Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV3548

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
800774-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het samen met anderen plegen van diefstal van een hoeveelheid sieraden (ter waarde van ruim 98.000 euro) uit een juwelierswinkel, waarbij geweld werd gebruikt met behulp van een pistool en pepperspray en waarbij twee personen letsel hebben opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800774/11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West locatie De Dordtse Poorten

raadsman mr. Groenhuis, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 januari 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Breman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander of anderen een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte en de verklaring van [getuige 10]] de geneeskundige verklaring met betrekking tot getuige 10]] de verklaring van [slachtoffer 2], de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10] (zoon van de juwelier), de foto’s van de camerabeelden vlakbij de juwelier, het proces-verbaal van de KLPD, het proces-verbaal met betrekking tot de huur van de auto door medeverdachte [mededader] en de daarbij behorende foto’s, de processen-verbaal met betrekking tot de aanhoudingen van verdachte en de medeverdachten [mededader 2] en [mededader], de processen-verbaal sporenonderzoek, het proces-verbaal relaas met betrekking tot het aantreffen van het wapen, de rapporten van het NFI, het proces-verbaal met betrekking tot de sieraden en de juwelen met de daarbij behorende foto’s en de waardebepaling van de sieraden en juwelen en tenslotte de verklaringen van verdachte en de medeverdachten [mededader 2] en [mededader].

De officier van justitie is van mening dat het een geplande actie was om de juwelier te overvallen. [mededader 2] heeft daarover ook verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met twee anderen de overval heeft gepleegd, maar dat hij geen geweld heeft gebruikt tegenover de juwelier. Gezien het feit dat er op de broek van verdachte bloed is gevonden dat afkomstig is van de juwelier [slacht[slachtoffer]] dat op het wapen dat is aangetroffen op de vermoedelijke vluchtroute van de door verdachte als “[voornaam mededader]” aangeduide medeverdachte, DNA van [slachtoffer] is aangetroffen en op de in de steeg weggegooide handschoenen en in de jas aangetroffen handschoenen aan de binnenzijden respectievelijk DNA van [mededader 2] en verdachte is aangetroffen en op de buitenzijden bloed van de juwelier, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen een diefstal met geweld en bedreiging met geweld heeft gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op een dinsdag heeft [mededader 2] in Rotterdam kennis gemaakt met twee andere Litouwers. Daar hebben zij toen afspraken gemaakt over een overval op een juwelier. Er is afgesproken wie de juwelier vast zou houden en wie de spullen zouden pakken. Op woensdagochtend zijn zij naar Breda gereden en daar zijn zij rond 11.00 uur met zijn drieën de winkel van juwelier [slachtoffer] binnen gegaan. Ongeveer twee uur of iets minder dan twee uur tevoren waren zij al bij de juwelier aan de deur geweest. Voordat ze de winkel binnen gingen hebben ze nog handschoenen gekocht en hebben twee van hen, waaronder [mededader 2], die handschoenen aangetrokken. [mededader 2] wist ook dat een van de andere mannen pepperspray bij zich had. Twee mannen hebben in de juwelierszaak ringen, kettinkjes, armbanden, hangertjes en horloges in een rugzak gedaan en één man heeft de juwelier vastgepakt. [mededader 2] heeft, toen hij de winkel uitrende, gezien dat de persoon die de juwelier vast hield iets in zijn hand had. Ook de andere twee personen zijn de winkel uitgerend. Tijdens het rennen heeft [mededader 2] de handschoenen die van zwart rubber waren, in de buurt van de winkel in de steeg weggegooid.

[initialen]. [slachtoffer] hoorde op 20 juli 2011 omstreeks 9.20 à 9.30 uur dat er bij zijn juwelierswinkel [adres] meerdere keren werd aangebeld. Hij zag buiten twee mannen staan. Omdat hij het niet vertrouwde heeft hij niet open gedaan en vervolgens zijn die mannen weggelopen. Op dezelfde dag omstreeks 10.35 à 10.45 uur werd er weer aangebeld bij zijn winkel. Hij heeft toen de deur ontgrendeld. Toen hij de winkel in liep, zag hij dat het dezelfde mannen waren als die eerder bij de winkel aangebeld hadden. Op het moment dat de deur open ging werd de juwelier door een van die mannen direct bij de nek gepakt en naar beneden getrokken. Die man bleef hem vasthouden. De juwelier zag kans die man mee naar de toonbank te slepen en op dat moment zag hij dat de andere man en nog een derde persoon langs hem naar het kantoor liepen. De man die de juwelier vast hield trok hem naar de grond, waardoor de juwelier op de grond viel. Op dat moment bedreigde de man de juwelier met een pistool. Die man hield het pistool op een afstand van ongeveer 20 centimeter van het gezicht van de juwelier. De man hield de juwelier naar beneden gedrukt en ging op hem zitten. De juwelier probeerde omhoog te komen, maar daarop sloeg de man hem drie of vier keer met een hard voorwerp tegen het gezicht. De juwelier werd daarbij telkens op zijn linker oor geraakt en hij zag dat hij hevig bloedde. Hij heeft hard geroepen en probeerde steeds omhoog te komen. Tussen de klappen door heeft de man hem ook nog twee of drie keer met pepperspray in zijn gezicht gespoten, waardoor hij een brandende pijn op zijn gezicht en in zijn ogen voelde. De man heeft nog geprobeerd de handen van de juwelier bij elkaar te binden, maar de juwelier bleef zich verzetten en is uiteindelijk bewusteloos geraakt. Bij de juwelier zijn die dag horloges, oorbellen, armbanden, kettingen, ringen, oorknopjes en ashangers weggenomen. De juwelier heeft bij de overval letsel aan zijn linker oor opgelopen.

In de omgeving van de juwelierswinkel is een wapen aangetroffen. Het betrof een vuurwapen, te weten een alarmpistool. Op het vuurwapen is bloed aangetroffen en het DNA-profiel van dat bloed komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van willekeurig ander persoon is dan [slachtoffer]] is kleiner dan één op de één miljard.

De getuige [getuige 11], vriendin van de zoon van de juwelier, voelde, toen zij op 20 juli 2011 de juwelierszaak binnen liep, meteen een prikkend gevoel op haar longen en zij zag links achter in de winkel een flinke plas bloed en een bril op de grond liggen. Zij zag dat de juwelier samen met [naam], [adres] bij de wasbak stond en dat de juwelier zijn ogen aan het uitspoelen was. De juwelier hield ook een doek tegen zijn hoofd gedrukt.

[initialen]. [slachtoffer 2] was op het moment dat de overval plaats vond op [adres]. Hij is bij de juwelierswinkel de steeg ingerend. Hij zag toen drie mannen wegrennen. Een van die mannen gooide zwarte handschoenen weg op de parkeerplaats vlakbij de uitgang van de steeg. Die man rende samen met een van de andere twee mannen richting [straatnaam]. [slachtoffer 2] wilde een van drie mannen tegenhouden, maar voordat hij dat kon doen, spoot die man pepperspray recht in de ogen van [slachtoffer 2], waardoor hij veel pijn voelde en niets meer zag.

De getuige [getuige 4] was op 20 juli 2011 om ongeveer 11.00 op [adres] Hij kwam daar [voornaam]l [slachtoffer 2] tegen. Hij zag dat [voornaam]l, nadat [naam] van de [naam winkel] op [adres] tegen [voornaam]l gezegd had dat juwelier [slachtoffer] op dat moment werd overvallen, de steeg naast de juwelier in liep. Ineens zag hij ook drie mannen bij de juwelier naar buiten stormen en de steeg in rennen. Hij zag dat die mannen rubberen handschoenen vast hadden. [getuige 4] is ook de steeg ingelopen en zag dat [voornaam]l in elkaar gedoken zat. Toen hij [voornaam]l omhoog had geholpen zag hij dat [voornaam]l in zijn ogen was gespoten. [voornaam]l is later met de ambulance naar het ziekenhuis gegaan.

De getuige [getuige 8], werkzaam bij [adres] heeft op 20 juli 2011 omstreeks 11.00 uur tegen [voornaam]l gezegd dat juwelier [slachtoffer] werd overvallen. Hij zag daarna drie personen uit de juwelierswinkel komen die hard rennend het steegje naast de juwelierswinkel in gingen. Een van hen droeg een tas. [getuige 8] is daarna de juwelierswinkel binnen gegaan waar hij de juwelier bewusteloos aantrof. Hij zag dat de juwelier een wond aan zijn hoofd had en dat hij flink bloedde. Even later kwam de juwelier weer bij bewustzijn. Hij heeft de juwelier een handdoek gegeven om de wond af te dekken. Vervolgens heeft hij de juwelier ondersteund, omdat de juwelier persé zijn ogen wilde uitspoelen omdat deze zo erg prikten door pepperspray. Op dat moment kwam de schoondochter van de juwelier binnen. Toen er ambulancebroeders binnen kwamen is [getuige 8] naar buiten gegaan, waar hij [voornaam]l weer tegen kwam. [voornaam]l vertelde tegen hem dat een van de drie overvallers een bijtende vloeistof in zijn ogen had gespoten. [getuige 8] kon dat ook goed zien. [voornaam]l is ter plaatse aan zijn ogen geholpen, maar daarna met de ambulance meegereden om verder geholpen te worden.

[mededader] heeft op een woensdag drie Litouwse mannen met de auto naar Breda gebracht. Hij werd daar door die mannen naar een plaats gewezen en zij hebben hem gevraagd een tijdje daar te wachten. De mannen hebben, toen ze uitstapten, een rugzak meegenomen. [mededader] heeft daar een tijdje staan wachten en toen kwamen de mannen terug. Een van de mannen gaf hem de rugzak en vroeg hem om deze naar Rotterdam te brengen. Hij is vervolgens met de auto richting Rotterdam gereden.

De getuigen [getuige 1] en [getuige 9] hebben op 20 juli 2011 beiden gezien dat er een paar mannen uit de juwelierswinkel [slachtoffer] op [adres] in Breda kwamen gerend. Twee van hen renden het steegje in en een derde persoon rende eerst achter hen aan, maar ging toen snel weer terug. Een van de mannen die het steegje in renden had een rugzak bij zich. Beide getuigen zagen dat die rugzak werd gegooid naar een man die in de buurt van het steegje stond te wachten. Die man liep daarna naar zijn auto en reed weg. [getuige 1] heeft gezien dat de auto van het merk Mercedes was en dat het kenteken van de auto begon met 90, dan drie letters eindigend op FF en dan een 7. Hij heeft die gegevens direct doorgebeld naar 112. De getuige [getuige 9] heeft later nog verklaard dat de man die stond te wachten en die de tas heeft meegenomen, niet in de winkel is geweest.

Op de Rijksweg A16 werd kort daarna een Mercedes, voorzien van het kenteken [( - - )], aangehouden. Daarin zat [mededader] als bestuurder. Bij onderzoek aan de auto werd daarin een rugzak aangetroffen, waarin een grote hoeveelheid sieraden zat. De sieraden waren voorzien van prijskaartlabels. De aangetroffen sieraden kwamen overeen met hetgeen door de juwelier daarover was verklaard.

Verdachte heeft bekend dat hij in de juwelierszaak van [slachtoffer] juwelen heeft gestolen. Hij was daar samen met [mededader 2] en nog een andere persoon die [voornaam mededader] heet. De tas met de juwelen is buiten weggegooid. De vierde persoon die buiten stond, heeft hij gezien. [voornaam mededader] had met die persoon afgesproken voor een lift voor hen.

Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen sieraden/juwelen bij de juwelierszaak van [slachtoffer] heeft weggenomen.

Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] heeft aangeraakt, dat hij tegen [slachtoffer] en [slachtoffer 2] geweld heeft gebruikt en dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd met geweld. Hij wist, naar zijn zeggen, niets van een wapen en van pepperspray.

De rechtbank acht medeplegen van de overval door verdachte bewezen. Bij medeplegen is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. Daarbij is het niet noodzakelijk dat de medepleger alle uitvoeringshandelingen mede verricht. Om hem die handelingen te kunnen aanrekenen is het voldoende dat de medepleger bewust de kans daarop aanvaardt.

Verdachte heeft gezegd dat hij niet verwacht had dat de juwelier de sieraden/juwelen zo maar af zou geven , maar dat hij niet verwacht had dat er geweld zou worden gebruikt.

De rechtbank overweegt dat naar algemene ervaringsregels ervan kan worden uitgegaan dat een juwelier in geval van een overval niet vrijwillig, dus zonder geweld of dreiging daarmee, zal meewerken aan de afgifte van zijn winkelvoorraad. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte dit voor de overval ook wist. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daardoor bewust de kans op die geweldshandelingen heeft aanvaard en dat hij daarvoor aansprakelijk is.

Met betrekking tot [slachtoffer 2] is dat niet anders. Het is duidelijk dat ook tegen een persoon die een overvaller probeert tegen te houden, geweld zal worden aangewend.

De juwelier heeft, zoals hierboven is weergegeven, gezegd dat de andere twee personen langs hem liepen op het moment dat hij, nadat de persoon die als eerste binnen was gekomen, hem had vastgepakt en naar de grond had gedrukt, kans zag die persoon naar de toonbank te slepen, terwijl die persoon hem vast bleef houden.

Verdachte heeft gezegd dat [voornaam mededader] als eerste binnen is gegaan, dat hij gezien heeft dat [voornaam mededader] naar de juwelier is gegaan en dat hij gezien heeft wat er daarna gebeurde. Hij heeft ook gezien dat er gesleept werd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, als hij zo naïef zou zijn om geen geweld bij de beroving te verwachten, hetgeen de rechtbank niet gelooft, in ieder geval op dat moment zich bewust moet zijn geweest van hetgeen er gebeurde. Hij heeft die geweldshandelingen, ook al zag hij die dan zelf niet als geweld, toen bewust aanvaard en is daarvoor verantwoordelijk.

De juwelier heeft ook gezegd dat er tussen de persoon die geweld tegen hem gebruikte en de andere twee personen die naar zijn kantoor gelopen waren, werd gesproken en dat hij zelf, terwijl hij werd mishandeld, hard geroepen heeft.

Verdachte heeft verklaard dat zijn aandacht gericht was op hetgeen hij in het kantoortje aan het doen was en dat hij niet gelet heeft op hetgeen er in de winkel gebeurde.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gezien de geringe afstand tussen het kantoortje en de winkel, in ieder geval gehoord moet hebben dat de juwelier hard aan het roepen was.

Bovendien is op de broek die verdachte tijdens de overval droeg bloed aangetroffen van juwelier [slachtoffer]. Daarnaast is op een linker handschoen die in een zak zat van een jas, welke in de omgeving (op de vluchtroute van verdachte) van de juwelierswinkel is gevonden, aan de binnenzijde DNA van verdachte en aan de buitenzijde bloed van de juwelier. In beide gevallen is de kans dat het DNA in het bloed dat is aangetroffen van een willekeurig ander persoon is dan van [slachtoffer] één op de één miljard.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gezien het vorenstaande, in ieder geval niet vol kan houden dat hij niet zo dichtbij was dat hij verder niets van het geweld dat tegen [slachtoffer] werd gebruikt, heeft meegekregen. Verdachte heeft ook toen dat geweld bewust aanvaard. Hij heeft zich daarvan niet gedistantieerd en hij heeft niet ingegrepen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook in die zin verantwoordelijk is voor het geweld dat tegen [slachtoffer] is gebruikt.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet alleen de diefstal, maar ook het geweld tegen [slachtoffer] en [slachtoffer 2] en de bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen zijn.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 20 juli 2011 te Breda tezamen en in vereniging met een anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en/of juwelen, toebehorende aan Juwelier [slacht[slachtoffer]] welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met

geweld tegen [initialen]. [slachtoffer] en gevolgd van geweld tegen [initialen]. [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken respectievelijk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- die [slachtoffer] bij zijn nek hebben vastgepakt en vastgehouden en

- die [slachtoffer] (vervolgens) naar de grond hebben getrokken en

- een vuurwapen (op een afstand van 20 cm) op die [slachtoffer] hebben gericht

en

- die [slachtoffer] (vervolgens) meermalen met de kolf van een

Pistool tegen zijn hoofd hebben

geslagen en met pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer] en die [slachtoffer 2]

hebben gespoten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest. Daarbij heeft zij rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte in Nederland en met de informatie uit Duitsland waar verdachte veroordeeld is voor soortgelijke feiten. Voorts heeft de officier van justitie nog aangegeven dat het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch in september 2011 eveneens 4 jaar gevangenisstraf heeft opgelegd voor een overval in een winkel, waarbij eveneens gedreigd werd met een wapen.

Op het verweer van de raadsman, zoals hierna weergegeven, heeft de officier van justitie nog opgemerkt dat het feit dat verdachte de Nederlandse taal niet spreekt, niet tot vermindering van straf kan leiden, maar voor risico van verdachte is, aangezien hij zelf naar Nederland is gekomen. Daarnaast heeft zij opgemerkt dat zij bij haar vordering is uitgegaan van de richtlijnen die voor een feit als het onderhavige twee tot vier jaar aangeven en bij gebruik van een wapen vier jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven dat de richtlijnen tot december 2010 voor een feit als het onderhavige een gevangenisstraf van één jaar aangaven en na december 2010 gevangenisstraf van twee jaar.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de bepaling van de straf rekening te houden met de omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten:

- de rol van verdachte is relatief gering en hij heeft geen geweld gebruikt;

- verdachte was niet de initiatiefnemer, maar heeft zich door geldproblemen over laten halen om mee te doen aan de overval;

- gevangenisstraf zal bij verdachte zwaarder aankomen, omdat hij ver van huis is, geen bezoekt zal ontvangen en niet kan communiceren met medegedetineerden en het personeel, omdat hij alleen Litouws en Russisch spreekt;

- verdachte heeft zijn fout erkend en probeert deze niet goed te praten;

- verdachte toont medeleven en interesse voor het slachtoffer [slachtoffer] en hij heeft spijt van zijn daad.

De verdediging is van mening dat deze omstandigheden redengevend zijn voor het opleggen aan verdachte van een lagere straf dan gemiddeld. De door de officier van justitie gevorderde straf is dan ook, volgens de verdediging, buitensporig. De verdediging heeft daarom de rechtbank verzocht een aanzienlijk lagere straf op te leggen, in ieder geval niet meer dan twee jaar gevangenisstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met anderen een overval gepleegd op een juwelierswinkel, waarbij voor ruim € 98.000,-- aan sieraden/juwelen is gestolen en waarbij de juwelier onder andere bedreigd is met een wapen en met dat wapen tegen zijn hoofd is geslagen. De juwelier heeft hierdoor een fikse scheur in zijn oor opgelopen. Daarnaast is er bij de juwelier en een persoon die na de overval een van de daders probeerde tegen te houden, pepperspray in de ogen gespoten, waardoor zij veel last hadden van pijn en een branderig gevoel in de ogen.

Naast fysiek letsel heeft de juwelier ook psychische schade opgelopen. De juwelier heeft aangegeven dat de overval enorm heeft ingegrepen in zijn leven en dat van zijn vrouw en dat ook thans nog de invloed daarvan doorwerkt. Zijn werk brengt negatieve spanningen met zich mee en hij is terughoudener geworden tegenover andere mensen. Zijn vrije gevoel, dat een van de redenen was om als zelfstandig ondernemer te gaan werken, is weg, omdat hij zich opgesloten voelt in zijn winkel. De omzet in de winkel is teruggelopen, omdat de juwelier wel eens, uit wantrouwen, potentiële klanten laat staan. De eerste maanden na de overval ging hij zelfs groepjes mensen uit de weg. Ook let hij meer op onbekende auto’s, zeker als er vreemde nummerplaten op zitten. Kortom, de juwelier voelt zich enorm aangetast in zijn vrijheid en zijn vertrouwen in de mensen is geschaad.

Dit geeft aan dat de op deze manier uitgevoerde overval voor de juwelier een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan een grote hoeveelheid sieraden/juwelen te komen. De rechtbank neemt hem dit erg kwalijk en zal hem dit feit zwaar aanrekenen.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte in Nederland een blanco strafblad heeft, maar dat hij in Duitsland in 2007 in ieder geval twee keer is veroordeeld voor soortgelijke feiten en in Litouwen in 2002 eveneens is veroordeeld voor een overval.

Hoewel verdachte de diefstal op zich heeft bekend, wil hij tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid nemen voor het geweld dat tegen de slachtoffers, en met name de juwelier, is gebruikt. Hij heeft als volwaardig medepleger gehandeld en of dat nu vanwege geldproblemen of iets anders is geweest, doet daaraan niet af. Verdachte die er zelf voor gekozen heeft om samen met anderen in Nederland een ernstig misdrijf te plegen, zal daarvoor zijn straf uit moeten zitten. Bij de bepaling van die straf zal de rechtbank rekening houden met de straffen die over het algemeen voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Zij zal hierbij voor verdachte geen uitzondering maken.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

De rechtbank zal verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van vier jaar met aftrek van voorarrest. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere straf.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.658,21 (gecorrigeerde optelling) voor het feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.589,66 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 589,66 ter zake van materiële schade en € 2.000,-- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank heeft de schade aan de kleding berekend op € 450,-- in plaats van

€ 518,55, aangezien de kleding niet nieuw was.

Het gevorderde acht de rechtbank tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank zal het overige afwijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van die maatregel er niet zonder meer toe zal leiden dat verdachte de daaraan gekoppelde vervangende hechtenis zal moeten uitzitten, zoals de verdediging heeft aangevoerd. Het betreft hier meerdere daders en het te betalen bedrag zal daarom hoofdelijk worden opgelegd. Daarbij komt nog dat de rechtbank onvoldoende inzicht heeft in de vermogenssituatie van verdachte en het wellicht zo kan zijn dat verdachte het bedrag wel kan betalen.

8 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat de voorwerpen hetzij aan verdachte toebehoren hetzij niet vastgesteld is kunnen worden aan wie die voorwerpen toebehoren, maar dat het feit is begaan of voorbereid met behulp van die voorwerpen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en vergezeld van bedreiging met geweld

tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en

om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst staan;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.589,66, waarvan € 589,66 ter zake van materiële schade en € 2.000,-- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. (BP.20)

- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

€ 2.598,66 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04A)

- vermeerdert dit bedrag met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Los, rechters, in tegenwoordigheid van Moonen-Scheepens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 februari 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 20 juli 2011 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen sieraden en/of juwelen, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Juwelier [slachtoffer]] in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen [initialen]. [slachtoffer] en/of [initialen]. [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] bij zijn nek, althans lichaam, heeft/hebben vastgepakt en/of

vastgehouden en/of

- die [slachtoffer] (vervolgens) naar de grond heeft/hebben getrokken en/of

- een vuurwapen (op een afstand van 20 cm) op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht

en/of

- die [slachtoffer] (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met de kolf van een

pistool, althans met een hard voorwerp op/tegen zijn hoofd heeft/hebben

geslagen en/of met pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer 2]

heeft/hebben gespoten;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht