Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BV2231

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
800423-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot uitlokking moord. Opzet verdachte gericht op het vermoorden van het beoogde slachtoffer. Dit blijkt onder andere uit door verdachte gestuurde msn- en sms-berichten, verstrekte informatie en uit het feit dat verdachte geld heeft overgemaakt voor het plegen van de moord. De omstandigheid dat de persoon die de moord had moeten plegen nooit de bedoeling heeft gehad om het beoogde slachtoffer te vermoorden, staat naar het oordeel van de rechtbank aan een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit niet in de weg nu een poging tot uitlokking van moord ten laste is gelegd. In artikel 46a Sr gaat het om tot een ander gerichte gedragingen, die er niet toe leiden dat het tot een begin van uitvoering komt van het misdrijf waarop die gedragingen waren gericht.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 257 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar onder bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800423-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 januari 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Van Delft, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [getuige 1] uit te lokken [beoogde slachtoffer] te vermoorden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om [getuige 1] uit te lokken [beoogde slachtoffer] te vermoorden. Hij baseert zich daarbij op de verklaring van [getuige 1], de verklaring van verdachte, de sms- en msn-berichten en de in het dossier opgenomen bankgegevens.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank, bij gebrek aan bewijs, niet tot een bewezenverklaring kan komen en vordert vrijspraak. Allereerst heeft de verdediging aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de dood van [beoogde slachtoffer] ook niet in voorwaardelijke zin. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte bij [getuige 1] niet het wilsbesluit heeft gewekt om [beoogde slachtoffer] te vermoorden en dat geen bewijsmiddelen voorhanden zijn voor de diverse in de tenlastelegging genoemde uitlokkingsmiddelen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 16 april 2011 heeft getuige [getuige 1] verklaard dat hij twee à drie weken eerder op bezoek was bij [getuige 2] in Tilburg. Daar had hij met de vrouw van [getuige 2] genaamd [getuige 3] en zijn dochter [naam dochter getuige 3] gesproken over [beoogde slachtoffer]. [beoogde slachtoffer] zou zijn vriendin mishandelen en de dochter van die vriendin genaamd [naam dochter] zocht iemand die [beoogde slachtoffer] op zou ruimen. [getuige 1] begreep hieruit dat [naam dochter] [beoogde slachtoffer] dood wilde maken. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zijn telefoonnummer aan [naam dochter getuige 3] heeft gegeven en dat hij heeft gezegd dat ze het nummer aan [naam dochter] moest geven. Hij zou kijken wat hij kon betekenen. Na ongeveer 2 dagen stuurde [naam dochter] hem een sms-bericht. [naam dochter] en getuige [getuige 1] hebben vervolgens over en weer diverse sms-berichten gestuurd en daarnaast hebben zij een aantal keer een chatsessie gehad op msn. Volgens [getuige 1] kwam hij met [naam dochter] overeen dat hij [beoogde slachtoffer] zou opruimen voor een bedrag van 2500 euro. [naam dochter] gaf hem informatie over [beoogde slachtoffer] via msn en sms. Ze vertelde waar hij woonde en welke auto hij had. Ook zou zij hebben gezegd dat [getuige 1] [beoogde slachtoffer] het beste thuis kon omleggen. Ze spraken af dat [naam dochter] een aanbetaling zou doen van 500 euro. Op 11 april 2011 is er vervolgens door middel van een spoedoverboeking 496 euro op de rekening van [getuige 1] met nummer [rek. nr.] bijgeschreven. Aangezien het een spoedoverboeking betrof was volgens [getuige 1] 4 euro ingehouden. Zoals afgesproken met [naam dochter] was de tegenrekening ten name van [achternaam] met als mededeling “aflossing geldlening”. Volgens [getuige 1] bleek uit de contacten met [naam dochter] dat ze erg serieus was om [beoogde slachtoffer] om te laten brengen en hij was bang dat ze iemand anders zou gaan regelen om het daadwerkelijk te laten doen.

De verklaring van [getuige 1] wordt ondersteund door het rekeningafschrift van [achternaam] waaruit blijkt dat een bedrag van € 500,= is overgeschreven naar rekeningnummer [rek. nr.].

Daarnaast staat in de msn-berichten tussen verdachte (zij schrijft onder de naam [naam dochter][2e naam]) en [getuige 1] (hij schrijft onder de naam (naam getuige 1) onder andere het volgende vermeld :

(naam getuige 1) zegt:

zal een foto pakken van hem kijk jij of het de goede is.

De overdracht van [bestandsnaam].JPG is voltooid.

[naam dochter][2e naam] zegt:

jah dat is ie

(naam getuige 1) zegt:

Kee

Wil zijn achternaam en vornaam en plaats en straat of waar die veel komt

Of kenteken

[naam dochter][2e naam] zegt:

[naam beoogde slachtoffer en adres]

Hij is altijd thuis

[naam dochter][2e naam] zegt:

Oke en wat moet ik er voor doen geld ofzo

(naam getuige 1) zegt:

Je hoeft verder nks te doen, zal je me rekeningnummer geven stort daar het geld op, is een buitenlandse rekeningnummer

(naam getuige 1) zegt:

Met omschrijving afbetaling lening

[naam dochter][2e naam] zegt:

Is hij nie weg dan is mijn moeder voortzo weg denk

(naam getuige 1) zegt:

Nee hij gaat weg

[naam dochter][2e naam] zegt:

Ik zal op zijn graf dansen

(naam getuige 1) zegt:

Doe 500 storten op me rekening de rest doe je wanneer het je uitkomt.

Ook is tijdens een chatsessie tussen [getuige 1] (aangeduid als F.) en verdachte (aangeduid als C.) het volgende geschreven:

F: zeg me maar wanneer het zou moeten gebeuren met [beoogde slachtoffer] en of jullie er achter staan dat die een houte jas krijgt.

C: en daarom moet het zo snel mogelijk anders ben ik ons moeder kwijt en het is dat ik zwanger ben anders doe ik het zelf wand het doet me meer pijn om ons moeder zo te zien als iets anders

F: weet jij toevallig of die een auto heeft

C: hij heeft een grijze bus een ford met grote stickers erop (naam) dat is wel zijn bedrijf he.

In de sms-berichten van verdachte aan [getuige 1] staat onder andere het volgende vermeld :

2011.04.08 hoi hoi hij is vanavond rond 8 helemaal alleen thuis ik denk ik hou je op de hoogte gr.

2011.04.07 ow gelukkig wand ons moeder houd het niet meer ze ziet er zo slecht uit en hij is vandaag om half 3 naar de therapie gr.

2011.04.07 Dat is in de [adres] naast de kerk in dat groot gebouw kun je niet naast kijken daar moet ie heel even zijn en dan is ie weer thuis.

2011.04.07 Hij moet er elke dag naar toe en meestal moet hij er om half 3 zijn ik rij er nu langs dan heb je het adres gr.

2011.04.05 [kenteken] dat is uhm gr.

2011.04.10 Het staat er morgen op geloof me en hartstikke bedankt dus vanacht is ie weg ons Mam laat achter alles open dus je kunt achterom.

Tevens zijn tijdens het eerste verhoor van getuige [getuige 1] door de verbalisant een aantal sms-berichten gelezen op de telefoon van [getuige 1] die van verdachte afkomstig waren . In deze sms-berichten stond het volgende vermeld:

13 april 2011: “als het toch niet doorgaat mag ik dan mijn geld terug, heb er mijn eigen kapot voor gehaast en gedaan en je laat mij gewoon zitten.”

14 april 2011: “morgen begint ie weer tegen ons mam ze houdt het echt niet meer vol vanavond zou perfect zijn want dat verwacht ie niet”.

Verdachte heeft erkend de msn- en sms-berichten te hebben gestuurd naar [getuige 1]. Zij heeft verklaard dat zij [getuige 1] heeft gevraagd [beoogde slachtoffer] iets aan te doen. Na een paar dagen vroeg hij haar om 500 euro. Zij heeft het geld vervolgens overgemaakt vanaf de rekening van haar vriend naar de rekening van [getuige 1]. Volgens verdachte heeft zij [getuige 1] gevraagd of het geld kostte. Toen verdachte aangaf dat ze dat het door [getuige 1] gevraagde geldbedrag niet had zei deze dat ze in gedeeltes kon betalen.

Ter zitting heeft verdachte toegegeven dat zij via sms- en msn-berichten informatie over [beoogde slachtoffer] heeft doorgegeven aan [getuige 1] en dat zij aan [getuige 1] heeft bevestigd dat de persoon op de foto [beoogde slachtoffer] was. Ook heeft ze doorgegeven dat [beoogde slachtoffer] in een busje reed en heeft zij het kenteken doorgegeven. Ze heeft [getuige 1] laten weten wanneer [beoogde slachtoffer] thuis zou zijn en dat de achterdeur open zou zijn. Ook erkent verdachte dat ze na het overmaken van het geld nog een bericht heeft gestuurd naar [getuige 1]

De rechtbank moet beslissen of op basis van voornoemde feiten en omstandigheden tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan worden gekomen. Hiertoe dienen enkele punten nader te worden beschouwd.

Opzet

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte [beoogde slachtoffer] alleen maar bang wilde maken door hem op papier te laten zien dat iemand hem ging vermoorden. Daardoor ontbreekt het voor een bewezenverklaring benodigde opzet, aldus de raadsman.

De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte wel degelijk opzet heeft gehad en dat dit ook wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dit blijkt onder andere uit de door haar gestuurde msn- en sms-berichten. Ze heeft [getuige 1] van de benodigde informatie voorzien en daarnaast heeft ze geld overgemaakt naar [getuige 1] voor het plegen van de moord op [beoogde slachtoffer]. De verklaring van verdachte dat het allemaal een grap was, dat ze [beoogde slachtoffer] alleen maar bang wilde maken en dat ze nooit echt de bedoeling heeft gehad om [beoogde slachtoffer] te laten vermoorden vindt geen steun in haar gedragingen en uitlatingen. Hieruit blijkt op geen enkele wijze dat ze het niet serieus meende. Integendeel, zelfs nadat ze € 500,= had overgemaakt naar [getuige 1] heeft ze hem nog laten weten wanneer een goed moment zou zijn om [beoogde slachtoffer] te vermoorden. Getuige [getuige 1] verklaart ook dat hij dacht dat verdachte het serieus meende en heeft tegenover de politie zijn angst geuit dat, als hij de moord niet zou plegen, verdachte iemand anders zou zoeken om [beoogde slachtoffer] te vermoorden.

Wilsbesluit [getuige 1]

De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat [getuige 1] [beoogde slachtoffer] nooit daadwerkelijk heeft willen vermoorden en dat daarom niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het ten laste gelegde. Ook dit verweer dient te worden gepasseerd aangezien een poging tot uitlokking van moord ten laste is gelegd. In artikel 46a Sr gaat het om tot een ander gerichte gedragingen die er niet toe leiden dat het tot een begin van uitvoering komt van het misdrijf waarop die gedragingen waren gericht. De omstandigheid dat [getuige 1] nooit de bedoeling heeft gehad om [beoogde slachtoffer] te vermoorden staat derhalve niet aan een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit in de weg.

Uitlokkingsmiddelen

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor genoemde verklaringen en geschriften voldoende bewijs vormen voor de in de tenlastelegging genoemde uitlokkingsmiddelen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [getuige 1] uit te lokken om [beoogde slachtoffer] te vermoorden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 maart 2011 tot en met 16 april 2011 in

Tilburg, heeft gepoogd om [getuige 1] door in artikel 47, eerste lid onder 2e, van het

Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een belofte en een

gift en het verschaffen van inlichtingen, te bewegen om [beoogde slachtoffer] te

vermoorden, bestaande

- die belofte in de toezegging tot het betalen van 2500 euro aan voornoemde

[getuige 1], indien [beoogde slachtoffer] van het leven zou worden beroofd en

- die gift in het aan voornoemde [getuige 1] overmaken van 500 euro als

voorschot en

- het verschaffen van die inlichtingen in het (zakelijk weergegeven):

*na het ontvangen van een foto van voornoemde [beoogde slachtoffer] aan voornoemde [getuige 1]

bevestigen dat een van de personen op de foto [beoogde slachtoffer] betreft en

*meedelen aan voornoemde [getuige 1] dat voornoemde [beoogde slachtoffer] op een bepaalde

avond rond 8 uur helemaal alleen thuis is en

*meedelen aan voornoemde [getuige 1] van de bezigheden van voornoemde [beoogde slachtoffer]

en

*meedelen aan voornoemde [getuige 1] dat haar moeder alles achter open laat en

dat hij dus achterom kan en

*meedelen van het kenteken van de auto van voornoemde (beoogde slachtoffer) en het merk

van de auto van voornoemde [beoogde slachtoffer];

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 257 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar onder de bijzondere voorwaarde, dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling door het GGZ of een soortgelijke instelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging vrijspraak gevorderd. Subsidiair heeft de raadsman van verdachte verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot uitlokking moord. Zij heeft [getuige 1] gevraagd [beoogde slachtoffer] te vermoorden, heeft hem daarvoor ook een vergoeding in het vooruitzicht gesteld en een aanbetaling gedaan. De rechtbank vindt dit een zeer ernstig feit. Dat het uiteindelijk niet tot een uitvoering van de moord is gekomen is niet aan verdachte te danken maar aan het enkele feit dat [getuige 1] uiteindelijk geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek van verdachte maar met zijn verhaal naar de politie is gegaan.

De rechtbank zal bij de bepaling van de straf echter wel rekening houden met de specifieke omstandigheden van het geval. Verdachte heeft [getuige 1] gevraagd [beoogde slachtoffer] te vermoorden omdat hij haar moeder mishandelde en zij daaraan een einde wilde maken.

Blijkens de rapportages van psycholoog [naam psycholoog] en psychiater [naam psychiater] heeft verdachte een traumatiserende jeugd doorgemaakt, gekenmerkt door veel geweld in het gezin. Ze heeft daardoor psychische schade opgelopen. Dit heeft geleid tot diverse internaliserende en externaliserende problemen bij verdachte.

Toen haar moeder wederom in een relatie terechtkwam die werd gekenmerkt door geweld, werd de positie van het geparentificeerde kind weer geactiveerd, ze wilde haar moeder beschermen en redden. Geïnspireerd door een film is verdachte vervolgens op zoek gegaan naar een huurmoordenaar maar heeft gezien haar verstandelijke beperking de consequenties van haar handelen niet kunnen overzien. Ze is beïnvloedbaar en gevoelig voor degenen die zich in haar buurt bevinden. De getuigen-deskundigen concluderen dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt. Ze adviseren de rechtbank een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een ambulante begeleiding door de GGZ en/of de licht verstandelijke gehandicaptenzorg.

Ter zitting heeft (naam reclasseringsmedewerker] van de Reclassering aangegeven dat de begeleiding van verdachte gedurende de schorsing goed is verlopen. Verdachte komt de afspraken goed na en inmiddels is verdachte aangemeld bij de GGZ te Tilburg. Het behouden van contact met de reclassering zou volgens [naam reclasseringsmedewerker] goed zijn voor verdachte als stok achter de deur.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het een stuk beter met haar gaat. Verdachte is erg geschrokken van wat er is gebeurd en de daarop volgende detentie. Ze beaamt dat de begeleiding goed is verlopen en dat zij hier ook baat bij heeft. Daarnaast heeft zij een baan gevonden, zal ze binnenkort haar nieuwe woning betrekken en investeert ze in haar eigen gezin.

Gezien al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. Deze straf doet voldoende recht aan de ernst van het feit maar ook aan de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft gepleegd. Gezien haar situatie acht de rechtbank het namelijk niet wenselijk dat verdachte terugkeert naar de gevangenis, zodat de rechtbank conform de eis van de officier van justitie zal beslissen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [beoogde slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 20.000,=.

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij [beoogde slachtoffer] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 46a, 47, 289 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging om een ander door giften, beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen een moord te begaan.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 257 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dat een ambulante behandeling en/of begeleiding inhoudt door de GGZ en/of de stichting MEE of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [beoogde slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. Combee, voorzitter, mr. Bakx en mr. Los, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fleskens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 februari 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 16 april 2011 in

Tilburg, althans in het arrondissement Breda, althans in Nederland heeft

gepoogd om [getuige 1] door in artikel 47, eerste lid onder 2e, van het

Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een belofte en/of een

gift en/of het verschaffen van inlichtingen, te bewegen om [beoogde slachtoffer] te

vermoorden, bestaande

- die belofte in de toezegging tot het betalen van 2500 euro aan voornoemde

[getuige 1], indien [beoogde slachtoffer] van het leven zou worden beroofd en/of

- die gift in het aan voornoemde [getuige 1] overmaken van 500 euro als

voorschot en/of

- het verschaffen van die inlichtingen in het (zakelijk weergegeven):

*na het ontvangen van een foto van voornoemde [beoogde slachtoffer] aan voornoemde [getuige 1]

bevestigen dat een van de personen op de foto [beoogde slachtoffer] betreft en/of

*verstrekken van het telefoonnummer van voornoemde [beoogde slachtoffer] aan voornoemde

[getuige 1] en/of

*meedelen aan voornoemde [getuige 1] dat voornoemde [beoogde slachtoffer] op een bepaalde

avond rond 8 uur helemaal alleen thuis is en/of

*meedelen aan voornoemde [getuige 1] van de bezigheden van voornoemde [beoogde slachtoffer]

en/of

*meedelen aan voornoemde [getuige 1] dat haar moeder alles achter open laat en

dat hij dus achterom kan en/of

*meedelen van het kenteken van de auto van voornoemde van (beoogde slachtoffer) en/of het merk

en/of het type van de auto van voornoemde [beoogde slachtoffer];