Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:4989

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-11-2012
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
214938_07112012
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:27, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:3747, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:5082, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:1799, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

214938 / HA ZA 10-2337 november 2012

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 214938 / HA ZA 10-233

Vonnis van 7 november 2012

in de zaak van

1 [naam eiser 1] ,

wonende te [plaatsnaam 1] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [plaatsnaam 1] ,

eisers,

advocaat mr. drs. J.P. de Man,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Bouman.

Partijen zullen hierna [eisers 1] c.s . en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 september 2011 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    het deskundigenbericht, gedeponeerd ter griffie op 3 mei 2012,

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende akte nadere wijziging/vermeerdering van eis van [eisers 1] . met producties 1 tot en met 24,

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] met producties a tot en met c.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 21 september 2011 heeft de rechtbank de heer [naam desk.] tot deskundige benoemd en hem een aantal vragen ter beantwoording voorgelegd. De rechtbank zal aan de hand van de inhoud van het deskundigenrapport eerst de schadeposten bespreken zoals die daarin zijn opgenomen.

[eisers 1] . heeft zijn vordering meerdere malen vermeerderd en gewijzigd. In zijn laatste conclusie heeft hij de verschillende delen van zijn vordering zoals die ter beoordeling voorligt, samengevat. Aan de hand daarvan zullen vervolgens de posten worden besproken die niet ter beoordeling aan de deskundige waren voorgelegd.

De fictieve herbouwkosten

2.2.

De deskundige berekent de herbouwkosten van de afgebrande woning op een bedrag van € 349.431,--. [eisers 1] . is het met dit oordeel van de deskundige eens. Hij heeft immers in zijn eiswijziging dit bedrag als deel van zijn vordering opgenomen.

2.3.

[gedaagde] stelt bij conclusie na deskundigenbericht dat de deskundige een rekenfout heeft gemaakt, bij de toepassing van de toeslagen op de m3-prijzen voor een vrijstaande woning. Volgens de berekening van de deskundige zou een vrijstaande woning 40 % duurder zijn dan het gemiddelde. De deskundige heeft zulks in zijn rapport onder 11.9 nader toegelicht.

2.4.

Naar het oordeel van de rechtbank merkt [gedaagde] in de conclusie na deskundigenbericht terecht op dat de deskundige een rekenfout heeft gemaakt. De toeslag dient te worden gesteld op 38 % in plaats van 40 %.

In de rekenopstelling van [gedaagde] wordt bij de optelling van dit percentage eveneens een rekenfout gemaakt. Het normbedrag komt dan op € 443,39 in plaats van € 433,39. Voorts neemt [gedaagde] in haar berekening niet de toeslag voor het rieten dak op. Daarmede rekening houdend berekent de rechtbank de fictieve herbouwkosten op een bedrag van € 344.593,--.

De bijkomende kosten

2.5.

De deskundige berekent de bijkomende staartkosten en overige kosten voor de fictieve herbouw van de afgebrande woning op een totaal bedrag van € 96.040,--. Het betreft hier: de architectkosten, de constructeurkosten, kosten van andere adviseurs, aansluitkosten voor gas, water en electra, legeskosten en een post “overige kosten” ter hoogte van
€ 54.872,---. Laatstgenoemde kostenpost betreft glasvezel en tex-/latexwerk, vloer- en plafondafwerking, sloop- en opruimingskosten, werkzaamheden aan het erf en bouwrente.

2.6.

[eisers 1] . is het met dit oordeel van de deskundige eens. Hij heeft immers in zijn eiswijziging dit bedrag als deel van zijn vordering opgenomen.

2.7.

[gedaagde] betwist de post “overige kosten” met uitzondering van een bedrag van € 7.140,-- als vergoeding voor bestrating, tuinaanleg etc. De overige kosten zitten reeds in het normbedrag dat dient ter berekening van de bouwkosten, aldus [gedaagde] . Ter onderbouwing legt zij een richtlijn berekening bouwkosten als grondslag voor de bouwleges van de gemeente Rotterdam over. De richtlijn sluit, aldus [gedaagde] , aan bij de CBS-cijfers die op hun beurt zijn ontleend aan de STABU-besteksmethodiek.

2.8.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] dit punt reeds aan de deskundige heeft voorgelegd, zulks nadat zij het concept rapport van de deskundige had ontvangen. De deskundige heeft in zijn reactie daarop expliciet aangegeven dat de staartkosten niet in de bouwkosten per m3 van het CBS zijn meegenomen. Gelet hierop is het overleggen van een richtlijn waarvan niet onderbouwd gesteld is dat deze aansluit bij de CBS-cijfers een onvoldoende gemotiveerde betwisting van het standpunt van de deskundige. De rechtbank verwerpt om deze reden het standpunt van [gedaagde] en stelt de door de deskundige berekende bijkomende kosten vast op een bedrag van € 79.939,--. In dit bedrag is de, door de deskundige vermelde post “bouwrente” ter hoogte van € 16.101,-- niet meegenomen. De rechtbank zal deze post betrekken in de beoordeling van de gevorderde wettelijke handelsrente.

2.9.

Concluderend berekent de rechtbank de fictieve bouwkosten inclusief de bijkomende kosten op een bedrag van € 424.532,--, zijnde € 344.593,-- vermeerderd met
€ 79.939,--.

De waardevermindering

2.10.

[gedaagde] heeft voorafgaande aan het deskundigenbericht een beroep gedaan op voordeelsverrekening, stellende dat als de nieuwe woning van [eisers 1] . (aanzienlijk) meer waard is dan zijn vorige woning, het voordeel dient te worden verrekend. Zo is [eisers 1] . eigenaar geworden van een nieuwe woning met elementen die een langere levensduur hebben dan de elementen van de afgebrande woning. Voorts is de nieuwe woning op een gunstigere locatie gebouwd dan de afgebrande woning.

2.11.

De deskundige heeft de woning voor de brand getaxeerd op € 240.000,--. De nieuw gebouwde woning is op dezelfde datum, november 2009, (fictief) getaxeerd op € 280.000,--. Tevens is aangegeven dat de gunstigere locatie tot een waardevermeerdering van € 5.000,-- heeft geleid. Voorts geeft de deskundige naar aanleiding van opmerkingen van [gedaagde] op het concept rapport aan dat er rekenschap moet worden gehouden met het feit dat bij herbouw moet worden voldaan aan de eisen van het alsdan geldende bouwbesluit. Dit is een verplichting waaruit geen voordeel kan worden gedestilleerd, aldus de deskundige.

2.12.

[gedaagde] stelt dat de benadering op basis van herbouwkosten niet de juiste is omdat in dit geval niet is herbouwd. Er dient te worden aangesloten bij de vaststelling van de vermogensachteruitgang, welke achteruitgang kan worden gesteld op de taxatiewaarde van de woning voor de brand, namelijk € 240.000,--. Dat de vermogensachteruitgang veel groter is geweest, is het gevolg van de keuze die [eisers 1] . heeft gemaakt om op een andere plek een grotere woning te bouwen.

2.13.

In het tussenvonnis van de rechtbank van 20 oktober 2010 heeft de rechtbank reeds beslist dat voor het bepalen van de omvang van de schade het herstel in de oude toestand als uitgangspunt moet worden gehanteerd. Dit is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie. De Hoge Raad heeft in het arrest van 7 mei 2004, LJN: AO2786, bepaald dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin de waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid. Als het gaat om de onrechtmatige beschadiging van een onroerende zaak, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de eigenaar daarvan aanspraak erop heeft in de gelegenheid te worden gesteld tot herstel.

In de onderhavige zaak gaat het om een afgebrand woonhuis. Herbouw is, naar het oordeel van de rechtbank, verantwoord en van de getroffen eigenaren kan in redelijkheid niet worden verlangd dat [eisers 1] . genoegen neemt met een vergoeding van de getaxeerde waarde van de woning, kort voor de brand. Het enkele feit dat de nieuwe woning elders op het perceel is gesitueerd (mede om te voldoen aan regels gesteld door het Waterschap) en dat die woning qua oppervlakte en indeling niet vergelijkbaar is met de afgebrande woning (mede op grond van de regels van het vigerende Bouwbesluit) doet hieraan niet af. Zulks geldt temeer nu de extra kosten die hiermede gepaard zijn gegaan, niet in de schadevordering zijn opgenomen. Feit is wel dat de kosten die zijn begroot voor de bouw van de afgebrande woning, ook daadwerkelijk door [eisers 1] . zijn gemaakt, zij het voor de bouw van een grotere woning.

De rechtbank verwerpt om deze redenen de stelling van [gedaagde] dat de schade dient te worden bepaald op de getaxeerde waarde van de woning voorafgaande aan de brand.

2.14.

[gedaagde] heeft haar beroep op voordeelsverrekening in haar conclusie na deskundigenbericht niet nader onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn om tot voordeelsverrekening over te gaan. Het moet immers gaan om voordeel dat daadwerkelijk wordt genoten. In dat kader heeft de deskundige vastgesteld dat er juist sprake is van een vermogensafname van € 245.771,--. Het beroep op voordeelsverrekening wordt derhalve afgewezen.

2.15.

De rechtbank oordeelt derhalve dat de omvang van de schade ter zake het afbranden van de woning kan worden vastgesteld op een bedrag van € 424.532,--. De vordering is voor dit onderdeel derhalve tot dat bedrag toewijsbaar.

De vervangende woonkosten

2.16.

Als slotvraag is aan de deskundige gevraagd of er nog opmerkingen zijn te plaatsen die voor de rechtbank van belang zijn voor de te nemen beslissing.

De deskundige geeft in dat kader aan het redelijk te achten om een toeslag te rekenen voor uitgaven die niet in de herbouwkosten zijn opgenomen, namelijk voor het huren van een woning ter hoogte van € 1.000,-- per maand gedurende een periode van 24 maanden. Voorts zou een vergoeding van € 10.000,-- voor geleden ongemak op zijn plaats zijn, aldus de deskundige. Hij berekent deze schadepost op een totaal bedrag van € 34.000,--.

[eisers 1] . neemt deze bedragen op in zijn gewijzigde eis.

2.17.

[gedaagde] heeft bij conclusie na deskundigenbericht aangegeven dat deze schadepost niet ter beoordeling voorligt aan de deskundige en dat het bedrag van
€ 10.000,-- geen enkele relevante onderbouwing kent.

2.18.

De rechtbank deelt het oordeel van [gedaagde] dat voormelde posten niet ter beoordeling aan de deskundige zijn voorgelegd en dat het niet aan de deskundige is om hierover te oordelen. De rechtbank zal op basis van de door partijen in de procedure ingenomen stellingen en overgelegde producties deze posten beoordelen.

2.19.

[eisers 1] . heeft de schadepost vervangende woonruimte toegelicht bij conclusie van 1 december 2010. Het betreft de huur voor een periode van 2 jaren. De huurnota is als productie bij deze conclusie gevoegd.

[gedaagde] heeft bij antwoordconclusie hierop aangegeven dat niet wordt uitgesloten dat [eisers 1] . geen huur voor de woning verschuldigd is geweest omdat de verhuurder, de heer [naam] , mogelijk familie is. De post komt pas voor vergoeding in aanmerking als een betaalbewijs wordt overgelegd. Voorts stelt [gedaagde] dat vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van besparing nu andere kosten zoals hypotheekkosten en energiekosten niet zijn gemaakt.

2.20.

De rechtbank stelt vast dat niet betwist wordt dat [eisers 1] . gedurende twee jaren vervangende woonruimte nodig heeft gehad en dat de daarmee gepaard gaande kosten, qua hoogte, redelijk zijn. [gedaagde] eist een betaalbewijs. De rechtbank acht dit voor toewijzing van de vordering niet noodzakelijk. De verschuldigdheid van het bedrag is met het overleggen van de factuur voldoende komen vast te staan en de rechtbank wijst dit deel van de vordering toe.

Het beroep op voordeelsverrekening wordt afgewezen nu onvoldoende concreet is gesteld dat enig voordeel is ontstaan.

2.21.

De rechtbank wijst de post van € 10.000,-- als vergoeding voor geleden ongemak af. Deze post is niet eerder door [eisers 1] . opgevoerd en [eisers 1] . heeft daarvoor ook geen onderbouwing gegeven anders dan dat het zoveel dingen omvat, zoals verlies aan sieraden, belangrijke papieren, foto’s. [eisers 1] . noemt in dit kader ook immateriële schade. Daarmede is niet komen vast te staan dat er een grond, zoals genoemd in artikel 6:106 BW, aanwezig is om tot vaststelling van immateriële schade te kunnen komen. De rechtbank wijst dit deel van de vordering af.

Herbouwkosten schuur

2.22.

[eisers 1] . heeft een vergoeding gevorderd voor de gemaakte kosten voor sloop en herbouw van een schuurgedeelte. Dit was nodig omdat de woning op een andere plaats op het perceel moest worden herbouwd, aldus [eisers 1] . De vordering omvat een bedrag van € 6.000,--.

2.23.

[gedaagde] heeft betwist dat het schuurgedeelte zou moeten worden afgebroken. Voorts doet zij een beroep op voordeelsverrekening nu een geheel nieuwe schuur is gebouwd.

2.24.

[eisers 1] . heeft deze post als opmerking op het concept van de deskundige ter sprake gebracht. De deskundige heeft deze post niet meegenomen, stellende dat de schuur niet had behoeven te worden afgebroken als de nieuwe woning geplaatst was gelijk aan de rechterzijgevel van de afgebrande woning en de nieuwe woning dezelfde breedte zou hebben als de oude. De deskundige verwijst naar de tekening van de architect van 30 mei 2008 (zijnde, naar het oordeel van de rechtbank, productie 9 bij conclusie van 1 december 2010 waarbij de tekening is gedateerd op 26 mei 2008).

Vervolgens geeft [eisers 1] . aan dat er alsdan te weinig werkruimte zou bestaan om de nieuwe woning te kunnen bouwen.

2.25.

De rechtbank oordeelt dat [eisers 1] ., na het commentaar van de deskundige, zijn stelling dat het schuurgedeelte noodzakelijkerwijs moest worden afgebroken omdat aldaar de nieuwe woning moest worden gesitueerd, onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. De stelling dat het gedeelte moest worden afgebroken om werkruimte te creëren is, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin voldoende gemotiveerd. Weliswaar stelt de architect dat voor een werkruimte gerekend wordt met 2,5 meter doch gesteld noch gebleken is welke de minimale afstand zou moeten zijn. Bovendien is de omvang van de kosten die gemoeid is met deze post niet komen vast te staan. Er wordt slechts gesproken over een begroting. De rechtbank wijst om deze redenen voormelde post als onvoldoende onderbouwd af.

Bedrijfsschade/omzetschade/inkomstenderving

2.26.

[eisers 1] . vordert een bedrag van € 19.200,-- als vergoeding voor de schade geleden tengevolge van het feit dat door de brand zijn witlofkwekerij 8 weken stil heeft gelegen. Daardoor heeft hij 24.000 kilo witlof niet kunnen aanleveren. Hij stelt de prijs per kilogram witlof op € 0,80.

2.27.

[gedaagde] stelt dat [eisers 1] . uit hoofde van zijn schadebeperkingsverplichting een uitzendkracht o.i.d. had moeten inschakelen. Voorts wijst zij erop dat bij de berekening van de schadepost geen rekening is gehouden met het besparen van kosten, zoals daar zijn energiekosten en arbeidskosten.

2.28.

Bij conclusie van 25 mei 2011 heeft [eisers 1] . aangegeven dat hij geen personeel in dienst heeft. Hij betwist voorts dat hij enige schadebeperkingsverplichting niet is nagekomen. Gedurende een periode van twee maanden te rekenen vanaf de dag van de brand heeft hij niet kunnen stekken, hetgeen de schadepost verklaart. Van hem kan niet worden verlangd dat hij, gelet op het feit dat hij na de brand ander onderkomen moest zoeken, alles moest verhuizen, moest opruimen en slopen, enige maatregel had moeten nemen. Bovendien was hij financieel niet in staat om een uitzendkracht in te schakelen.

[eisers 1] . legt voorts de winst- en verliesrekening over van 2006 en 2007. De opbrengsten worden gedurende 11 maanden per jaar genoten zodat de gemiddelde opbrengst per maand neerkomt op een bedrag van € 8.500,--. Voorts zijn er extra koelkosten om de stekken te kunnen bewaren. Deze worden door [eisers 1] . berekend op een bedrag van € 940,20. Tot slot is er ook schade omdat de stekken minder van kwaliteit zijn na een langere periode van koeling. Dit verklaart het verschil met het gevorderde totaalbedrag.

2.29.

[gedaagde] stelt dat het niet zo kan zijn dat [eisers 1] . een vergoeding voor het opruim- en sloopwerk toekomt én een vergoeding voor het verlies van inkomsten. [eisers 1] . zou dan dubbel beloond worden. Zij persisteert bij haar beroep op schadebeperking en stelt dat de financiële onmogelijkheid om een uitzendkracht in te schakelen voor rekening en risico van [eisers 1] . dient te blijven. De extra koelkosten worden betwist.

2.30.

Bij conclusie na deskundigenbericht herhaalt [eisers 1] . de feitelijke grondslag van de onderhavige vordering en onderbouwt zijn betwisting ten aanzien van de schadebeperkingsverplichting.

2.31.

In haar laatste conclusie geeft [gedaagde] aan zich ten aanzien van de onderhavige schadepost te refereren aan het oordeel van de rechtbank, zulks op het moment dat de rechtbank van oordeel is dat er voldoende causaal verband aanwezig is om deze schadepost als gevolg van het op het vuur laten staan van pannen te kunnen duiden.

2.32.

De rechtbank stelt vast dat door de onrechtmatige daad van [gedaagde] de woning van [eisers 1] . is afgebrand. Dit raakt in beginsel niet het werk van [eisers 1] . als zelfstandig ondernemer. Zijn onderbouwing is dat hij geen tijd had om zijn werkzaamheden als ondernemer uit te voeren omdat hij door de brand genoodzaakt was om ander werk, zijnde met name sloopwerk, te verrichten.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door [eisers 1] . ingenomen stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd om daarmede het noodzakelijke verband tussen de onrechtmatige gedraging en 2 maanden inkomstenderving te kunnen vaststellen. Zo heeft [eisers 1] . niet aangegeven op welke wijze en aan welke taken hij de gestelde twee maanden heeft besteed. Hij noemt expliciet het verrichten van sloop- en opruimingswerk als onderdeel van de tijdsbesteding. Tussen partijen staat vast dat [eisers 1] . van zijn brandverzekeraar als vergoeding voor dit werk dat hij “in eigen beheer” heeft uitgevoerd, een bedrag heeft ontvangen ter hoogte van € 9.520,--. Dit bedrag heeft de deskundige als zodanig ook opgenomen in zijn berekening van de “overige kosten”. [eisers 1] . is niet ingegaan op de stelling van [gedaagde] dat hij niet én een vergoeding voor sloopwerk én een vergoeding voor inkomstenderving kan ontvangen.

Nu deze stelling onvoldoende is weerlegd en de vordering ook overigens onvoldoende is onderbouwd, oordeelt de rechtbank dat dit deel van de vordering dient te worden afgewezen.

De rentepost

2.33.

[eisers 1] . vordert een bedrag van € 52.971,--, zijnde de renteschade per 31 december 2012. Deze post zou toewijsbaar moeten zijn, in het geval de handelsrente niet zou worden toegewezen, aldus [eisers 1] .

2.34.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers 1] . geen aanspraak kan maken op handelsrente, nu hier geen sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De gevorderde rente is in die zin toewijsbaar dat [eisers 1] . in beginsel vanaf de datum waarop de schade door de onrechtmatige daad van [gedaagde] is ontstaan, recht heeft op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Voor zover hij meer rente vordert omdat hij tussentijds leningen heeft moeten aangaan, is deze niet toewijsbaar. De hoogte van de schade, geleden tengevolge van de vertraging in de betaling van een geldsom, wordt fictief vastgesteld op de wettelijke rente. De rechtbank volgt in deze het verweer van [gedaagde] .

2.35.

De apart ondergebrachte vordering ter zake gemaakte notariskosten teneinde een lening te sluiten, wordt om bovenstaande reden eveneens afgewezen.

De inboedelschade

2.36.

[eisers 1] . vordert een bedrag van € 95.580,-- als vergoeding voor het verlies van de inboedelgoederen. Ter onderbouwing legt hij een matrix over die zijn verzekeringsadviseur heeft gemaakt en waarbij volgens een puntensysteem de waarde van de verloren gegane inboedel is vastgesteld op voormeld bedrag. Dit bedrag is, aldus [eisers 1] ., ook redelijk wanneer de inboedelschade van [gedaagde] , die maar een derde gedeelte van de afgebrande woning bewoonde met een derde gedeelte van het aantal bewoners, een uitkering voor deze schade heeft ontvangen van bijna € 70.000,--.

2.37.

[gedaagde] stelt dat met een dergelijke algemene onderbouwing van de schade geen genoegen kan worden genomen. Zij verlangt concreet bewijs van schade en wijst erop dat de dagwaarde vergoed dient te worden. Een schatting is evenmin op basis van de nu verstrekte gegevens onmogelijk. Er is geen enkel concreet aanknopingspunt zodat een controleerbare en aanvaardbare beslissing niet te nemen is.

2.38.

Op grond van artikel 6:97 BW kan de rechter de schade op een wijze begroten die het meest in overeenstemming is met de aard ervan. Als de omvang niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan moet zij worden geschat.

De vordering van [eisers 1] . is gebaseerd op een abstracte schadeberekening. Naar het oordeel van de rechtbank is deze wijze van berekening het meest in overeenstemming met de aard van de schade. Tengevolge van de brand is immers de volledige inboedel verbrand maar ook eventueel onderliggende bewijsstukken van inboedelgoederen. De rechtbank acht het redelijk om in deze situatie aansluiting te zoeken bij hetgeen in de verzekeringsbranche gebruikelijk is ter vaststelling van de waarde van de inboedel. Uit de overgelegde en ingevulde matrix blijkt dat alle aanvullende vragen ontkennend door [eisers 1] . zijn beantwoord. Deze vragen zien op de aanwezigheid van dure inboedelgoederen. Deze waren er kennelijk niet. Daaruit volgt dat het hier, qua waarde, een gemiddelde inboedel betreft. Door [gedaagde] is niet gesteld dat de samenstelling van inboedel van [eisers 1] . anders zou zijn dan de gemiddelde inboedel van eigenaren in vergelijkbare leefomstandigheden.

De rechtbank gaat er, gelet op de hoogte van de uitkomst en het feit dat het een meetinstrument van inboedelverzekeraars is, vanuit dat de matrix de nieuwwaarde van de inboedelgoederen weergeeft. Nu gesteld noch gebleken is dat de inboedel of een groot deel ervan nieuw was, zal de rechtbank een zogenaamde “nieuw voor oud aftrek” in acht nemen en wijst de vordering tot een bedrag van € 38.232,00, zijnde 40 %, toe.

Deskundigenkosten

2.39.

[eisers 1] . vordert een bedrag van € 4.926,60 aan gemaakte deskundigenkosten. Deze kosten zien op inschakeling van makelaar [naam] en aannemer [naam] . Kopieën van de facturen zijn in het geding gebracht. [eisers 1] . stelt dat de deskundigen zijn ingeschakeld teneinde de hoogte van de vordering te kunnen vaststellen.

2.40.

[gedaagde] stelt dat de kosten voor inschakeling van deskundigen niet op haar kunnen worden verhaald nu de inschakeling van deze deskundigen niet noodzakelijk was. [eisers 1] . wist dat een procedure ter vaststelling van de aansprakelijkheid moest worden gevoerd zodat de vaststelling van de concrete schade op dat moment nog niet nodig was. Bovendien zou de rechtbank toch zelf deskundigen dienen te benoemen.

2.41.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op grond van artikel 6:96 BW dienen onder de vermogensschade mede de redelijke kosten ter vaststelling van de schade te worden begrepen. Niet (voldoende) betwist is dat het hier kosten ter vaststelling betreft. Dat de aansprakelijkheid nog niet in rechte was komen vast te staan, maakt niet dat deze kosten niet onder de wettelijke bepaling vallen. Het staat [eisers 1] . vrij om, voorafgaande aan de procedure, de hoogte van zijn vordering te laten vaststellen door deskundigen. Bovendien is het aan [eisers 1] . om in rechte zijn vordering, wetende dat die betwist zou worden, nader te onderbouwen. Dit deel van de vordering is derhalve toewijsbaar.

De toewijsbare schadeposten

2.42.

Samenvattend zal de rechtbank de volgende vorderingen toewijzen:

- de fictieve herbouwkosten inclusief bijkomende kosten € 424.532,00

- de vervangende woonkosten € 24.000,00

- de waarde van de inboedel € 38.232,00

- de kosten deskundigen € 4.926,60

Totaal € 491.690,60

Deze hoofdsom dient te worden verminderd met hetgeen aan vergoeding van de brandverzekeraar is ontvangen, zijnde € 143.838,-- (€ 133.920,-- en € 9.918,--). De hoofdsom komt dan neer op een bedrag van € 348.250,60,--. Laatstgenoemd bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van het ontstaan van iedere schadepost tot de datum van betaling. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de gedeeltelijke betaling ter hoogte van € 143.838,-- waarvan in rechte niet is komen vast te staan wanneer deze feitelijk door [eisers 1] . is ontvangen.

De proceskosten

2.43.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. De kosten worden, inclusief de voorlopige getuigenverhoren, als volgt begroot:

- dagvaarding € 87,93

- betaald griffierecht 119,00

- in debet gesteld griffierecht 4.832,00

- betaalde getuigenkosten 680,00

- betaalde deskundigen 18.100,00

- salaris advocaat € 12.900,00 (5 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 36.718,93

Omdat [eisers 1] . met een toevoeging procedeert, zal, met uitzondering van de bedragen die in bovenstaande specificatie als betaald zijn aangeduid, daarmede aangevende dat deze door [eisers 1] . zijn betaald, het bedrag aan de griffier moeten worden betaald.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de brand van 28 november 2007,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers 1] . te betalen een bedrag van € 491.690,60, te verminderen met een bedrag van € 143.838,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hoofdsom van
€ 491.690,60 vanaf de datum van ontstaan van ieder onderdeel van de vordering en rekening houdend met de ontvangst van eerdergenoemd bedrag van € 143.838,00 tot aan de dag der betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers 1] . tot op heden begroot op € 36.718,93, waarvan € 17.819,93 te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.564 ten name van ten name van MvJ 535 te Breda onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer, en het overige rechtstreeks aan [eisers 1] . te voldoen,

3.4.

bepaalt dat in het geval de toevoeging mocht worden ingetrokken betaling van alle voormelde proceskosten rechtstreeks dient plaats te vinden aan [eisers 1] .

3.5.

verklaart het vonnis tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de uitgesproken verklaring voor recht,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2012.