Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV3589

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
800773-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het samen met anderen plegen van diefstal van een hoeveelheid sieraden (ter waarde van ruim 98.000 euro) uit een juwelierswinkel, waarbij geweld werd gebruikt met behulp van een pistool en pepperspray en waarbij twee personen letsel hebben opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800773/11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats]

thans gedetineerd.

raadsman mr. Doorakkers, advocaat te Dongen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 januari 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Breman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander of anderen een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte en de verklaring van [slachtoffer 1], de geneeskundige verklaring met betrekking tot [slachtoffer 1], de verklaring van [slachtoffer 2], de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10] (zoon van de juwelier), de foto’s van de camerabeelden vlakbij de juwelier, het proces-verbaal van de KLPD, het proces-verbaal met betrekking tot de huur van de auto door verdachte en de daarbij behorende foto’s, de processen-verbaal met betrekking tot de aanhoudingen van verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], de processen-verbaal sporenonderzoek, het proces-verbaal relaas met betrekking tot het aantreffen van het wapen, de rapporten van het NFI, het proces-verbaal met betrekking tot de sieraden en de juwelen met de daarbij behorende foto’s en de waardebepaling van de sieraden en juwelen en tenslotte de verklaringen van verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

De officier van justitie is van mening dat het een geplande actie was om de juwelier te overvallen. Gelet op hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de KLPD, met name dat verdachte zich heeft verkleed, iets uit een tas heeft gepakt en in zijn kleding heeft gestopt, is zij ervan overtuigd dat verdachte niet alleen de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de derde persoon, wiens identiteit onbekend is gebleven, naar Breda heeft gebracht, maar ook dat hij moet hebben geweten wat er allemaal ging gebeuren. [medeverdachte 2] heeft immers verklaard dat er tevoren een plan en afspraken waren gemaakt en de getuigen [getuige 1] en [getuige 9] hebben gezien dat verdachte vlakbij de juwelier stond te wachten en dat er een tas naar hem werd gegooid.

De officier van justitie is op grond hiervan van mening dat er tussen verdachte en de medeverdachten een zodanig nauwe samenwerking was dat er van medeplegen door verdachte kan worden gesproken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van medeplegen kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Medeplegers zijn participanten. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld zich nooit bewust te zijn geweest dat er een overval gaande was en nooit als volwaardig participant te zijn opgetreden bij die overval. Daarvoor is in het proces-dossier ook geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Verdachte heeft niet actief deelgenomen aan de overval in de juwelierswinkel en hij heeft geen geweld gebruikt. Verdachte heeft de drie personen die in de winkel zijn geweest, weggebracht naar Breda en hij is na de overval met de buit daarvan weggereden. De medeverdachten hadden, aldus de verdediging, ook met eigen vervoer naar Breda kunnen komen en de buit, gezien de omvang daarvan, zelf mee kunnen nemen. In die zin heeft de rol die verdachte heeft gespeeld dus geen invloed gehad op de overval zelf.

Op grond hiervan komt de verdediging tot de conclusie dat er geen sprake is van medeplegen, maar van medeplichtigheid.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op dinsdag in Rotterdam met twee [personen] afspraken heeft gemaakt om een juwelier te overvallen. Op woensdag heeft verdachte drie personen met de auto naar Breda gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij met die personen uitsluitend de afspraak had gemaakt om hen naar Breda te brengen.

In het proces-dossier bevindt zich niets waaruit blijkt dat verdachte een van de personen zou zijn waarmee [medeverdachte 2] in Rotterdam de afspraak heeft gemaakt om de overval te plegen. Verdachte heeft verklaard dat er door de drie personen in de auto ook niet is gesproken over een overval. Voor het bewijs van het tegendeel zijn geen bewijsmiddelen in het proces-dossier aanwezig.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vóór de overval wist dat er een overval zou gaan plaatsvinden.

Uit het politie-onderzoek is gebleken dat verdachte ook niet bij de overval in de juwelierswinkel aanwezig is geweest. Hij heeft echter wel in de omgeving van de juwelierswinkel staan wachten, kreeg op een gegeven moment een rugzak toegeworpen door één van de Litouwse mannen die hij naar Breda had gebracht, heeft die rugzak in de auto gezet en is weggereden.

Gelet op de wijze waarop de medeverdachten in deze zaak het steegje kwamen uitgerend, de rugzak naar hem toegeworpen hebben en er vandoor gingen, is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte, toen hij de rugzak toegeworpen kreeg, wel moet hebben geweten dat er iets gebeurd was dat niet door de beugel kon.

De rechtbank is echter van oordeel dat met betrekking tot de handelingen die verdachte heeft verricht niet gesproken kan worden van een zo bewuste en nauwe samenwerking met de overvallers dat dit medeplegen oplevert. Verdachte zal dan ook van het tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij op grond van voornoemde omstandigheden verdachte wel medeplichtig acht aan de overval, door bij het vervoer van de buit behulpzaam te zijn, maar dat is niet tenlastegelegd.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 2.638,21 voor het feit.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de vordering van de benadeelde partij afwijzen.

6 De overwegingen omtrent het beslag.

6.1 De onttrekking aan het verkeer

Het in beslag genomen rijbewijs is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat dit bij het onderzoek naar het tenlastegelegde feit, is aangetroffen, terwijl het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Het rijbewijs behoort aan verdachte toe en is, nu gebleken is dat het vals is, van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

7 De toepasselijke wetsartikelen.

De opgelegde maatregel berust op artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

een rijbewijs;

Benadeelde partijen

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wordt afgewezen;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.07)

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Los, rechters, in tegenwoordigheid van Moonen-Scheepens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 februari 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 20 juli 2011 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen sieraden en/of juwelen, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Juwelier [naam], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 1] bij zijn nek, althans lichaam, heeft/hebben vastgepakt en/of

vastgehouden en/of

- die [slachtoffer 1] (vervolgens) naar de grond heeft/hebben getrokken en/of

- een vuurwapen (op een afstand van 20 cm) op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht

en/of

- die [slachtoffer 1] (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met de kolf van een

pistool, althans met een hard voorwerp op/tegen zijn hoofd heeft/hebben

geslagen en/of met pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2]

heeft/hebben gespoten;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht.