Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV2793

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
02-800147-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachten hebben naar aanleiding van een incident in de woning van hun moeder hun broer op de grond in bedwang gehouden. Hun handelingen hadden de dood van hun broer tot gevolg. Bewezenverklaring bij de ene broer van doodslag, alleen gepleegd. Bij hem wordt het beroep op noodweer verworpen en noodweerexces aangenomen. Bij de andere broer bewezenverklaring van eenvoudige mishandeling de dood ten gevolge hebbend, samen en in vereniging gepleegd. Bij hem wordt het beroep op noodweer aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800147-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Van der Hout, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 6 februari 2011 zijn broer [slachtoffer] – al dan niet met voorbedachten rade – heeft gedood;

subsidiair: op 6 februari 2011 zijn broer [slachtoffer] – al dan niet met voorbedachten rade – heeft mishandeld, met de dood van [slachtoffer] als gevolg.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het dossier onvoldoende uitgangspunten biedt om de stelling te onderbouwen dat er bij verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijke) opzet op de dood van zijn broer [slachtoffer]. Voor de ten laste gelegde moord dan wel doodslag dient verdachte volgens de officier van justitie dan ook te worden vrijgesproken.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn broer [slachtoffer] heeft mishandeld. Daarbij baseert zij zich op de verklaring van verdachte dat hij de benen van [slachtoffer] gekruist hield – met een been in de knieholte van het andere been – en daarbij stevig in de enkel van [slachtoffer] drukte om te voorkomen dat hij kon bewegen. De officier van justitie gaat ervan uit dat het handelen van verdachte [slachtoffer] pijn heeft gedaan. Daarbij passen ook de bevindingen van het NFI, te weten dat er rozerode huidverkleuringen aan de voorzijde van beide onderbenen alsmede roze huidverkleuringen aan de achterzijde van beide enkels van [slachtoffer] te zien waren, aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is met de officier van justitie van mening dat verdachte van de ten laste gelegde moord dan wel doodslag vrijgesproken moet worden.

Naar de mening van de raadsman kan de rechtbank evenmin tot een bewezenverklaring komen van de ten laste gelegde mishandeling. In dit verband betwist de raadsman dat kan worden bewezen dat verdachte, zelfs niet in voorwaardelijke zin, de opzet heeft gehad om zijn broer [slachtoffer] te mishandelen. Overigens ziet de raadsman ook niet in dat het handelen van verdachte, waarbij hij met zijn billen op [slachtoffer] zat en de benen van [slachtoffer] in bedwang hield, kan worden gekwalificeerd als een mishandeling. Dat er een causaal verband is tussen het overlijden van [slachtoffer] en het handelen van verdachte wordt door de raadsman eveneens ontkend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 6 februari 2011 komt [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]) ’s avonds bij zijn moeder en twee broers, die allen op het adres [adres] wonen, langs. Direct na binnenkomst gooit [slachtoffer] een sleutelbos richting zijn moeder, trekt een schilderij van de muur, loopt met dit schilderij richting zijn moeder, slaat dit schilderijtje kapot op tafel en bedreigt zijn moeder. Broer [verdachte] (hierna te noemen: verdachte) pakt hierop [slachtoffer] vast en er ontstaat een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer], waarbij [slachtoffer] een pijl van de muur pakt en met de punt van die pijl in de nek van verdachte drukt. Broer [mededader] pakt vervolgens [slachtoffer] van achteren vast, met zijn armen om zijn keel, en [mededader] en [slachtoffer] vallen samen op de grond. [slachtoffer] komt op zijn buik te liggen en [mededader] komt dwars bovenop [slachtoffer] te liggen, ter hoogte van de schouders van [slachtoffer]. Verdachte houdt [slachtoffer] stevig vast met zijn armen om zijn nek, in een armklem, en [verdachte] gaat op het achterwerk van [slachtoffer] zitten en houdt de benen van [slachtoffer] kruislings vast tegen zijn lichaam. [verdachte] zet met een been het andere been klem en drukt daarbij zijn duim in de enkel van [slachtoffer] zodat hij geen verzet kon plegen. Om 20:36 uur belt verdachte via 112 de politie, terwijl hij op [slachtoffer] blijft zitten. In dit telefoongesprek doet verdachte melding van huisvredebreuk en openbare dronkenschap door [slachtoffer]. Om 20:49 uur belt verdachte nogmaals de politie, maar dit keer via 0900-8844. Ook tijdens dit telefoongesprek blijft verdachte op [slachtoffer] zitten. Op dat moment, om 20:49 uur, komt de politie ter plaatse. Na binnenkomst zien de agenten [slachtoffer] plat op zijn buik liggen. Zij zien [mededader] geknield met zijn volle gewicht op [slachtoffer] te zitten, ter hoogte van de schouders van [slachtoffer]. Zij zien voorts dat de rechterarm van [mededader] om de nek van [slachtoffer] zit en dat [mededader] met zijn linkerhand zijn rechterpols vasthoudt, waardoor [mededader] de nek van [slachtoffer] tussen zijn armen klemt. De agenten zien dat verdachte op de billen van [slachtoffer] zit en dat verdachte met zijn benen de benen van [slachtoffer] in een beenklem houdt, waarbij hij de enkel van [slachtoffer] met kracht vasthoudt en de hiel van [slachtoffer] naar zich toe trekt. De agenten sommeren verdachte en [mededader] om van [slachtoffer] af te gaan. Omdat de agenten geen polsslag voelen bij [slachtoffer], starten zij een reanimatie. Vervolgens komt een ambulance ter plaatse. Het ambulancepersoneel constateert dat [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank zal bespreken wat aan verdachte ten laste is gelegd en tot welke beoordeling zij komt aan de hand van de in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen en hetgeen ter zitting door verdachte is verklaard.

Primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij samen met zijn broer [mededader], althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade zijn broer [slachtoffer] heeft gedood.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Hoewel uit het dossier blijkt dat verdachte wist dat [slachtoffer] op de avond van 6 februari 2011 onderweg naar huis was, dat [slachtoffer] dronken was en dat de kans aanwezig was dat [slachtoffer] problemen zou komen maken, maakt de rechtbank uit het dossier niet op dat er door verdachte en zijn broer plannen zijn gemaakt om [slachtoffer] die avond van het leven te beroven. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van moord.

Verdachte is op het achterwerk van [slachtoffer] gaan zitten en heeft de benen van [slachtoffer] in een klem vastgehouden. Verdachte had volgens zijn verklaring slechts de intentie om samen met zijn broer hun broer [slachtoffer] in bedwang te houden totdat de politie zou komen. De rechtbank ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen nu verdachte tot twee keer toe tijdens het gebeuren de politie heeft gebeld. Bovendien is niet gebleken van voorafgaande afspraken tussen verdachte en zijn broer gericht op de dood van [slachtoffer], terwijl op grond van de bewijsmiddelen ook niet kan worden gesteld dat verdachte precies wist op welke wijze door zijn broer jegens [slachtoffer] werd gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond daarvan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] en zal hij van de ten laste gelegde doodslag eveneens worden vrijgesproken.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er sprake is van (de subsidiair ten laste gelegde) mishandeling, de dood tot gevolg hebbend.

Verdachte verklaart dat hij [slachtoffer] in bedwang heeft gehouden door op het achterwerk van [slachtoffer] te gaan zitten, de benen van [slachtoffer] kruislings vast te pakken en zijn duim in de enkel van [slachtoffer] te drukken. Gelet op deze beschrijving alsmede op de verklaring van verdachte dat hij, tijdens het vasthouden van de benen van [slachtoffer], gebruik maakte van de kracht van [slachtoffer], waardoor [slachtoffer] meer pijn voelde als hij meer bewoog , acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat [slachtoffer] pijn heeft ondervonden van de handelingen van verdachte. De rechtbank betrekt daarbij de bevindingen van het NFI dat er rozerode huidverkleuringen aan de voorzijde van beide onderbenen alsmede roze huidverkleuringen aan de achterzijde van beide enkels van [slachtoffer] te zien waren, hetgeen past bij forse druk, en wel zodanig dat daardoor pijn gevoeld moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan aldus worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld.

[mededader] heeft blijkens zijn verklaring [slachtoffer] bij zijn nek gepakt en heeft zijn armen steeds om de nek van [slachtoffer] gehouden. [mededader] was hiertoe blijkens zijn verklaring gedwongen omdat [slachtoffer] zich steeds bleef verzetten. Deze handeling is uitgevoerd terwijl verdachte op [slachtoffer] zat en verdachte de hiervoor beschreven handelingen uitvoerde. Zowel de handelingen van verdachte als de handelingen van zijn broer waren erop gericht om verdachte onder bedwang te houden. Op grond van hetgeen [mededader] heeft verklaard omtrent de wijze waarop hij deze klem heeft gezet, kan worden geoordeeld dat [mededader] de klem om de nek van [slachtoffer] met kracht heeft gezet. Op grond daarvan en op grond van de hiervoor weergegeven bevindingen van het NFI omtrent de gevolgen van deze klem, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [slachtoffer] ook door deze klem pijn heeft ondervonden. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de mishandeling samen en in vereniging met zijn broer heeft gepleegd.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij de eerste is geweest die bovenop [slachtoffer] is gaan zitten en dat hij niet wist hoe [mededader] [slachtoffer] vast hield, niet aannemelijk. Volgens zowel de lezing van [mededader] als die van zijn moeder is [mededader] de eerste geweest die, toen [slachtoffer] op de grond is gevallen, op [slachtoffer] is gaan liggen. De lezing van [mededader] en zijn moeder lijkt ook waarschijnlijker dan die van verdachte. De bedoeling was immers om [slachtoffer] in bedwang te houden en, als het zo was geweest dat verdachte als eerste [slachtoffer] beet pakte, lijkt het waarschijnlijk dat hij dat niet zou doen door op de benen van [slachtoffer] te gaan liggen. Het bovenlijf en de armen van [slachtoffer] zouden dan immers nog vrij zijn en [slachtoffer] zou deze dan (makkelijk) kunnen gebruiken om los te komen uit de greep van verdachte.

Van voorbedachten rade is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat de opzet van verdachte en zijn broer niet van begin af aan op mishandeling gericht is geweest, maar op het in bedwang houden van hun broer [slachtoffer].

Ten aanzien van de vraag of het de mishandeling de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, overweegt de rechtbank als volgt.

Gezien de conclusie van het NFI dat het intreden van de dood van [slachtoffer] goed verklaard kan worden door verstikking ten gevolge van samendrukkend geweld aan de hals in combinatie met verstikking door uitputting van ademhalingsspieren ten gevolge van een lang aangehouden niet-natuurlijke houding alsmede de conclusie van het NFI dat de aanwezige ethanol in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] geen verklaring geven voor zijn overlijden , acht de rechtbank bewezen dat de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door de door broer [mededader] bij hem aangebrachte klem om de nek van [slachtoffer].

De opzet van verdachte was weliswaar niet op de dood van [slachtoffer] gericht, maar bij een tenlastelegging als de onderhavige is opzet op het gevolg niet vereist omdat het geobjectiveerd is. Tussen de door beide verdachten gezamenlijk uitgeoefende handelingen en de dood van verdachte bestaat een zodanig verband dat de dood ook aan verdachte kan worden toegerekend. De door verdachte uitgeoefende handelingen waren noodzakelijk om zijn broer [mededader] in staat te stellen [slachtoffer] in bedwang te houden zoals hij heeft gedaan. Dat de broer van verdachte door de wijze waarop hij heeft gehandeld, doodslag heeft gepleegd, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg.

Het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mishandeling, met de dood als gevolg.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(subsidiar)

op 6 februari 2011 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], nadat die [slachtoffer] ten val was gekomen, de medeverdachte zijn armen om de nek en/of hals van die [slachtoffer] heeft geklemd en geklemd gehouden en verdachte daarbij op het lichaam van die [slachtoffer] heeft gezeten, terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft bij de bewezenverklaring kennelijke misslagen, bestaande uit fouten in de zinsopbouw, verbeterd, waardoor de verdachte niet in zijn belangen is geschaad.

5 De strafbaarheid

De officier van justitie heeft verzocht verdachte ten aanzien van het feit te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hij uit noodweer heeft gehandeld.

De raadsman heeft zich bij dit standpunt van de officier van justitie aangesloten.

Op grond van de bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [slachtoffer] dronken en niet voor rede vatbaar bij zijn moeder en broers thuis komt. Direct bij binnenkomst gooit hij sleutels naar zijn moeder, loopt naar de muur, trekt een schilderij van die muur, loopt met dit schilderij richting zijn moeder en bedreigt haar. Op dat moment staat verdachte op van de bank om [slachtoffer] de deur uit te werken. Er ontstaat een worsteling tussen beiden, waarbij [slachtoffer] een pijlpunt van de muur trekt en die bij verdachte in zijn nek drukt. Op dat moment komt broer [mededader] te hulp door [slachtoffer] langs achteren vast te pakken en ook hij wordt dan door [slachtoffer] belaagd. Op basis van deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin het voor verdachte gerechtvaardigd en noodzakelijk was om zich te verdedigen tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] tegen zijn moeder, daarna gericht op hem en ten slotte gericht op zijn broer [mededader]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarbij, gelet op het feit dat hij, toen [slachtoffer] op de grond lag, [slachtoffer] bij zijn benen heeft vastgepakt in een klem, de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden. Verdachte heeft [slachtoffer] weliswaar ten minste 13 minuten op deze manier vastgehouden, maar, doordat [slachtoffer] zich in die tijd steeds weer heeft geprobeerd los te maken, staat voor de rechtbank vast dat de noodweersituatie zich heeft gecontinueerd. De rechtbank zal verdachte dan ook ten aanzien van het bewezenverklaarde feit ontslaan van alle rechtsvervolging, nu dit feit niet strafbaar wordt geacht.

6 Het beslag

Blijkens de beslaglijst heeft de officier van justitie reeds beslist over de inbeslaggenomen goederen. De rechtbank zal derhalve een beslissing van haar zijde achterwege laten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 41, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Pick en mr. Kneepkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

3 februari 2012.

Mr. Kneepkens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op 6 februari 2011 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] van achteren vastgepakt en/of nadat die [slachtoffer] ten val was gekomen, zijn/hun armen om de nek en/of hals van die [slachtoffer] geklemd en/of geklemd gehouden en/of (daarbij) op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer]

gelegen en/of gezeten, althans samendrukkend geweld uitgeoefend op de nek en/of hals en/of (een) ander(e) de(e)l(en) van het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 6 februari 2011 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, van achteren heeft/hebben vastgepakt en/of nadat die [slachtoffer] ten val was gekomen, zijn/hun armen om de nek en/of hals van die [slachtoffer] heeft hebben geklemd en/of geklemd gehouden en/of (daarbij) op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gelegen en/of gezeten, althans samendrukkend geweld heeft/hebben uitgeoefend op de nek en/of hals en/of (een) ander(e) de(e)l(en) van het lichaam van die [slachtoffer], terwijl dat

feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

art 301 lid 3 Wetboek van Strafrecht