Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BW0284

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
10/3326
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een ketting ontwikkeld voor toepassing in auto’s. Hij verkoopt zijn know how aan een Japans bedrijf. Belanghebbende laat het contract sluiten door een trust. In geschil is of door het Japanse bedrijf betaalde royalty’s bij belanghebbende belastbaar zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat van meet af aan sprake is geweest van een bron van inkomen. De inkomsten zijn belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden. Niet aannemelijk is dat belanghebbende zijn kennis heeft overgedragen aan de trust. De trust had de functie van kassier ten behoeve van belanghebbende. De afspraak omtrent uitbetaling van de royalty’s aan de trust is een vorm van inkomensbesteding, die aan de belastbaarheid bij belanghebbende zelf niet afdoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/32.2.1 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2012/1383
FutD 2012-1523 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/3326

Uitspraakdatum: 21 december 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer]H37) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.994.534 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 818.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 juli 2010 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 9 augustus 2010, ontvangen bij de rechtbank op 11 augustus 2010, beroep ingesteld. Daarbij is door de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden,

[gemachtigden], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Utrecht en ter bijstand vergezeld van [gemachtigde], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.7. Tijdens de zitting is ir. [getuige], wonende te [plaats X], als getuige gehoord. De gemachtigden van belanghebbende hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een verklaring voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde dag als deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is in 1976 afgestudeerd als ingenieur. Tot en met het jaar 1992 heeft hij in dienstbetrekking gewerkt aan de ontwikkeling van een [product] (hierna: [product]). Na beëindiging van zijn dienstbetrekking is belanghebbende, met toestemming van zijn voormalige werkgever, verder gegaan met de ontwikkeling van de [product]. In dat kader heeft belanghebbende [BV 1] (hierna: [BV 1]) opgericht, in welke vennootschap hij 100% van de aandelen houdt. Die vennootschap hield op haar beurt 50% van de aandelen in [BV 2] (hierna: [BV 2]). Een ex-collega van belanghebbende participeerde tot 3 november 2003 voor de andere 50% in [BV 2]. Vanaf 3 november 2003 houdt [BV 1] alle aandelen [BV 2]. In 1995 is octrooi aangevraagd voor (een nieuwe versie van) de [product].

2.2. In 2001 heeft het in Japan gevestigde [Ltd 1]. (hierna: [Ltd 1]) interesse getoond in de (verdere ontwikkeling van) de [product]. In april/mei 2002 is een “Memorandum regarding Evaluation” getekend door [BV 2] en [Ltd 1]. Hierin geeft [Ltd 1] te kennen belangstelling te hebben voor de patenten en know how ter zake van de [product] en is een evaluatieperiode overeengekomen met als doel het bestuderen van de mogelijkheid om in de toekomst een technische, productie- en licentieovereenkomst te sluiten.

2.3. De evaluatieperiode is voorspoedig verlopen en eind 2002 is een eerste concept licentieovereenkomst besproken. Blijkens notulen van de vergaderingen van 29 en 31 januari 2003 hebben [Ltd 1] en belanghebbende c.q. [BV 2] ingestemd met de conceptlicentieovereenkomst. In een faxbericht van 9 juli 2003 heeft belanghebbende aan zijn Japanse gemachtigde, [Japanse gemachtigde] (hierna: [Japanse gemachtigde]) laten weten dat hij voornemens is de conceptovereenkomst te splitsen in twee contracten. Hij schreef hierover onder meer het volgende (hierna volgt steeds de door een beëdigde tolk opgestelde Nederlandse vertaling):

“Naderhand heb ik voorgesteld om het contract op te splitsen in twee afzonderlijke contracten, één met de naam Licentieovereenkomst en een ander met de naam Kennisovereenkomst. Dit was na uw suggestie om een betere structuur te bedenken, om minder belastingen te betalen.

(…)

De aard van het contract is als volgt:

1. Een Licentieovereenkomst met [BV 2].

Deze overeenkomst geeft [Ltd 1] het exclusieve wereldwijde recht op productie van [product]. (…)

2. Een Kennisovereenkomst met mij persoonlijk (via de [trustmaatschappij]). Door dit contract krijgt [Ltd 1] al mijn Kennis over [product]. (…) De betaling voor dit contract is veel hoger dan voor de Licentieovereenkomst (…). Dit is vanwege de belasting. Het Kenniscontract wordt gesloten met [trustmaatschappij], een persoonlijke trustmaatschappij in Zwitserland, waar het belastingtarief veel lager is dan in Nederland. Na ondertekening van de Kennisovereenkomst wil ik mijn werk voortzetten. Dit is in het belang van beide partijen. (…) Dit is ook de reden waarom ik meer mensen wil betrekken bij mijn werk: jonge ingenieurs, zowel Nederlandse als Japanse. Nu mogen beide contracten niet naar elkaar verwijzen, om wettelijke en belastingtechnische redenen. De onderwerpen “Licentie” en “Kennis” moeten volledig apart worden behandeld. Daarom vindt u in mijn conceptovereenkomsten de woorden “[BV 2]” en “de patenten van [BV 2]” niet terug in de Kennisovereenkomst en het woord “Kennis” niet in de Licentieovereenkomst. [Ltd 1] heeft beide contracten nodig: het ene voor het exclusieve recht en het andere voor de kennis. (…)”

2.4. In een faxbericht van 19 augustus 2003 heeft belanghebbende aan [Japanse gemachtigde] voorts geschreven:

“(…) Ik heb u zojuist per e-mail nieuwe concepten voor de twee overeenkomsten gestuurd. Let u alstublieft op een wijziging in de Kennis-Licentie-overeenkomst. U ziet nu dat er een nieuwe beheersmaatschappij voor de [trustmaatschappij] is, genaamd [Ltd 2]. Het bedrijf [Ltd 2] is voor 100% een dochtermaatschappij van [BV 3] in Zwitserland en gevestigd op de Britse Maagdeneilanden. Formeel zal [Vice-President] (Vice-president van [BV 3]) mijn Trustmaatschappij beheren. Ik zal de Kennis-Licentie-overeenkomst tekenen als “gemachtigde ondertekenaar”, met een machtiging van [Vice-president]. Er bestaat echter een overeenkomst tussen mij (als Ir. [belanghebbende]) en [Ltd 2]. die stelt dat [Vice-president] alleen kan optreden conform mijn wensen. Voor [Ltd 1] betekent dit dat ik de enige beslisser ben in [trustmaatschappij] en [Ltd 1] alleen zaken met mij doet. De structuur komt misschien wat gecompliceerd over, maar deze structuur is nodig om op een legale manier de belastingbetalingen te beperken. Het is voor mij de eerste keer dat ik dit soort zaken doe en ik ben geen specialist, maar [BV 3] heeft me verzekerd dat dit een gebruikelijke manier is om bedrijven te structureren, die ook gebruikt wordt door grote bedrijven zoals Microsoft. Ik heb in het afgelopen voorjaar [BV 3] in Zwitserland bezocht en heb volledig vertrouwen in dit solide Zwitserse bedrijf. (…)”

2.5. Op 8 september 2003 zijn de volgende twee overeenkomsten gesloten:

2.5.1. Een “Patent license Agreement” tussen [BV 2] en [Ltd 1]. [BV 2] verleende in deze overeenkomst aan [Ltd 1] het exclusieve recht en de licentie om de patenten te gebruiken om de [product] te maken, gebruiken en te verkopen. [Ltd 1] zou hiervoor een bedrag betalen van € 500.000 en een percentage per verkochte [product].

2.5.2. Een “Know-How License agreement” (hierna: de know how overeenkomst) tussen [trustmaatschappij] (hierna: [trustmaatschappij]) en [Ltd 1]. [trustmaatschappij] is volgens deze overeenkomst “een wettige entiteit voor het afhandelen van financiële, commerciële en industrieel eigendom belangen van de Heer Ir. [belanghebbende], een trust die wordt beheerd door [Ltd 2]., een bedrijf dat is gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en dat haar administratiekantoor heeft op de [adres], Zwitserland”. De know how overeenkomst is namens belanghebbende en [trustmaatschappij] ondertekend door belanghebbende. In de know how overeenkomst is onder meer bepaald:

“Overwegende, dat Ir. [belanghebbende] waardevolle en technische kennis bezit betreffende [product] en [product A] verkregen door 27 jaar ervaring in het ontwikkelen van [product], door persoonlijke studie en door het kennen van vooraanstaande personen op dit terrein verkregen in eigen tijd en op eigen kosten en deze Technische Kennis via bemiddeling door [trustmaatschappij] wenst te gebruiken en exploiteren op de wereldmarkt voor auto-onderdelen; en

(…)

Overwegende, dat [Ltd 1] van [trustmaatschappij] wenst te verkrijgen, en [trustmaatschappij] bereid is om aan [Ltd 1] te verschaffen, het exclusieve recht om de technische kennis van de Heer Ir. [belanghebbende] te gebruiken ten behoeve van de productie, het gebruik en de verkoop van bepaalde [product] over de hele wereld.”

Ingevolge artikel 4.1 van de know how overeenkomst zou [Ltd 1] aan [trustmaatschappij] onder de hierna genoemde voorwaarden de navolgende bedragen betalen:

(a) € 1.500.000 binnen 14 dagen na de ingangsdatum van de overeenkomst, of uiterlijk op 30 september 2003;

(b) € 1.300.000 binnen één maand na aanvang van de overdracht van de technische kennis, maar in ieder geval niet later dan 29 februari 2004;

(c) € 3.300.000 binnen één maand nadat [Ltd 1] van een klant een intentieverklaring heeft ontvangen om de [product] te bestellen;

(d) € 3.400.000 binnen één maand nadat [Ltd 1] heeft besloten om de eerste klantorder voor de [product] te accepteren. In artikel 4.3 van de know how overeenkomst is voorts bepaald dat [Ltd 1] een percentage per verkochte [product] aan [trustmaatschappij] betaalt.

2.6. Op of omstreeks 30 september 2003 heeft [trustmaatschappij] € 1.350.000 ontvangen: het onder (a) genoemde bedrag onder aftrek van 10% bronbelasting Op of omstreeks 31 maart 2004 heeft [trustmaatschappij] € 1.170.000 ontvangen: het onder (b) genoemde bedrag onder aftrek van 10% bronbelasting.

2.7. Op 16 januari 2007 hebben belanghebbende, [trustmaatschappij] en [BV 2] een aanvullende overeenkomst op de know how overeenkomst gesloten. In die aanvulling is bepaald dat de rechten en plichten van [trustmaatschappij] en belanghebbende zijn overgedragen aan [BV 2]. Deze aanvulling is ondertekend door belanghebbende en [Ltd 1]. Als tegenprestatie voor de overdracht heeft belanghebbende reeds bij overeenkomst van 2 januari 2006 een levenslang winstrecht bedongen voor zichzelf en zijn echtgenote. Deze overeenkomst is ondertekend door belanghebbende en [BV 2]. In deze overeenkomst staat ook dat belanghebbende de royalty’s die voortvloeien uit de know how overeenkomst voor een zeer aanzienlijk deel wenst te bestemmen voor een in oprichting zijnde stichting, die zich ten doel stelt om onderzoek te doen naar technieken die de mobiliteit van personen en goederen op milieuvriendelijke wijze bevorderen. Betaling van de hiervoor onder 2.5.2 bij (c) en (d) genoemde bedragen (na aftrek van bronbelasting) heeft plaatsgevonden in respectievelijk februari 2007 en april 2008 aan [BV 2].

2.8. Op 15 maart 2007 heeft de FIOD-ECD een verzoek om informatie ontvangen van de Japanse belastingdienst, waarin onder meer melding wordt gemaakt van de hiervoor onder 2.4.1 en 2.4.2 genoemde overeenkomsten en de daaruit voortvloeiende betalingen. Naar aanleiding van dit verzoek en het verzoek van de adviseur van belanghebbende, [gemachtigde], om vooroverleg ter zake van de stichtingsstructuur, is op 8 mei 2007 een bespreking gevolgd. Naar aanleiding van die bespreking heeft belanghebbende op 25 mei 2007 enkele stukken aan de inspecteur verstrekt. Bij brief van 8 juni 2007 heeft de inspecteur om aanvullende informatie verzocht en gevraagd of [trustmaatschappij] een trust of een vennootschap is. De adviseur van belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 20 juli 2007.

2.9. In het kader van het opzetten van de stichtingstructuur is door [BV 4] (hierna: [BV 4]) een op 28 november 2007 gedagtekend rapport opgesteld over de waardering van [BV 2]. In dit rapport is de waarde van [BV 2] per 31 december 2007 bepaald op (maximaal) € 11.938.000 bij een optimistisch scenario.

2.10. In 2008 is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar belanghebbende. Hiervan is een eindproces-verbaal opgemaakt op 11 mei 2009.

2.11. Bij brief van 25 augustus 2008 heeft de inspecteur de in geschil zijnde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen aangekondigd. Ter behoud van rechten heeft de inspecteur tevens medegedeeld dat hij voornemens was een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2003 op te leggen aan [BV 2] Voor beide aanslagen heeft de inspecteur aansluiting gezocht bij de onder 2.7 genoemde waardering van [BV 4]. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende is in de in geschil zijnde navorderingsaanslag verhoogd met € 11.938.000 tot een bedrag van € 11.994.534.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de royalty’s die voortvloeien uit de know how overeenkomst tussen [Ltd 1] en [trustmaatschappij] bij belanghebbende in de heffing moeten worden betrokken als resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt dat de royalty’s niet bij belanghebbende belast zijn. Mochten de inkomsten bij belanghebbende wel belast zijn, dan stelt belanghebbende dat de inkomsten in 2003 maximaal € 1.350.000 bedroegen. De inspecteur beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend en stelt dat de aanslag die is gebaseerd op een correctie van € 11.938.000 dient te worden gehandhaafd. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag.

3.4. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil de zakelijkheid van de verdeling van de royalty’s zoals overeengekomen in de onder 2.4.1 en 2.4.2 genoemde overeenkomsten waarbij aan [BV 2] toekomt een bedrag van € 500.000 en een percentage per verkochte ketting op grond van de licentie-overeenkomst en de rest aan belanghebbende/[trustmaatschappij] op grond van de kennisovereenkomst.

4.2. Partijen zijn eensgezind van mening dat de technische kennis die ingevolge de know how overeenkomst aan [Ltd 1] wordt overgedragen, niet toebehoort aan [BV 2] maar onlosmakelijk verbonden is met de persoon van belanghebbende. De rechtbank ziet geen reden deze opvatting niet te volgen. Belanghebbende is degene die met zijn jarenlange arbeid heeft gezorgd voor de ontwikkeling van de [product]. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook de arbeid van belanghebbende geweest die heeft geleid tot kennis waarop de royaltybetalingen van [Ltd 1] betrekking hebben.

4.3. Vaststaat dat de ontwikkeling van de [product] is gestart in het bedrijf van belanghebbendes voormalige werkgever en dat belanghebbende met zijn arbeid die ontwikkeling heeft voortgezet. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende met die arbeid beoogde voordeel te behalen en dat dat ook objectief gezien redelijkerwijs te verwachten was. Er was dus van meet af aan sprake van een bron van inkomsten. De inkomsten daaruit zijn dan belastbaar als resultaat van overige werkzaamheden zoals de inspecteur stelt. Belanghebbendes stelling dat hij de in de know how overeenkomst genoemde rechten aan [trustmaatschappij] heeft overgelaten vóórdat een bron van inkomen is ontstaan, wordt daarmee verworpen.

4.4. Vervolgens komt de vraag op in welk jaar en bij wie de inkomsten belastbaar zijn.

4.5. Voor de bepaling van het resultaat uit overige werkzaamheden is het winstregime van toepassing. Ingevolge artikel 3.25 van de Wet IB wordt de in een kalenderjaar genoten winst bepaald volgens goed koopmansgebruik. In het algemeen moet worden aangenomen dat de opbrengst van een in het kader van een onderneming verrichte levering of een dienst naar goed koopmansgebruik tot uitdrukking dient te worden gebracht uiterlijk op het moment waarop de levering of de dienst ten uitvoer is gebracht (HR 18 december 1991, nr. 26.674, BNB 1992/181). Deze regel is ook van toepassing voor het bepalen van het resultaat uit overige werkzaamheden nu daarop het winstregime van toepassing is.

4.6. De inspecteur heeft in de eerste plaats de stelling ingenomen dat de inkomsten bij belanghebbende belastbaar zijn naarmate ze opkomen. Belanghebbende stelt dat de inkomsten zijn toegevloeid aan [trustmaatschappij] en derhalve niet bij hem belastbaar zijn.

4.7. Belanghebbende is met [trustmaatschappij] en [Ltd 1] overeengekomen dat de betalingen van [Ltd 1] aan [trustmaatschappij] zouden worden gedaan. Niet in geschil is dat [trustmaatschappij] geheel door belanghebbende wordt beheerst. Belanghebbende heeft gesteld (a) dat hij zijn kennis (tijdelijk) heeft ondergebracht bij [trustmaatschappij] en (b) dat [trustmaatschappij] de bedragen van [Ltd 1] heeft ontvangen ten titel van beheer in afwachting van de oprichting van een stichting waaraan de gelden zouden toekomen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende zijn kennis heeft overgedragen aan [trustmaatschappij]. Een (schriftelijke) overeenkomst ter zake van een dergelijke overdracht is er niet. Op het tijdstip dat [trustmaatschappij] in beeld kwam waren de onderhandelingen met [Ltd 1] afgerond en was de kennis dus al overgedragen aan [Ltd 1]. De rechtbank leidt uit de correspondentie tussen [Ltd 1] en belanghebbende af dat de oprichting van [trustmaatschappij] tot doel had de gelden die aan belanghebbende toekwamen als tegenprestatie voor de overdracht van de kennis aan [Ltd 1] tijdelijk bij [trustmaatschappij] te parkeren in afwachting van de besteding ervan. De afspraak met [Ltd 1] over de betalingen aan [trustmaatschappij] leiden er dan niet toe dat die bedragen niet meer bij belanghebbende belastbaar zouden zijn. De betalingen kwamen immers aan belanghebbende zelf toe. De afspraak omtrent uitbetaling aan [trustmaatschappij] is een vorm van inkomensbesteding die aan de belastbaarheid bij belanghebbende zelf niet afdoet. Daarbij maakt het niet uit of [trustmaatschappij] een trust is of een vennootschap. Haar functie is niet meer dan die van kassier ten behoeve van belanghebbende.

4.8. De inspecteur heeft gesteld dat de betalingen bij belanghebbende belastbaar zijn in de jaren van uitbetaling, omdat voor alle betalingen na 2003 geldt dat deze afhankelijk zijn van een onzekere factor. De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen. Dat betekent dat in 2003 een bedrag van € 1.500.000 belastbaar is en in 2004 een bedrag van € 1.300.000.

4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 13 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan tot het vermijden van dubbele belasting de heffingsbevoegdheid over de royalty’s toegewezen is aan Nederland. Op grond van artikel 24, tweede lid, letter c, van deze overeenkomst verleent Nederland een vermindering op de aldus berekende belasting tot een bedrag gelijk aan het bedrag van de Japanse belasting van 10% of € 150.000.

4.10. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat de aanslag daarom dient te worden vernietigd. Volgens belanghebbende getuigt het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag onder afbreking van het tussen partijen lopende vooroverleg van onzorgvuldig handelen van de zijde van de inspecteur. Ook het opleggen van meerdere aanslagen op een moment waarop voor de inspecteur nog geenszins duidelijk is door wie en tot welk bedrag iets zou zijn genoten is volgens belanghebbende in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De inspecteur heeft gesteld dat hij de onderhavige aanslag, gelet op de navorderingstermijnen, heeft opgelegd ter behoud van rechten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur gehandeld door de onderhavige navorderingsaanslag op te leggen zoals hij dat heeft gedaan. De (nationale) navorderingstermijnen maakten immers dat de inspecteur niet langer kon wachten, noch op een eventuele uitkomst van een overlegprocedure, noch op de aanlevering van informatie van de zijde van belanghebbende. Ook de hoogte van de navorderingsaanslag acht de rechtbank, gelet op de omstandigheid dat de feiten allerminst volledig duidelijk waren, niet onzorgvuldig. De verwijzing naar diverse scenario’s in de motivering van de aanslag acht de rechtbank voorts niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. De omstandigheid dat de inspecteur zich bedient van meerdere scenario’s is immers het directe gevolg van onduidelijkheid omtrent de feiten en de fiscale duiding daarvan. Belanghebbende heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheden gegeven zijn (détournement de pouvoir).

4.11. De inspecteur heeft zich nog beroepen op omkering van de bewijslast omdat belanghebbende niet de gevraagde informatie heeft verstrekt, in het bijzonder niet informatie over de juridische status van [trustmaatschappij]. Nu de rechtbank van oordeel is dat die status niet van belang is voor de belastbaarheid van de betalingen van [Ltd 1], is het niet verstrekken van die informatie niet van zodanig gewicht dat dat de zware sanctie van omkering van de bewijslast tot gevolg moet hebben. Overigens hecht de rechtbank geloof aan de stelling van belanghebbende dat hij niet over meer stukken beschikt dan hij heeft overgelegd. Evenzo hecht de rechtbank geloof aan de stelling van belanghebbende, die juridisch noch fiscaal onderlegd is, dat de structuur met [trustmaatschappij] is opgezet op basis van adviezen van anderen en dat hij de juistheid van die adviezen had aangenomen. Het bestemmen van (een deel van de) gelden voor een charitatief doel is echter gelegen in de sfeer van besteding van die gelden en maakt niet dat belanghebbende ter zake van die gelden niet belastingplichtig zou zijn.

4.12. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, leidt tot de conclusie dat het belastbaar inkomen uit werkzaamheden in 2003 € 1.500.000 bedraagt. De navorderingsaanslag moet dus worden verminderd. Het inkomen uit werk en woning wordt verlaagd tot € 11.994.534 min € 11.938.000 plus € 1.500.000 is € 1.556.534 en er moet € 150.000 bronbelasting worden verrekend.

4.13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

5.1. Nu het beroep gegrond is verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.

5.2. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Hij heeft daartoe echter geen bijzondere omstandigheden gesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) genoemde forfaitaire bedragen.

5.3. De kosten worden dan ook op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding nu belanghebbende daar niet om heeft verzocht voordat de uitspraak op bezwaar is gedaan.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.556.534 met verrekening van € 150.000 Japanse bronbelasting en met handhaving van de overige elementen van de navorderingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 874;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2011 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr.drs. M.M. de Werd en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr.drs. M.H. van Schaik, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 december 2011

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.