Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV2354

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-01-2012
Datum publicatie
02-02-2012
Zaaknummer
810503-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3254, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor zware mishandeling gevolgd door moord. Verdachte heeft het slachtoffer eerst met een knuppel tegen het hoofd geslagen en vervolgens doodgeschoten met zijn eigen vuurwapen. Beroep op noodweer(exces) wordt door de rechtbank verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 810503-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 januari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats

thans gedetineerd in het huis van bewaring Grave te Grave

raadsman mr. J.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 december 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Breman-Nagtegaal, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het laatste woord van verdachte heeft plaatsgevonden op 9 januari 2012.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer:

feit 1:

dat verdachte op 1 januari 2011 [slachtoffer] - al dan niet met voorbedachten rade - zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

feit 2:

dat verdachte op 1 januari 2011 [slachtoffer] - al dan niet met voorbedachten rade - heeft gedood.

feit 3:

dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 19 januari 2011 een vuurwapen en/of munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

feit 1:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Zij baseert zich daarbij op de camerabeelden, waarop is te zien dat verdachte met grote snelheid op [slachtoffer] af rent en hem met kracht met een voorwerp neerslaat. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het slagvoorwerp een knuppel was. Volgens de officier van justitie geeft het sectierapport blijk van de ernst van het letsel van [slachtoffer].

feit 2:

De officier van justitie acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade heeft gedood. Zij baseert zich daarbij op de camerabeelden, waaruit blijkt dat [slachtoffer] met zijn eigen wapen moet zijn beschoten toen hij hulpeloos op de grond lag. De officier van justitie wijst voorts op getuige [getuige], die heeft verklaard over hetgeen zij heeft gezien toen zij uit het raam van haar woning in de richting van het plein aan de [adres] keek. Zij heeft verklaard dat zij een man heeft zien aflopen op een ‘hoopje’ dat op straat lag, waarna [getuige] zag dat die persoon op het hoopje heeft geschoten. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaring van [getuige] betrouwbaar is, aangezien zij een onafhankelijke getuige is. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 26 seconden nadat hij [slachtoffer] heeft neergeslagen, bij [slachtoffer] weg loopt. Verdachte heeft verklaard dat hij het wapen van [slachtoffer] toen met zich meenam. Ook baseert de officier van justitie zich op het rapport van het schotrestenonderzoek van het NFI waaruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een schootsafstand van minder dan 25 centimeter. Het rapport van het pathologisch onderzoek van het NFI geeft blijk van de doodsoorzaak van [slachtoffer], te weten een schotverwonding. Tot slot baseert de officier van justitie zich op de brief van patholoog [naam deskundige] en het verslag van het FIT-gesprek.

feit 3:

De officier van justitie acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 19 januari 2011 een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad en baseert zich daarbij op het wapenrapport en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

feit 1:

De verdediging is van mening dat de rechtbank met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman voert hiertoe aan dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. Volgens de raadsman was er sprake van een noodweersituatie waarbij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door [slachtoffer] met een vuurwapen werden bedreigd. [slachtoffer] heeft [slachtoffer 2] ook geslagen. Hierdoor voelde verdachte zich genoodzaakt om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te verdedigen door [slachtoffer] met een voorwerp op het hoofd te slaan. De raadsman wijst daarbij op de camerabeelden en de verklaringen van verdachte, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Voor zover verdachte bij de verdediging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] de grenzen van het noodzakelijke heeft overschreden, doet de raadsman een beroep op noodweerexces.

feit 2:

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde evenmin tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman voert hiertoe aan dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Nadat

[slachtoffer] door verdachte was neergeslagen, heeft er een worsteling om het vuurwapen van [slachtoffer] plaatsgevonden. Tijdens deze worsteling is het vuurwapen per ongeluk afgegaan, waardoor [slachtoffer] werd geraakt en later is overleden. De raadsman geeft aan dat verdachte dus nooit de bedoeling heeft gehad om [slachtoffer] te doden en wijst daarbij op de verklaringen van verdachte. Ten aanzien van de verklaringen van getuige [getuige] voert de raadsman dat deze niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, nu de verklaringen - gelet op de wisselende inhoud daarvan - onbetrouwbaar zijn. Volgens de raadsman heeft [getuige] haar verklaringen ingevuld met kennis die zij achteraf over het incident heeft verkregen. Voor haar verklaringen bij de politie geldt dat zij hierop is teruggekomen in haar verhoor bij de rechter-commissaris.

feit 3:

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

feit 1:

Vaststelling van de feiten

Verdachte bevond zich in de nacht van 31 december 2010 op 1 januari 2011 in Tilburg om de jaarwisseling te vieren. Verdachte is samen met zijn vriendin [slachtoffer 2] en vriend [slachtoffer 3] naar een garagefeest geweest. Gedurende de avond werd [slachtoffer 2] meermalen telefonisch lastig gevallen door haar ex-vriend, te weten [slachtoffer]. In de ochtend van 1 januari 2011 is verdachte naar het nabijgelegen huis van zijn schoonmoeder gelopen om een auto op te halen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bleven op het feest. Toen verdachte in de woning van zijn schoonmoeder was, hoorde hij rumoer op straat. Verdachte hoorde hierbij een onbekende mannenstem. Hierop heeft verdachte een knuppel uit de woning gepakt en is in de richting van het plein aan de [adres] in Tilburg gelopen, aangezien het geluid daar vandaan kwam. Op camerabeelden is te zien dat een persoon met grote snelheid, met een voorwerp in zijn handen, in de richting van het plein aan de [adres] rent. Verdachte heeft verklaard dat hij de rennende persoon is en zegt dat het voorwerp in zijn handen een knuppel was. Verdachte heeft op enig moment gezien dat [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer] zich op het plein bevonden. Op de camerabeelden is te zien dat tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer] over en weer wordt geduwd en getrokken. Op datzelfde moment is te zien dat verdachte - zonder zijn snelheid te verminderen - in de richting van [slachtoffer] rent. De camerabeelden laten zien dat verdachte in volle vaart tegen [slachtoffer] aan rent en daarbij met kracht tegen het hoofd van [slachtoffer] slaat. [slachtoffer] komt hierdoor ten val en blijft vervolgens op zijn rug op de grond liggen. Verdachte heeft verklaard dat hij met een knuppel en met zijn elleboog heeft geslagen.

Uit een pathologisch onderzoek dat later aan het lichaam van [slachtoffer] is verricht, blijkt dat

[slachtoffer] na de confrontatie met verdachte huidletsels had aan het gezicht en hoofd. Ook had [slachtoffer] een onderhuidse bloeduitstorting met een bloederige slaapspier. In het schedeldak daaronder had [slachtoffer] een lijnvormige breuk. Voorts werd een hersenzwelling bij [slachtoffer] geconstateerd. Volgens de patholoog zijn deze verwondingen het gevolg van uitwending inwerkend botsend geweld tegen het hoofd en kunnen de verwondingen passen bij een val. Gelet op de aard en ernst van voornoemd letsel is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] door de klap met de knuppel en de elleboog van verdachte alsmede de daaropvolgende val, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel?

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat verdachte, na een flinke aanloop te hebben genomen, welbewust en met kracht met een knuppel en zijn elleboog tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor [slachtoffer] hard ten val kwam. Het verweer van de verdediging dat van (voorwaardelijk) opzet geen sprake was, wordt dan ook verworpen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk zwaar heeft mishandeld.

Zware mishandeling met voorbedachten rade?

Verdachte heeft verklaard dat hij de stemmen van de personen die zich in de buurt van het plein aan de [adres] bevonden, aanvankelijk niet herkende als zijnde de stemmen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer]. Verdachte was immers in de veronderstelling dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich nog op het garagefeest zouden bevinden. Verdachte is derhalve met een knuppel op een voor hem onbekende situatie afgerend en heeft kennelijk pas tijdens het rennen op enig moment gezien welke drie personen bij het plein aan de [adres] stonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit waarbij verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis van de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Noodweer(exces)?

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer(exces). Voor een geslaagd beroep op deze rechtvaardigings- dan wel schulduitsluitingsgrond is vereist dat er ten tijde van het plegen van het delict sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. De verdediging heeft betoogd dat verdachte handelde ter verdediging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], nu zij door [slachtoffer] op het plein aan de [adres] met een vuurwapen werden bedreigd. Nu op de camerabeelden geen vuurwapen in de handen van [slachtoffer] zichtbaar is en verdachte bovendien zelf heeft verklaard dat hij het vuurwapen van [slachtoffer] pas heeft gezien nadat [slachtoffer] op de grond was gevallen, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat zich op of in de buurt van het plein een dreigende situatie heeft voorgedaan waarin verdachte genoodzaakt was om [slachtoffer 2] dan wel [slachtoffer 3] te verdedigen. Het beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, kan daarom niet slagen.

feit 2:

Vaststelling van de feiten

Op voornoemde camerabeelden is te zien dat [slachtoffer], nadat verdachte hem met kracht met een knuppel en zijn elleboog tegen het hoofd heeft geslagen, ten val komt en op zijn rug in de [adres] blijft liggen. Verdachte rent [slachtoffer] voorbij en verdwijnt direct na de klap uit het beeld. Op de camerabeelden zijn alleen de benen van [slachtoffer] zichtbaar, waarbij is te zien dat die benen enkele seconden nadat hij op zijn rug is komen te liggen twee keer schokken. Hierna liggen de benen stil. Op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] inmiddels uit de richting van [slachtoffer] lopen, waardoor zij ook uit het beeld verdwijnen. Na ongeveer 26 seconden komt verdachte - vlakbij [slachtoffer] - het beeld weer ingelopen, waarna is te zien dat hij met een lang voorwerp uit de richting van het plein aan de [adres] (en dus uit de richting van [slachtoffer]) loopt. Gedurende de 26 seconden dat verdachte uit het beeld is geweest, hebben de benen van [slachtoffer] steeds stil gelegen, met uitzondering van het schokken van de benen zoals hierboven beschreven.

[slachtoffer] moet kort na het vertrek van verdachte uit de [adres] zijn opgemerkt door voorbijgangers, want op 1 januari 2011 omstreeks 08.00 uur verspreidt de gemeenschappelijke meldkamer Tilburg het bericht dat een melding is binnenkomen waaruit blijkt dat een schietpartij heeft plaatsgevonden op het plein aan de [adres] te Tilburg. Als de politie-eenheden en een ambulancewagen arriveren, ligt [slachtoffer] nog steeds in de [adres]. De ambulancedienst vervoert [slachtoffer] naar het Elisabeth ziekenhuis te Tilburg, waar [slachtoffer] omstreeks 10.00 uur overlijdt aan zijn verwondingen. [slachtoffer] wordt door een van de aanwezige politieagenten geïdentificeerd aan de hand van het paspoort dat bij hem wordt aangetroffen. Bij het pathologisch onderzoek dat later wordt verricht, blijkt dat het intreden van de dood bij [slachtoffer] het gevolg was van een schotverwonding.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag wat zich gedurende de 26 seconden dat verdachte uit het beeld van de camera is geweest, heeft afgespeeld. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij - nadat [slachtoffer] op zijn rug was gevallen - zag dat [slachtoffer] een vuurwapen in zijn rechterhand had. Verdachte zegt dat hij het vuurwapen van [slachtoffer] weg wilde nemen omdat hij bang was dat [slachtoffer] het tegen hem zou gebruiken. Volgens verdachte is er gedurende de tijd dat hij uit beeld was, een worsteling om het vuurwapen ontstaan. [slachtoffer] zou het vuurwapen in zijn handen hebben vastgehouden, terwijl verdachte probeerde het wapen los te trekken. Verdachte heeft verklaard dat hij hiertoe een bokkepoot (ook wel polsbuigklem genoemd) aanlegde bij [slachtoffer], waarbij hij de hand van [slachtoffer] naar boven zou hebben getrokken. Verdachte heeft verklaard dat het vuurwapen tijdens deze worsteling op enig moment per ongeluk is afgegaan, waardoor [slachtoffer] in zijn lichaam werd geraakt. Verdachte zegt hierna het vuurwapen van [slachtoffer] te hebben afgepakt en bij zich te hebben gestoken, waarna hij bij [slachtoffer] is weggelopen zoals op de camerabeelden is te zien. Hij heeft het vuurwapen in een brandgang gelegd en het later op een veilige plek opgeborgen, te weten bij een boerderij aan de [adres]. Door de Unit FTO is op aanwijzingen van het onderzoeksteam in een akkerland aan de [adres] een pistool veiliggesteld. Dit pistool is voorzien van het identiteitszegel AADF9778NL. Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] werd een kogel aangetroffen. Deze kogel heeft het identiteitszegel AADB9194NL gekregen. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft de kogel (AADB9194 NL) en het pistool (AADF9778) onderzocht en daarbij twee hypotheses beschouwd. Geconcludeerd is dat de bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van het pistool (AADF9778) dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool. De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer] is neergeschoten met het pistool dat verdachte uit de [adres] heeft meegenomen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de worsteling die tussen hem en

[slachtoffer] zou hebben plaatsgevonden gedurende de tijd dat verdachte buiten beeld was, onaannemelijk gelet op de camerabeelden die ter zitting zijn vertoond. Op de camerabeelden is te zien dat de benen van [slachtoffer] enkele seconden na de val tweemaal schokken, maar daarna volkomen stil liggen. Tijdens een zogenoemde expertmeeting is deze situatie aan deskundigen van het NFI voorgelegd. Geconcludeerd is dat [slachtoffer] bewusteloos kan zijn geweest, in welk geval hij niet heeft kunnen worstelen. Voor zover [slachtoffer] bij bewustzijn is geweest, heeft hij niet kunnen worstelen zonder zijn benen te bewegen. Daarbij komt dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] spartelde met zijn benen terwijl verdachte met hem worstelde. Dit is in tegenspraak met de camerabeelden. Voorts neemt de rechtbank in overweging dat uit het schotrestenonderzoek is gebleken dat er geen sporen zijn aangetroffen die wijzen op een schootsafstand van kleiner dan 25 centimeter. [slachtoffer] is kennelijk van een grotere afstand beschoten. Ook dit valt moeilijk te rijmen met de verklaring van verdachte dat het pistool per ongeluk is afgegaan tijdens een worsteling waarbij [slachtoffer] het pistool in zijn handen had.

Getuige [getuige] heeft bovendien iets heel anders gezien, dan hetgeen verdachte beschrijft. [getuige] verklaart dat zij op 1 januari 2011 tussen 07.15 en 07.30 uur uit het raam van haar woning aan de [adres] in de richting van het plein aan de [adres] keek. Op de weg die langs het plein loopt zag [getuige] een ‘hoopje’ liggen. [getuige] verklaart te hebben gezien dat een persoon over de [adres] naar het hoopje toe liep. Zij zag dat de persoon stil bleef staan bij het hoopje en vervolgens één van zijn armen strekte. Hierna hoorde [getuige] een knal. Vervolgens liep de persoon weg van het hoopje dat nog steeds op de [adres] lag. Toen de persoon amper weg was, stroomde de straat vol. Er liepen allemaal personen naar het hoopje toe. Gelet op de positie van het hoopje en haar verklaring dat er mensen naar het hoopje toeliepen, neemt de rechtbank aan dat [getuige] het slachtoffer [slachtoffer] op straat heeft zien liggen.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verklaringen van getuige [getuige] onbetrouwbaar zijn omdat deze een wisselende inhoud hebben. De rechtbank overweegt hiertoe dat getuige [getuige] een onafhankelijke getuige is, die vier verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop [slachtoffer] werd doodgeschoten. Drie verklaringen werden afgelegd bij de politie en één bij de rechter-commissaris. [getuige] heeft (met name tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris) verklaard dat zij weliswaar niet alles heeft gezien, maar over wat zij wel heeft gezien, verklaart zij naar het oordeel van de rechtbank helder en duidelijk. Hoewel [getuige] bij de politie meer gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd, in vergelijking met haar verklaring bij de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [getuige] - zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris - in de kern steeds gelijk zijn gebleven. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van getuige [getuige].

Nu de verklaring van getuige [getuige] door de rechtbank betrouwbaar wordt geacht, zal zij de verklaring zoals die door [getuige] werd afgelegd bij de rechter-commissaris, gebruiken voor het bewijs. De rechtbank leidt uit de verklaring van [getuige] af dat verdachte, na [slachtoffer] tegen het hoofd te hebben geslagen waardoor die ten val kwam, opnieuw op

[slachtoffer] is afgelopen. Verdachte is bij [slachtoffer] gaan staan en heeft het vuurwapen van

[slachtoffer], dat hij zich kennelijk kort daarvoor had toegeëigend, op [slachtoffer] gericht. Verdachte heeft vervolgens op het lichaam van [slachtoffer] geschoten, waardoor [slachtoffer] een schotverwonding opliep en korte tijd later in het ziekenhuis is komen te overlijden.

Opzet op het doden van [slachtoffer]?

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet moet hebben gehad op het doden van [slachtoffer]. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat verdachte met het vuurwapen naar

[slachtoffer] is gelopen en welbewust en gericht op zijn lichaam heeft geschoten toen hij weerloos op de grond lag. Het verweer van de verdediging dat van (voorwaardelijk) opzet geen sprake was, wordt dan ook verworpen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Moord of doodslag?

Voor een bewezenverklaring van moord is tevens vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan de uitvoering van het delict tijd en gelegenheid had voor kalm beraad en rustig overleg. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte [slachtoffer] eerst heeft ‘uitgeschakeld’ door hem met een knuppel en een elleboog op het hoofd te slaan. Uit de verklaring van [getuige] leidt de rechtbank af dat verdachte op het moment dat hij met het vuurwapen in zijn hand naar het gevelde slachtoffer toeliep, gelegenheid had om na te denken over hetgeen hij zou gaan doen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat volgens vaste jurisprudentie geldt dat het tijdsverloop bij voorbedachte raad kort kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit waarbij verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis van de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

Noodweer(exces)?

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat verdachte ook tijdens het schieten op

[slachtoffer] handelde in reactie op diens ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de verklaring van [getuige] en de camerabeelden leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] na de klap op zijn hoofd (op voornoemde twee schokken in zijn benen na) roerloos op de grond is blijven liggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er (nog steeds) geen sprake was van een dreigende situatie waarin verdachte noodzaakt was zichzelf te verdedigen. Het beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, kan daarom niet slagen.

feit 3:

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- het wapenrapport.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen

feit 1:

dat verdachte op 01 januari 2011 te Tilburg aan een persoon genaamd

[naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een onderhuidse

bloeduitstorting met bloederige slaapspier en een lijnvormige breuk in het

schedeldak en een hersenzwelling), heeft toegebracht, door opzettelijk op

die [slachtoffer] af te rennen en vervolgens met een knuppel, en met zijn elleboog tegen het

hoofd, van die [slachtoffer] te slaan en te stoten, tengevolge waarvan die

[slachtoffer] ten val is gekomen;

feit 2:

dat verdachte op 01 januari 2011 te Tilburg opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met

een vuurwapen op korte afstand in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 3:

dat verdachte in de periode van 01 januari 2011 tot en met

19 januari 2011 te Tilburg een wapens van categorie III, te weten een

pistool, merk FN, type Baby, en/of munitie van categorie III, te weten kogelpatronen,S&B, Sellier & Bellot, kaliber 6,35mm, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank heeft bij de bewezenverklaring kennelijke misslagen, bestaande uit spelfouten, verbeterd, waardoor de verdachte niet in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een noodsituatie in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Daarom volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet en is het beroep op noodweerexces eveneens verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie benadrukt dat verdachte wordt beschuldigd van zeer ernstige strafbare feiten. Het overlijden van [slachtoffer] heeft bij de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van haar strafeis rekening gehouden met het feit dat [slachtoffer] zelf een vuurwapen heeft meegenomen naar de plaats van het delict, waarmee hij is doodgeschoten. Dit neemt volgens haar niet weg dat verdachte uiteindelijk zelf de beslissing heeft genomen om [slachtoffer] neer te schieten, waardoor hij is komen te overlijden. De officier van justitie geeft aan ook rekening te hebben gehouden met het strafblad van verdachte.

Gelet op het voorgaande vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 jaar, met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van één van deze feiten zal komen, dan is de verdediging van oordeel dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde geen strafmaatverweer gevoerd.

Met betrekking tot het onder feit 3 ten laste gelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank verdachte een rechterlijk pardon dient te verlenen door verdachte conform artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte het vuurwapen en de munitie weliswaar voorhanden heeft gehad gedurende de ten laste gelegde periode, maar volgens de verdediging heeft verdachte dit gedaan ten behoeve van de waarheidsvinding.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling, moord en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Verdachte is met grote snelheid op [slachtoffer] afgerend, terwijl deze met zijn rug naar hem toe stond, waarna hij hem met kracht met een knuppel en zijn elleboog tegen het hoofd heeft geslagen. Hierdoor is [slachtoffer] hard ten val gekomen en raakte zijn hoofd ernstig verwond. Ondanks het feit dat [slachtoffer] door de klap op zijn hoofd geveld op straat lag, is verdachte opnieuw op [slachtoffer] afgelopen. Verdachte had op dat moment het vuurwapen van [slachtoffer] in zijn handen en heeft hem daarmee welbewust en gericht in het lichaam geschoten. Verdachte is vervolgens weggelopen en heeft [slachtoffer] hierdoor hulpeloos achtergelaten. Het vuurwapen nam verdachte met zich mee, waarna hij het bijna drie weken verborgen hield. Hoewel [slachtoffer] kort nadat hij door verdachte was beschoten, werd opgemerkt door voorbijgangers, kwamen de gealarmeerde hulpdiensten voor hem te laat. [slachtoffer] is diezelfde ochtend in het ziekenhuis overleden aan de schotverwonding die hij had opgelopen.

Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Verdachte heeft [slachtoffer] eerst ernstig toegetakeld met een knuppel om hem vervolgens zijn meest fundamentele recht te ontnemen: het recht op leven. Verdachte heeft hiermee de nabestaanden van [slachtoffer] onbeschrijflijk veel leed toegebracht. Ook voor de samenleving is het een schokkend en zeer ernstig feit. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat de confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] op de openbare weg plaatsvond. Een dergelijke moord schokt de rechtsorde en brengt ook buiten de directe omgeving van [slachtoffer] angst en gevoelens van onveiligheid teweeg. Hoewel het slachtoffer een zeker risico heeft genomen door met een geladen vuurwapen de straat op te gaan, is de rechtbank van oordeel dat dit niets afdoet aan de laakbaarheid van het handelen van verdachte. De rechtbank rekent deze feiten verdachte dan ook zwaar aan.

De raadsman heeft ervoor gepleit verdachte ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. De rechtbank zal de raadsman daarin niet volgen omdat zij ook de feiten 1 en 2 bewezen acht.

Bij het opleggen van de straf houdt de rechtbank - in negatieve zin - rekening met de omstandigheid dat verdachte meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten.

Alles overwegend, acht de rechtbank - net als de officier van justitie - een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf een noodzakelijke strafrechtelijke sanctie. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 91, 289 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Zware mishandeling;

feit 2: Moord;

feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gameren, voorzitter, mr. Pick en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Riege, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 januari 2012. Mr. Van Gameren is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Tilburg aan een persoon genaamd

[slachtoffer], opzettelijk al dan niet met voorbedachte rade en al dan niet na

kalm beraad en rustig overleg zwaar lichamelijk letsel (een onderhuidse

bloeduitstorting met bloederige slaapspier en/of een lijnvormige breuk in het

schedeldak en/of een hersenzwelling), heeft toegebracht, door opzettelijk op

die [slachtoffer] af te rennen en/of vervolgens met een honkbalknuppel,althans een

tafelpoot, althans een lang hard voorwerp en/of met zijn elleboog tegen het

hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stoten, althans

met grote vaart tegen die [slachtoffer] is gebotst, tengevolge waarvan die

[slachtoffer] ten val is gekomen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Tilburg opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met

een vuurwapen op korte afstand in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2011 tot en met

19 januari 2011 te Tilburg een of meer wapens van categorie III, te weten een

pistool, merk FN, type Baby, en/of munitie van categorie III, te weten één of

meer kogelpatro(o)n(en),S&B, Sellier & Bellot, kaliber 6,35mm, voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie