Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:5122

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-12-2012
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
AWB-12_3168
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wetsartikelen 5.18 Wabo

Invordering kosten bestuursdwang/dwangsommen bij rechtsopvolger overtreder kan niet zonder belangenafweging;

Rechtbank noemt expliciet de af te wegen omstandigheden en belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

[AWB nummer]

AWB nummer: 12/3168

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[Eiseres]

gevestigd te [plaatsnaam 1],

eiseres,

gemachtigde mr. J. Ossewaarde, advocaat te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal,

gevestigd te Kruiningen,

verweerder.

I. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 28 februari 2012 (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is op 16 oktober 2012 behandeld ter zitting. Voor eiseres is daar verschenen [naam persoon 1], bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr.[naam persoon 2] en [naam persoon 3].

II. Overwegingen

1.

Bij besluit van 23 september 2009 heeft verweerder op grond van de artikelen 40 en 100e van de Woningwet (Wonw) juncto artikel 125 van de Gemeentewet (Gemw) en de artikelen 5:22 en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de toenmalige eigenares [naam bedrijf 1] gelast de bouwactiviteiten in strijd met de Woningwet aan het pand [adres] te [plaatsnaam 1] per direct te staken en voor onbepaalde tijd gestaakt te houden. Daarbij is een dwangsom opgelegd van € 1300,- per keer dat bouwwerkzaamheden worden geconstateerd met een maximum van € 13.000,-..

2.

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft verweerder [naam bedrijf 1] meegedeeld dat zij de op grond van voormeld besluit van 23 september 2009 verbeurde dwangsom van

€ 1300,- binnen zes weken dient te voldoen. Bij brieven van 15 juli 2010 en 20 oktober 2010 heeft verweerder [naam bedrijf 1] gemaand het verschuldigde bedrag van € 1300,- alsnog te voldoen.

3.

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft verweerder op grond van artikel 100e van de Wonw juncto artikel 125 Gemw en de artikelen 5:31d en 5:32b van de Awb,[naam bedrijf 1] gelast met onmiddellijke ingang het op het perceel[adres] te[plaatsnaam 1] opgeslagen asbesthoudend materiaal te laten verwijderen en een eindbeoordeling te laten uitvoeren door een daartoe gecertificeerd laboratorium. Hierbij is een dwangsom opgelegd van € 500,- per dag dat niet is voldaan aan de last met een maximum van € 5000,-.

4.

Bij besluit van 28 augustus 2010 heeft verweerder aan[naam bedrijf 1] meegedeeld dat het maximum van de dwangsommen is verbeurd en dat dit bedrag van € 5000,- bij haar wordt geïnd. Bij brief van 10 februari 2011 heeft verweerder [naam bedrijf 1] aangemaand alsnog de verbeurde dwangsommen ad € 5000,- te betalen aan verweerder.

5.

Bij besluit van 14 december 2010 heeft verweerder [naam bedrijf 1] op grond van artikel 5.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) juncto artikel 125 van de Gemw en artikel 5:21 van de Awb een last onder bestuursdwang opgelegd. Hierbij is[naam bedrijf 1] gelast voor 28 december 2010 het asbesthoudend materiaal op het perceel [adres] te [plaatsnaam 1] te laten verwijderen en een eindbeoordeling te laten plaatsvinden door een daartoe gecertificeerd laboratorium.

6.

Blijkens een notariële akte van 21 juli 2011 is het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verder toebehoren aan de [adres] te [plaatsnaam 1] verkocht aan eiseres.

7.

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft verweerder bepaald dat de op grond van de voornoemde besluiten door [naam bedrijf 1] verbeurde dwangsommen en de kosten van de uitvoering van de bestuursdwang ad totaal € 7.623,- bij eiseres worden geïnd.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

8.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 30 augustus 2011 gehandhaafd.

Hierbij heeft verweerder overwogen dat in de besluiten van 23 september 2009 en 20 juli 2010 met artikel 100e Wonw en met het besluit van 14 december met artikel 5:18 van de Wabo is bepaald dat deze besluiten ook gelden voor rechtsopvolgers. Gelet op deze zakelijke werking van bestuursrechtelijke handhavingsbesluiten kunnen de kosten van tenuitvoerlegging van deze besluiten bij de rechtsopvolger worden ingevorderd. Verweerder ziet geen redenen om af te zien van invordering bij eiseres. De verjaringstermijn van één jaar genoemd in artikel 5:35 van de Awb is niet bereikt nu binnen die termijn aanmaningen en betalingsherinneringen zijn verstuurd aan Jansen Project.

9.

Eiseres voert in beroep aan dat in de handhavingsbesluiten niet een expliciete aanzegging dat deze besluiten mede gelden jegens de rechtsopvolger is opgenomen. Daarom ontbreekt een grondslag tot invordering van de verbeurde dwangsommen en de kosten van de tenuitvoerlegging bij eiseres.

Eiseres stelt voorts dat zij in overleg met verweerder aan de lasten heeft voldaan waardoor de illegale situatie is beëindigd. Zij heeft zelf geen dwangsommen verbeurd en evenmin kosten van bestuursdwang veroorzaakt. Dat leidt ertoe dat verweerder ten aanzien van de inning van de kosten van de handhaving bij eiseres als rechtsopvolger een nieuwe afweging moet maken. Het doel van de regeling van artikel 5.18 van de Wabo, en de artikelen 5:25 en 5:37 van de Awb is niet dat uitvoeringskosten worden verhaald maar dat normconform wordt gehandeld. Verweerder heeft er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat eiseres bijna al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om aan de handhavingsbesluiten van verweerder te voldoen. Verweerder heeft dan ook bij het bestreden besluit het evenredigheidsbeginsel niet in acht genomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

10.

Ingevolge artikel 100e van de Wonw, zoals dit luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders bij een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV, bepalen dat dit besluit mede geldt jegens de rechtsopvolger van degene aan wie dat besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger. In dat geval kan het besluit, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen naar het oordeel van burgemeester en wethouders verzetten, jegens die rechtsopvolger of iedere verdere rechtsopvolger worden ten uitvoer gelegd en kunnen de kosten van die tenuitvoerlegging en een te innen dwangsom bij die rechtsopvolger of verdere rechtsopvolger worden ingevorderd.

Ingevolge artikel 5.18 van de Wabo kan bij een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen bepalen dat het besluit mede geldt jegens de rechtsopvolger van degene aan wie het besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger. In dat geval kan het besluit, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen naar het oordeel van dat bestuursorgaan verzetten, jegens die rechtsopvolger of iedere verdere rechtsopvolger worden ten uitvoer gelegd en kunnen de kosten van die tenuitvoerlegging en een te innen dwangsom bij die rechtsopvolger of verdere rechtsopvolger worden ingevorderd.

Ingevolge artikel 5:35 van de Awb verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

11.

Bij de voornoemde handhavingsbesluiten van 23 september 2009, 20 juli 2010 en 14 december 2010 heeft verweerder niet expliciet bepaald dat deze besluiten mede gelden jegens de rechtsopvolger(s) van Jansen Project. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met de enkele verwijzing naar de wetsartikelen, artikel 100e van de Wonw en artikel 5.18 van de Wabo. Deze artikelen verplichten immers het bestuursorgaan om (expliciet) te bepalen dat er zakelijke werking aan een besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom wordt verbonden. Daarnaast brengt de omstandigheid dat het hierbij om een discretionaire bevoegdheid van verweerder gaat mee dat het handhavingsbesluit tevens een kenbare evenredige belangenafweging ter zake moet inhouden. Een dergelijke belangenafweging ontbreekt in de handhavingsbesluiten. Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden om de door de rechtsvoorganger van eiseres verbeurde dwangsommen en de kosten van tenuitvoerlegging van de bestuursdwang te kunnen innen bij eiseres. Reeds hierom komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de wet. Het beroep is daarom gegrond.

12.

Voorts ontbreekt ook in het bestreden besluit zelf een belangenafweging ten aanzien van de tenuitvoerlegging jegens eiseres en de invordering van de kosten jegens eiseres. Blijkens de tekst van zowel artikel 100e van de Wonw als artikel 5.18 van de Wabo kan het bestuursorgaan besluiten tot tenuitvoerlegging jegens de rechtsopvolger en invordering bij de rechtsopvolger, tenzij naar het oordeel van het bestuursorgaan bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. Dat impliceert dat in het desbetreffende besluit een afweging moet plaatsvinden of zich dergelijke bijzondere omstandigheden voordoen. In het bestreden besluit ontbreekt deze afweging. Ook uit dien hoofde is er reden om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met de wet.

13.

Teneinde het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten overweegt de rechtbank het volgende. Het ter zitting naar voren gebrachte argument van verweerder, dat het haaks op de bedoeling van de wetgever zou staan als na de keuze voor het verbinden van zakelijke werking aan de handhavingsbesluiten nog getracht zou worden de kosten in rekening te brengen bij de oorspronkelijke overtreder, mist naar het oordeel van de rechtbank elke rechtsgrond. In artikel 5.18 van de Wabo respectievelijk artikel 100e van de Wonw is niet bepaald dat die mogelijkheid niet meer zou bestaan. De mogelijkheid van tenuitvoerlegging ten aanzien van rechtsopvolgers, neemt niet weg dat de oorspronkelijke handhavings-besluiten ten aanzien van Jansen Project als oorspronkelijke overtreder hun gelding behouden. Dat betekent dat ook de mogelijkheid tot invordering van de dwangsommen en kosten van bestuursdwang bij Jansen Project overeind blijft. In het kader van de besluitvorming tot invordering bij de rechtsopvolger zullen dan ook mede betrokken moeten worden de pogingen en mogelijkheden om de kosten bij de oorspronkelijke overtreder in te vorderen. Nu het bestreden besluit daarover niets vermeldt, is dit besluit onvoldoende gemotiveerd.

14.

In het kader van zijn besluitvorming over de tenuitvoerlegging jegens en invordering bij eiseres dient het bestuursorgaan voorts na te gaan of er naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om af te zien van de tenuitvoerlegging en/of invordering. Nu verweerder noch in een beleid noch in het bestreden besluit invulling en uitdrukking heeft gegeven aan zijn beoordelingsvrijheid terzake, ziet de rechtbank aanleiding om aan te duiden welke omstandigheden en belangen verweerder bij zijn besluitvorming had moeten meewegen. In ieder geval dient het belang van eiseres daarbij afgewogen te worden tegen het door de wetgever beoogde doel van de zakelijke werking van handhavingsbesluiten, te weten het zo effectief mogelijk bereiken van een normconforme situatie. Voorts moet onderscheid worden gemaakt tussen de door de oorspronkelijke overtreder verbeurde dwangsommen en de door verweerder gemaakte kosten van de tenuitvoerlegging van bestuursdwang.

15.

De in het kader van de besluitvorming tot invordering in acht te nemen zorgvuldigheid en redelijkheid brengen mee dat na de eigendomsoverdracht aan eiseres verweerder nogmaals had moeten trachten de verbeurde dwangsommen en de kosten van bestuursdwang bij[naam bedrijf 1] te innen. Eerst als dat niet gelukt was, had verweerder kunnen besluiten om over te gaan tot invordering bij eiseres.

Voorts had verweerder in dit geval met betrekking tot de verbeurde dwangsommen als bijzondere omstandigheid in aanmerking moeten nemen dat eiseres, zoals ter zitting is gebleken, onmiddellijk na de eigendomsoverdracht van het perceel [adres] te [plaatsnaam 1] met verweerder in overleg is getreden over hetgeen vereist was om alsnog aan de dwangsombesluiten van verweerder te voldoen. Naar aanleiding daarvan heeft eiseres alsnog bouwvergunning gevraagd en verkregen. Aldus is door toedoen van eiseres alsnog een normconforme situatie bereikt.

16.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat het bestreden besluit voor wat betreft de invordering van de verbeurde dwangsommen door verweerder thans niet meer op de hiervoor vermelde zorgvuldige wijze kan worden hersteld.[naam bedrijf 1] kan immers op dit moment niet meer worden aangesproken tot betaling van de verbeurde dwangsommen omdat, nu de laatste aanmaning en betalingsherinnering aan [naam bedrijf 1]zijn verstuurd op 20 oktober 2010 en 10 februari 2011, inmiddels de vorderingen op grond van artikel 5:35 van de Awb zijn verjaard.

17.

Voor wat betreft de door verweerder gemaakte kosten van de tenuitvoerlegging van de bestuursdwang ziet de rechtbank vooralsnog geen bijzondere omstandigheden, die zouden nopen tot het afzien van invordering van die kosten bij eiseres. Eiseres had immers, als zij zich voorafgaande aan de openbare verkoping bij de betreffende notaris nader had geïnformeerd, kunnen weten dat de bestuursdwang ten uitvoer was gelegd en dat de betreffende kosten dus al door verweerder waren gemaakt.

18.

De conclusie is dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder moet voor wat betreft de invordering van de kosten van de ten uitvoer gelegde bestuursdwang een nieuw besluit nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

19.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 874,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 874,- (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen door verweerder aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.M. Reinarz, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer, griffier en op 10 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: