.

- Bij brief van 6 december 2010 heeft de gemachtigde van [Eiser] [Gedaagde] nogmaals gesommeerd om diens medewerking aan de buitengerechtelijke ontbinding en terugbetaling van de koopsom te verlenen. [Gedaagde] heeft ook aan deze sommatie geen gehoor gegeven.

- Op 14 maart 2011 heeft [Eiser] aan [Q] (hierna te noemen: [Q]) opdracht verleend om het onderhavige voertuig te keuren, waarna dit voertuig op 15 maart 2011 door [Q] is gekeurd. In het expertiserapport van [Q] van deze keuring staan diverse gebreken aan het voertuig opgesomd met betrekking tot de verlichting, de stuurinrichting, de wielen/banden, het remsysteem, de motor, de airconditioning, schade verleden/pas en het niet voldoen aan de eisen voor een camperkenteken. Onder het kopje “conclusie” van dit rapport staat vermeld:

“Het boven omschreven voertuig verkeert in een matige staat en vertoont diverse gebreken. Ook voldoet het voertuig in deze staat niet aan de eisen voor een camperkenteken. De bovengenoemde mankementen van het bovengenoemde voertuig dienen zo spoedig mogelijk gerepareerd te worden. Op dit moment voldoet het voertuig niet aan de minimale APK eisen.”

3.2. [Eiser] legt aan zijn vordering primair ten grondslag dat er sprake is van non-conformiteit van het voertuig en dat hij om die reden terecht is overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst, althans dat deze alsnog in rechte ontbonden dient te worden. Hij stelt daartoe dat hij met [Gedaagde] bij het sluiten van de koopovereenkomst is overeengekomen dat het voertuig op de brug geplaatst zou worden om geïnspecteerd te worden en dat [Gedaagde] drie maanden garantie op het voertuig heeft verstrekt. Volgens [Eiser] heeft hij op 5 oktober 2010 het voertuig ter inspectie naar garagebedrijf [Y] gebracht, welk bedrijf om veiligheidsredenen heeft afgeraden om met het voertuig te rijden. [Eiser] geeft aan dat hij bij brief van 8 oktober 2010 aan [Gedaagde] kenbaar heeft gemaakt welke gebreken het voertuig vertoonde en dat hij hem een redelijke termijn heeft gegund om deze gebreken te verhelpen. [Gedaagde] heeft op 10 oktober 2010 het voertuig bij [Eiser] opgehaald, waarbij [Eiser] aan [Gedaagde] heeft medegedeeld dat hij het voertuig weer nodig had voor zijn vakantie d.d. 25 oktober 2010, aldus [Eiser]. [Eiser] stelt dat het voertuig op die datum echter niet gerepareerd was en dat hij - na herhaaldelijk telefonisch aan [Gedaagde] kenbaar te hebben gemaakt dat hij het voertuig dringend nodig had voor onder meer woon-werkverkeer - bij brief van 24 november 2010 is overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst. Pas na de buitengerechtelijke ontbinding middels voornoemde brief, heeft [Gedaagde] het voertuig ter reparatie aangeboden bij [Z]. In de visie van [Eiser] volgt uit de bevindingen van [Z] dat het voertuig ten tijde van de ontbinding op 24 november 2010 zich nog immer niet in gerepareerde staat bevond en diverse (ernstige) mankementen vertoonde. Voorts meent [Eiser] dat ook uit het expertiserapport van de keuring van het voertuig door [Q] d.d. 15 maart 2011 blijkt dat het voertuig diverse (ernstige) gebreken vertoont, welke overeenkomen met de gebreken zoals opgesomd in de brief van 8 oktober 2010. Nu [Gedaagde] heeft nagelaten de gebreken aan het voertuig te verhelpen, meent [Eiser] dat [Gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst en vordert hij - naast een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst op 24 november 2010 buitengerechtelijk is ontbonden - schadevergoeding ex artikel 6:277 BW ten bedrage van in totaal € 20.840,73, daaronder begrepen de koopsom van het voertuig ad € 13.500,00 alsmede een bedrag van € 886,02 aan reeds verschenen rente en een bedrag van € 904,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Subsidiair legt [Eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat hij heeft gedwaald en vordert hij vernietiging van de koopovereenkomst alsmede voornoemd bedrag aan schadevergoeding.

3.3. [Gedaagde] betwist dat partijen bij het sluiten van de koopovereenkomst hebben afgesproken dat het voertuig ter inspectie op de brug zou worden geplaatst of zou worden gekeurd. Voorts weerspreekt [Gedaagde] dat het voertuig niet de eigenschappen bezit die daarvan verwacht mogen worden. Hij voert daartoe aan dat hij naar aanleiding van de gememoreerde gebreken in de brief van 8 oktober 2010 het voertuig heeft nagekeken en waar nodig (kleine) reparaties heeft uitgevoerd, waaronder vernieuwing van de accu en het schoonmaken en opnieuw tectyleren van de remankerplaten. [Gedaagde] betwist dat de remleidingen versleten zouden zijn en dat de remvoeringen en remtrommels niet in orde zouden zijn of dat er speling op het stuurmechanisme zat, aangezien het voertuig anders niet door de APK-keuring zou zijn gekomen. Nadat hij het voertuig op 10 oktober 2010 bij [Eiser] heeft opgehaald, heeft (de echtgenote van) [Eiser] aanvankelijk herhaaldelijk telefonisch geïnformeerd wanneer het voertuig gereed zou zijn, doch nadien te kennen gegeven van het voertuig af te willen, waarbij is afgesproken dat [Gedaagde] het voertuig voor [Eiser] zou proberen te verkopen door het voertuig op marktplaats.nl te zetten. Volgens [Gedaagde] is dit ook gebeurd, doch een potentiële koper en (de echtgenote van) [Eiser] konden het niet eens worden over de koopprijs. [Gedaagde] geeft aan dat [Eiser] - nadat het voertuig op 10 oktober 2010 bij hem was opgehaald - nimmer meer naar het voertuig is komen kijken om te bezien of de gebreken inmiddels verholpen waren. Op enig moment is aan [Eiser] medegedeeld dat het voertuig gereed was en kon worden opgehaald, doch [Eiser] streefde enkel nog de ontbinding van de koopovereenkomst na, aldus [Gedaagde]. [Gedaagde] voert voorts aan dat het voertuig buiten zijn medeweten om door [Eiser] op 9 maart 2011 is weggehaald bij [Z] en ter keuring is overgebracht naar [Q], die door [Eiser] zelf is aangezocht en bij welke keuring [Gedaagde] niet aanwezig is geweest. Bovendien heeft [Eiser] buiten medeweten van [Gedaagde] om contact gehad met [Z] en is er aan het voertuig gewerkt, terwijl voorts [Eiser] het voertuig enige tijd in bezit heeft gehad alvorens dit ter keuring over te brengen naar [Q], zodat niet meer vastgesteld kan worden wat de staat van het voertuig was, aldus [Gedaagde]. In de visie van [Gedaagde] is er onvoldoende grond voor ontbinding van de koopovereenkomst. Voorts betwist [Gedaagde] dat [Eiser] schade heeft geleden. In dat verband voert [Gedaagde] aan dat er voor [Eiser] geen noodzaak bestond voor vervangend vervoer en dat hij hem nimmer over die behoefte heeft ingelicht. Daarnaast geeft hij aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om eventuele resterende gebreken aan het voertuig te verhelpen, zodat de nota’s ter zake van uitgevoerde reparaties nadat het voertuig op 9 maart 2011 door [Eiser] is opgehaald, niet voor rekening van [Gedaagde] behoren te komen. [Gedaagde] betwist tevens buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn. Ten slotte bestrijdt [Gedaagde] dat er sprake is van dwaling.

3.4. Voorop gesteld dient te worden dat er in het onderhavige geval sprake is van een koopovereenkomst als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW (consumentenkoop). Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Derhalve dient allereerst te worden vastgesteld of [Gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Dienaangaande geldt dat op basis van artikel 7:17 BW een zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst indien zij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. Het antwoord op de vraag wat de koper aan eigenschappen mag verwachten, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de zaak, de hoogte van de prijs, de omstandigheden waaronder de koop plaatsvond en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan. Bij de koop van een tweedehands voertuig geldt dat niet elke onvolkomenheid daaraan maakt dat het gekochte niet aan de overeenkomst beantwoordt. De koper zal, afhankelijk van onder meer ouderdom en prijs daarvan, tot op zekere hoogte rekening moeten houden met het bestaan van mankementen.

3.5. Ter zake de (non)conformiteit ten tijde van de aankoop van het onderhavige voertuig d.d. 2 oktober 2010 wordt als volgt overwogen. [Eiser] heeft in de brief van 8 oktober 2010 aan [Gedaagde] een twaalftal gebreken kenbaar gemaakt die het voertuig volgens hem vertoonde, onder meer het afslaan van de motor bij het overschakelen van benzine naar gas, versleten remleidingen, remvoeringen en remtrommels, aangeroeste remankerplaten, problemen met de accu en speling op het stuurmechanisme. [Gedaagde] betwist dat de remleidingen versleten zouden zijn en dat de remvoeringen en remtrommels niet in orde zouden zijn of dat er speling op het stuurmechanisme zat, aangezien het voertuig anders niet door de APK-keuring zou zijn gekomen. Tevens heeft [Gedaagde] aangevoerd dat hij (kleine) reparaties aan het voertuig heeft uitgevoerd, waaronder vernieuwing van de accu en het schoonmaken en opnieuw tectyleren van de remankerplaten.

Uit de eigen stellingen van [Gedaagde] volgt dat na de aankoop van het voertuig in ieder geval de accu van het voertuig vernieuwing behoefde en dat de remankerplaten moesten worden schoongemaakt en opnieuw getectyleerd. In zoverre vertoonde het voertuig ten tijde van de aankoop dan ook gebreken. Hetzelfde geldt voor het afslaan van de motor bij het overschakelen van benzine naar gas, nu zulks door [Gedaagde] niet is weersproken en vast staat dat hij om (onder meer) die reden het voertuig naar [Z] heeft gebracht ter reparatie van dit gebrek. Met betrekking tot de gestelde speling op het stuurmechanisme en de slijtage aan de remleidingen, remvoeringen en remtrommels geldt dat de stelling van [Gedaagde], dat daarvan geen sprake was omdat het voertuig anders niet APK zou zijn goedgekeurd, geen doel treft. Het enkele feit dat het voertuig APK is goedgekeurd kan op zichzelf niet zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat van de gestelde speling op het stuurmechanisme en de beweerdelijke slijtage/corrosie geen sprake was. Dit geldt temeer, nu uit het rapport van [Q] volgt dat er diverse problemen met betrekking tot het stuurmechanisme zijn geconstateerd en dat de remleidingen ernstig zijn aangetast door corrosie, de remankerplaten links en rechts achter in lichte mate zijn aangetast door corrosie en dat er door het monteren van verschillende remvoeringen en remtrommels sprake was van een verschillende remvertraging hetgeen tot APK-afkeuring kan leiden. [Gedaagde] heeft de inhoud van het rapport van [Q] dienaangaande niet gemotiveerd bestreden, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Anders dan [Gedaagde] betoogt, brengt het feit dat dit rapport als een “partijrapport” moet worden beschouwd, niet met zich dat om die reden aan de inhoud van dit rapport voorbij moet worden gegaan. Aan een dergelijk rapport komt vrije bewijskracht toe. Nu [Gedaagde] echter heeft nagelaten om de inhoud van dit rapport gemotiveerd te bestrijden, dient van de juistheid daarvan te worden uitgegaan. Het dient ervoor te worden gehouden dat de in dit rapport geconstateerde slijtage/corrosie reeds aanwezig was ten tijde van de aankoop van het voertuig, nu het voertuig reeds op 10 oktober 2010 door [Gedaagde] bij [Eiser] is opgehaald en vervolgens ter reparatie dan wel keuring is overgebracht naar [Z] respectievelijk [Q], zodat er nauwelijks met het voertuig is gereden, althans niet in die mate dat de geconstateerde slijtage/corrosie kan zijn opgetreden na de aankoop van het voertuig. Hetzelfde geldt voor de speling op het stuurmechanisme. Het vorenstaande geldt temeer, nu [Eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij op 5 oktober 2010 het voertuig ter inspectie naar garagebedrijf [Y] heeft gebracht, welk bedrijf reeds destijds om veiligheidsredenen heeft afgeraden om met het voertuig te rijden. De overige in de brief van 8 oktober 2010 gememoreerde gebreken, die tevens worden gesignaleerd in het rapport van [Q], zijn door [Gedaagde] eveneens onvoldoende gemotiveerd bestreden. Op grond van het al het vorenstaande luidt de conclusie dan ook, dat het voertuig ten tijde van de aankoop diverse gebreken vertoonde die - in tegenstelling tot hetgeen [Gedaagde] beweert - geen kleinigheden betreffen die verwacht mogen worden bij de aanschaf van een twaalfjarig voertuig en gemakkelijk gerepareerd konden worden, doch waarvan diverse gebreken van dermate ernstige aard zijn dat [Eiser] geen rekening behoefde te houden met de aanwezigheid daarvan. Het voertuig bezit derhalve niet de eigenschappen die [Eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten, zodat er sprake is van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW.

3.6. Ten aanzien van het antwoord op de vraag of [Eiser] op 24 november 2010 terecht is overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst, geldt het volgende. Op grond van artikel 7:21 lid 1 BW heeft de koper bij non-conformiteit recht op herstel of vervanging van de zaak. Ingevolge artikel 7:22 lid 2 BW komt de bevoegdheid tot ontbinding [Eiser] slechts toe indien herstel en vervanging onmogelijk zijn of van [Gedaagde] niet gevergd kunnen worden, dan wel indien [Gedaagde] niet binnen redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor [Eiser] tot herstel of vervanging is overgegaan. Vast staat dat [Eiser] bij brief van 8 oktober 2010 [Gedaagde] op de hoogte heeft gesteld van de gebreken aan het voertuig en hem een redelijke termijn heeft geboden voor herstel van deze gebreken. Voorts staat vast dat [Gedaagde] het voertuig op 10 oktober 2010 bij [Eiser] heeft opgehaald om reparaties aan het voertuig te verrichten. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat tevens vast dat [Eiser] bij die gelegenheid aan [Gedaagde] heeft kenbaar gemaakt dat hij het voertuig weer nodig heeft op 25 oktober 2010 in verband met diens vakantie, doch dat het voertuig op die datum niet was gerepareerd. Tussen partijen is evenmin in geschil dat (de echtgenote van) [Eiser] regelmatig telefonisch bij [Gedaagde] heeft geïnformeerd wanneer het voertuig gereed zou zijn. Ten slotte staat vast dat het voertuig ten tijde van de buitengerechtelijke ontbinding bij brief van 24 november 2010 nog immer niet (afdoende) was gerepareerd. Immers, [Gedaagde] heeft het voertuig pas in de avond van 25 november 2010 ter reparatie aangeboden bij [Z], terwijl ook uit het rapport van [Q] d.d.15 maart 2011 volgt dat de gebreken zoals weergegeven in de brief van 8 oktober 2010 nog immer niet genoegzaam zijn verholpen. Derhalve staat vast dat in de periode gelegen tussen 8 oktober 2010 en 24 november 2010 niet alle benodigde reparaties aan het voertuig zijn verricht. Gesteld noch gebleken is dat [Gedaagde] in de periode van circa zes weken gelegen tussen 8 oktober 2010 en 24 november 2010 redelijkerwijs niet tot volledig herstel/reparatie van het voertuig had kunnen overgaan. Dit terwijl [Eiser] gedurende deze periode geen beschikking had over het door hem aangekochte voertuig. Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat [Gedaagde] op 24 november 2010 niet had voldaan aan zijn verplichting om binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor [Eiser] het voertuig te herstellen, zodat [Eiser] op dat moment het recht had om de koopovereenkomst te ontbinden. De stelling van [Gedaagde], dat (de echtgenote van) [Eiser] op enig moment te kennen heeft gegeven van het voertuig af te willen en dat is afgesproken dat [Gedaagde] het voertuig voor [Eiser] zou proberen door te verkopen, is door [Eiser] gemotiveerd bestreden, stellende dat doorverkoop van het voertuig in ongerepareerde staat voor hem onacceptabel was. Deze stelling van [Eiser] is door [Gedaagde] op zijn beurt niet gemotiveerd bestreden, terwijl ook in de handgeschreven brief d.d. 30 november 2010 (productie 7 bij dagvaarding) van [Gedaagde] zelf staat vermeld: “De afspraak was de auto maken en weer in de verkoop”. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat - ook indien zou zijn afgesproken het voertuig door te verkopen - [Gedaagde] nog immer gehouden was de gebreken aan het voertuig binnen een redelijke termijn te herstellen, hetgeen hij heeft nagelaten. Ook hetgeen overigens door [Gedaagde] is aangevoerd, kan niet tot een andersluidend oordeel ter zake de buitengerechtelijke ontbinding leiden. Nu uit het al het vorenoverwogene voortvloeit dat de buitengerechtelijke ontbinding d.d. 24 november 2010 op goede gronden heeft plaatsgevonden en derhalve effect heeft gesorteerd, zal de gevorderde verklaring voor recht dat [Eiser] op 24 november 2010 met recht is overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst worden toegewezen. Voornoemde ontbinding heeft partijen bevrijd van de uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verbintenissen. Voor zover deze reeds waren nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Toegepast op het onderhavige geval betekent dit dat [Eiser] het voertuig zal moeten teruggeven aan [Gedaagde] en dat [Gedaagde] gehouden is om aan [Eiser] de koopprijs van € 13.500,- te retourneren.

3.7. [Eiser] vordert schadevergoeding ex artikel 6:74 jo. 7:17 jo. 6:277 BW van in totaal een bedrag van € 20.840,73, inclusief de koopsom van het voertuig ad € 13.500,- en een bedrag van € 886,02 aan reeds verschenen rente. Onder punt 3.6. is reeds overwogen dat [Gedaagde] gehouden is om aan [Eiser] de koopprijs van € 13.500,- te retourneren, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen. Ter zake de gevorderde reeds verschenen wettelijke rente ad van € 886,02 heeft [Eiser] nagelaten aan te geven over welke bedrag hij deze rente heeft berekend (over enkel de koopsom van het voertuig of alle door hem opgevoerde schadeposten). Dienaangaande wordt als volgt overwogen. [Eiser] heeft in de brief van 24 november 2010 aan [Gedaagde] een termijn gesteld van vijf werkdagen waarbinnen [Gedaagde] in het kader van de buitengerechtelijke ontbinding dient over te gaan tot retournering van de koopsom. [Gedaagde] heeft dit nagelaten en is derhalve vanaf 30 november 2010 in verzuim ter zake diens ongedaanmakingsverbintenis en is vanaf die datum gehouden tot voldoening van de wettelijke rente over de koopsom van het voertuig. De gevorderde wettelijke rente is in zoverre toewijsbaar.

Naast de koopsom en de rente, vordert [Eiser] schadevergoeding bestaande uit diverse posten.

Uit artikel 7:22 lid 4 BW volgt dat de aanspraak op herstel of vervanging het recht op schadevergoeding onverlet laat. [Eiser] komt op basis van artikel 6:277 BW vergoeding toe van diens schade die hij heeft gelden doordat geen wederzijdse nakoming heeft plaatsgevonden, doch ontbinding wegens de tekortkoming zijdens [Gedaagde]. Op die grond komt voor vergoeding in aanmerking het verschil in de vermogenssituatie bij onberispelijke nakoming enerzijds en de vermogenssituatie bij ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de restitutieverplichtingen, anderzijds. [Eiser] stelt in dat verband dat hij schade heeft geleden bestaande uit vervangend vervoer in de vorm van de aankoop van een tweedehands Renault Clio en de verzekering en wegenbelasting daarvan, een vervangende huurauto bij vakanties en de reiskosten van de begeleiding van de kinderen alsmede reiskosten van openbaar vervoer. Voor het in aanmerking komen voor vergoeding van de schade bestaande uit deze kosten ter zake van vervangend vervoer, is evenwel vereist dat [Gedaagde] in verzuim is komen te verkeren ten aanzien van diens verplichting tot het ter beschikking stellen van vervangend vervoer. [Eiser] heeft weliswaar in de brief van 24 november 2010 aan [Gedaagde] geschreven dat - indien [Gedaagde] zijn medewerking niet verleend aan de buitengerechtelijke ontbinding - in rechte aanspraak gemaakt zal worden op schadevergoeding wegens onder meer kosten ter zake van vervangend vervoer, doch zulks behelst geen ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 BW, waarbij aan [Gedaagde] een redelijke termijn wordt gegund waarbinnen hij aan de verplichting tot het ter beschikking stellen van vervangend vervoer dient te voldoen, terwijl het verzuim ook niet ex artikel 6:83 BW is ingetreden zonder ingebrekestelling. Hetzelfde geldt voor de brief van 6 december 2010 zijdens [Eiser]. Voornoemde kosten komen dan ook reeds om die reden niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten ter zake de verzekering van het onderhavige voertuig zelf en de wegenbelasting daarvoor komen niet voor vergoeding in aanmerking nu [Eiser] deze kosten ook had moeten dragen bij onberispelijke nakoming van de koopovereenkomst en hij - ondanks de op hem rustende schadebeperkingsplicht - heeft nagelaten de verzekering van dit voertuig te beëindigen na buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst. De kosten met betrekking tot de keuring van het voertuig door [Q] en het op basis daarvan opgestelde expertiserapport, komen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ex artikel 6:96 lid 2 sub a BW voor vergoeding in aanmerking. Het in dat kader gevorderde bedrag van

€ 595,- zal derhalve worden toegwewezen. [Eiser] vordert stallingskosten van het voertuig bij [Q] ad € 8,92 per dag over de periode van 13 april 2011 tot en met 24 juni 2011. Uit het expertiserapport van [Q] volgt dat het voertuig reeds op 15 maart 2011 aldaar is afgeleverd ter keuring, die dezelfde dag heeft plaatsgevonden. [Eiser] heeft nagelaten voldoende inzichtelijk te maken waarom het voertuig na de keuring - in de periode van 13 april 2011 tot en met 24 juni 2011 - nog immer bij [Q] gestald diende te blijven. Derhalve heeft [Eiser] niet aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan door het voertuig niet langer bij [Q] te stallen dan voor de keuring noodzakelijk was, zodat deze stallingskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ter zake de factuur van [Z] ad € 542,63 geldt dat [Gedaagde] gehouden is tot voldoening van dit bedrag. Het betreft immers werkzaamheden ter reparatie van het voertuig die in opdracht van [Gedaagde] daaraan zijn verricht, doch welke factuur door [Eiser] is voldaan ten einde het voertuig vrijgegeven te krijgen bij [Z]. Het verweer van [Gedaagde], dat er buiten hem om door [Z] werkzaamheden aan het voertuig in opdracht van [Eiser] zijn verricht, wordt gepasseerd bij gebreke van een deugdelijk concreet gemotiveerde onderbouwing van dit verweer, mede gelet op de stelling van [Gedaagde] dienaangaande bij conclusie van dupliek. Het gevorderde bedrag van € 904,- aan buitengerechtelijke (incasso)kosten komt voor vergoeding in aanmerking. Anders dan [Gedaagde] betoogt, hebben de gevorderde kosten geen betrekking op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. Uit de overgelegde producties en de niet weersproken stellingen van [Eiser] dienaangaande volgt genoegzaam dat er verdergaande werkzaamheden zijn verricht. Nu het gaat om redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt, zal de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke (incasso)kosten worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze kosten is als vermogensschade toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding of zoveel eerder als [Gedaagde] dienaangaande in verzuim is en voor zover die kosten voordien daadwerkelijk zijn gemaakt. Nu evenwel niet is gesteld op welke datum de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn betaald, zal de wettelijke rente hierover worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.

3.8. Op basis van het vorenoverwogene, zal [Gedaagde] worden veroordeeld tot betaling aan [Eiser] van een bedrag van € 15.541,63 (€ 13.500,- + € 595,- + € 542,63 + € 904,-), te vermeerderen met de wettelijke rente over de koopsom van € 13.500,- vanaf 30 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 904,- vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

3.9. [Gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [Eiser] tot op heden begroot op een bedrag van:

- kosten dagvaardingsexploot € 90,81

- griffierecht € 426,00

- salaris gemachtigde € 800,00

Totaal € 1.316,81

De gevorderde nakosten zullen worden afgewezen nu niet, althans onvoldoende is gesteld of onderbouwd dat na het vonnis kosten zullen worden gemaakt, anders dan de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van dit vonnis.

4. De beslissing

De kantonrechter:

4.1. verklaart voor recht dat [Eiser] op 24 november 2010 met recht is overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst;

4.2. veroordeelt [Gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Eiser] te betalen een bedrag van € 15.541,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over de koopsom van € 13.500,- vanaf 30 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 904,- vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4.3. veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [Eiser] tot op heden begroot op € 1.316,81, daarin begrepen een bedrag van € 800,- aan salaris voor de gemachtigde van [Eiser];

4.4. verklaart de veroordelingen onder punt 4.2 en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad;

4.5. wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. Goossens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 8 februari 2012.