Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BV3919

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
663111 cv 11-4472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering kennelijk onredelijk ontslag toegewezen. Enig verwijt in het kader van de re-integratie, onvoldoende inspannngen gericht op herplaatsing. Begroting schade oa rekening houdend met lange WW-periode en toerekening daarvan, daarbij rekening gehouden met lang dienstverband (alle dienstjaren in de gehele Rabobank organisatie) en leeftijd van werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0146

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Tilburg

zaak/rolnr.: 663111 CV EXPL 11-4472

vonnis d.d. 30 november 2011

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser (hierna te noemen: [eiser]),

gemachtigde: mr. Gerritsen, advocaat te Utrecht,

tegen

de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK DE LANGSTRAAT U.A.,

gevestigd te Waalwijk en tevens bedrijfsuitoefende te (5171 RA) Kaatsheuvel, Horst 38,

Rabobank De Langstraat (hierna te noemen: Rabobank De Langstraat),

gemachtigde: mr. Weijers, advocaat te Alblasserdam.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

1.1 het tussenvonnis in deze zaak van 31 augustus 2011 met de daarin genoemde processtukken waarin een comparitie gelast is;

1.2 de akte verbetering van de conclusie van antwoord van de gemachtigde van Rabobank De Langstraat van 20 oktober 2011;

1.3 de per akte van 20 oktober 2011 door de gemachtigde van [eiser] ingediende producties 28 en 29;

1.4 de per akte van 24 oktober 2011 door de gemachtigde van Rabobank De Langstraat ingediende producties 48 en 49;

1.5 de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling ter zitting van 28 oktober 2011.

Partijen hebben op de comparitie de gelegenheid gekregen hun standpunten toe te lichten, hebben vragen beantwoord en hebben over en weer op elkaars stellingen kunnen reageren. Aan het eind van de comparitie is vonnis bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [eiser] vordert om Rabobank De Langstraat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan hem te betalen:

• een bedrag van € 278.210,16 bruto ter zake de door hem geleden inkomensschade;

• een bedrag van € 83.652,90 ter zake door hem geleden pensioenschade;

• een bedrag van € 30.480,00 ter zake gederfde personeelskorting;

• een bedrag van € 89.205,61 ter zake gederfde personeelskorting met betrekking tot de woningfinanciering van hem – [eiser];

• de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

• een bedrag van € 1.500,00 exclusief BTW ten titel van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

• een en ander met veroordeling van Rabobank De Langstraat in de kosten van de procedure.

2.2 Rabobank De Langstraat heeft verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

A. [eiser] – geboren op [datum] – heeft sinds 1 maart 1977 steeds binnen de ‘de Rabobankorganisatie’ voor verschillende entiteiten gewerkt;

B. [eiser] is op 1 augustus 1999 bij (de rechtsvoorgangster van) Rabobank De Langstraat in dienst getreden;

C. [eiser] is laatstelijk in dienst geweest in de functie van bedrijfsadviseur B tegen een salaris van € 4.364,00 exclusief 8% vakantiegeld, 13e maand en bonusadviesregeling/variabel inkomen;

D. [eiser] is op 24 september 2007 uitgevallen, wegens een ziekte (slaapapneu) die reeds in 2005 bij [eiser] is gediagnosticeerd;

E. (Mede) in het kader van de re-integratie heeft [eiser] – onder voorwaarden – een stap terug gedaan naar de functie van bedrijfsadviseur B, is er een probleemanalyse opgesteld, is er diverse malen een plan van aanpak gemaakt voor de (stapsgewijze) hervatting van de werkzaamheden, is er op kosten van Rabobank De Langstraat een externe jobcoach voor [eiser] aangesteld, zijn er drie bedrijfsartsen ingeschakeld, zijn er re-integratieverslagen en rapportages opgesteld, is er een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld, heeft UWV een deskundigenoordeel gegeven, heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden en is de re-integratie van [eiser] (tussentijds) geëvalueerd door onder meer [eiser], zijn leidinggevenden, medewerkers HRM en een arbeidsdeskundige van Rabobank Nederland;

F. Rabobank De Langstraat heeft zich bij het verloop van het re-integratieraject gericht naar de adviezen van de bedrijfsarts. [eiser] heeft nimmer een deskundigenoordeel van UWV aangevraagd, hoewel hij over die mogelijkheid wel geïnformeerd is;

G. In een door Rabobank De Langstraat aangevraagd deskundigenoordeel van UWV van 24 april 2009 heeft de arbeidsdeskundige onder andere het volgende geoordeeld:

“(…)

Er is meer inzicht in het oordeel van de Bedrijfsarts, doch een functionele mogelijkheden lijst werd niet toegevoegd. Daarnaast is er geen visie van de bedrijfsarts ten aanzien van eventuele urenuitbreiding naar de toekomst. Al met al doet zich nu de vraag voor of werknemer er in zal slagen de functie van bedrijvenadviseur volledig te kunnen uitoefenen. Ook doet zich de vraag voor waarom het tweede spoor niet is ingezet.

Op grond van de huidige ontoereikende informatie kom ik tot de conclusie dat er sprake is van een klachtencontingent handelen in plaats van tijdcontingent. Op grond van de huidige gegevens zijn onvoldoende re-integratie inspanningen door de werkgever gepleegd.

(…)”

H. In een arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar (in het kader van de WIA-beslissing) van 22 juni 2010 (bevestigd in een beslissing op bezwaar van UWV van 11 augustus 2010 in het kader van de WIA-uitkering) zijn de re-integratie-inspanningen van Rabobank De Langstraat op 9 september 2009 (datum toetsing re-integratieverslag) als onvoldoende aangemerkt. Daarbij is ondermeer overwogen:

“(…)

Het niet tijdig inzetten van een arbeidsdeskundig onderzoek, ondanks advies van de bedrijfsarts, heeft ertoe geleid dat er mogelijk te lang (vanaf oktober 2008) is ingezet op re-integratie in een niet passende functie, waardoor mogelijk re-integratiekansen zijn gemist in spoor 1 en 2.

(…)

Op datum toetsing re-integratieverslag kan worden vastgesteld dat de bedrijfsarts heeft ingezet op het vaststellen van een tijdcontingent opbouwschema naar aanleiding van het deskundigenoordeel. Echter er is op dat moment nog steeds niet inzichtelijk of de aangeboden functie van bedrijvenadviseur passend te achten is in relatie tot de beperkingen (…)

Ondanks de signalen dat het werk te zwaar zou zijn, heeft de werkgever het advies van de bedrijfsarts opgevolgd inzake het tijdcontingent opbouwschema. Hierbij is voorbijgegaan aan een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van [eiser] in relatie tot de belasting in de functie van bedrijvenadviseur.

(…)”;

I. Op 1 juni 2010 heeft het UWV WERKbedrijf te Eindhoven aan Rabobank De Langstraat toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 8 juni 2010 heeft Rabobank De Langstraat de arbeidsverhouding met [eiser] opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 5 maanden tegen 30 november 2010. Het dienstverband tussen partijen is derhalve geëindigd met ingang van 1 december 2010;

J. [eiser] ontvangt momenteel maandelijks een WGA-uitkering van € 2.662,88 bruto exclusief 8% vakantiegeld, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 67,90%;

K. [eiser] heeft ervoor gekozen om – vooralsnog – geen WW-uitkering aan te vragen (voor het deel dat hij arbeidsgeschikt is).

L. [eiser] heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen het oordeel van het UWV over de omvang van zijn arbeidsongeschiktheid, doch dit bezwaar en beroep zijn ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de rechtbank is geen hoger beroep ingesteld;

M. Rabobank De Langstraat heeft geen financiële voorziening aangeboden om de gevolgen van het ontslag te verzachten.

3.2 [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat:

a. Rabobank De Langstraat het dienstverband met hem kennelijk onredelijk heeft opgezegd, aangezien – in aanmerking nemende de voor hem getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden – de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Rabobank De Langstraat bij de opzegging;

b. Rabobank De Langstraat geen, althans niet op de juiste wijze, uitvoering heeft gegeven aan de op haar rustende re-integratieverplichtingen en zich daarvoor niet voldoende heeft ingespannen (hetgeen is vastgesteld door UWV), waardoor zij zich niet heeft gedragen als een goed werkgever;

c. zijn volledige uitval en de daardoor veroorzaakte blijvende schade aan Rabobank De Langstraat te wijten is, aangezien een en ander het gevolg is van het feit dat Rabobank De Langstraat alleen, althans te veel, gericht is geweest op urenopbouw;

d. hij gezien het voorgaande op basis van artikel 7:681 lid 1 juncto lid 2 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) aanspraak maakt op een schadevergoeding;

e. de te vergoeden schade – gebaseerd op het uitgangspunt dat onder normale omstandigheden het dienstverband van [eiser] tot aan zijn 65e jaar bij Rabobank De Langstraat gecontinueerd zou worden – in totaal € 481.522,11 bedraagt. Deze schade bestaat uit de volgende componenten: inkomensschade (€ 278.210,16, zijnde het verschil tussen het laatst verdiende salaris en de WIA-uitkering van [eiser]), pensioenschade (€ 83.625,90, zijnde het verschil tussen het gemiddelde bedrag dat [eiser] per jaar aan pensioenpremie ontving en het bedrag dat hij momenteel per jaar aan pensioenpremie ontvangt), personeelskorting (€ 119.685,61, bestaande uit extra verzekeringskosten tot aan het moment van overlijden bij een gemiddelde levensduur voor een man van 80,4 jaar en renteschade ter zake de financiering van de woning van [eiser], eveneens bij een gemiddelde levensduur voor een man van 80,4 jaar);

f. hij tevens aanspraak maakt op de wettelijke rente en op een vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten.

3.3 Rabobank De Langstraat heeft ter verweer aangevoerd dat:

a. [eiser] haar verwijten richting Rabobank De Langstraat onvoldoende heeft onderbouwd en (daardoor) onvoldoende heeft gesteld in het kader van de vermeende kennelijke onredelijkheid van het ontslag;

b. uit niets blijkt dat zij de oorzaak zou zijn van het ziekteverzuim van [eiser] dan wel dat zij zich gedurende de periodes van ziekteverzuim op onjuiste wijze ten opzichte van [eiser] zou hebben opgesteld, integendeel;

c. zij zich – al vanaf de eerste perioden van uitval vanaf 2005, als ook in de perioden van uitval vanaf september 2007 – voldoende heeft ingespannen om en voldoende maatregelen heeft genomen om tot een succesvolle re-integratie, althans een genoegzame oplossing, te komen;

d. zij niet de mogelijkheid had om [eiser] in (ander) passend werk te plaatsen en dat in dat kader onderscheid moet worden gemaakt tussen de totale Rabobankorganisatie en Rabobank De Langstraat als zelfstandige entiteit;

e. wat betreft het deskundigenoordeel van UWV van 24 april 2009 geldt dat – voor zover Rabobank De Langstraat iets te verwijten valt – Rabobank De Langstraat in de re-integratie te veel ruimte heeft gegeven aan de klachten van [eiser] (klachtencontingent) en te weinig heeft gestuurd op urenopbouw, terwijl [eiser] haar – Rabobank De Langstraat – juist verwijt alleen gericht te zijn geweest op urenopbouw;

f. wat betreft het arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar (in het kader van de WIA-beslissing) van 22 juni 2010 (bevestigd in de beslissing op bezwaar van UWV van 11 augustus 2010) (met name) van belang is dat er enkel wordt gesteld dat er mogelijk te lang is ingezet op re-integratie in een niet passende functie, waardoor er mogelijk re-integratiekansen zijn gemist, hetgeen een uiterst magere argumentatie is voor het oordeel dat Rabobank De Langstraat niet zou hebben voldaan aan haar re-integratieverplichtingen en hetgeen (wederom) een ander verwijt is dan het verwijt dat [eiser] Rabobank De Langstraat maakt;

g. niet is gebleken dat zij zich niet als een goed werkgever heeft gedragen;

h. de door [eiser] gestelde blijvende lichamelijke schade door Rabobank De Langstraat wordt betwist en dat een terugkeer van [eiser] op de arbeidsmarkt – gezien zijn opleiding en ervaring – wel degelijk tot de mogelijkheden behoort;

i. [eiser] volstaat met het berekenen van een aantal schadeposten en ten onrechte niet ingaat op de vraag of de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn;

j. [eiser] zijn schade onvoldoende concreet heeft onderbouwd en uitgaat van te veel veronderstellingen en onzekere factoren;

k. [eiser] ten onrechte geen rekening houdt met mogelijke nieuwe werkzaamheden en het mogelijke recht op een WW-uitkering;

l. er door haar jaarlijks geen € 16.130,64 aan pensioenpremie wordt betaald, maar € 13.201,00;

m. uit niets blijkt dat de gemachtigde van [eiser] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.4 De kantonrechter oordeelt als volgt.

3.4.1 Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 27 november 2009 (LJN BJ6596) en van 12 februari 2010 (LJN BK4472) en van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2011 (LJN BU2031) stelt de kantonrechter voorop dat bij de beoordeling van de vordering van Rabobank De Langstraat – die gebaseerd is op artikel 7:681 lid 1 en lid 2 aanhef en onder b BW – eerst aan de hand van alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag tezamen en in onderling verband moet worden vastgesteld dat ingevolge het ‘gevolgencriterium’ sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, voordat aan de orde komt welke vergoeding eventueel aan [eiser] moet worden toegekend. Het enkele feit dat geen voorziening voor [eiser] is getroffen, is in ieder geval niet voldoende om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging van het dienstverband geheel of ten dele voor rekening van Rabobank De Langstraat dienen te komen. Dat geldt ook in dit geval, waarbij opzegging heeft plaatsgevonden wegens voortdurende arbeidsongeschiktheid.

3.4.3 Bij de beoordeling van de vraag of van kennelijk onredelijke opzegging sprake is geweest, heeft de kantonrechter de navolgende uit de stellingen van partijen volgende omstandigheden van bijzondere betekenis geacht:

a) De oorzaak van de ziekmelding en voortdurende arbeidsongeschiktheid van [eiser] is gelegen in de bij hem aanwezige slaapapneu. Partijen zijn het er over eens dat er geen relatie bestaat tussen deze ziekte en het werk bij Rabobank De Langstraat of de omstandigheden waaronder de werkzaamheden verricht moesten worden. Daarmee ligt de arbeidsongeschiktheid als zodanig, die ten grondslag ligt aan de opzegging, in de risicosfeer van [eiser].

b) Er is sprake van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van [eiser], waarbij aan hem enige verdiencapaciteit is toegekend. Immers [eiser] ontvangt een WGA uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 67,90%. De stelling van [eiser] dat Rabobank De Langstraat verantwoordelijk is voor zijn blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid (en dat daarvan moet worden uitgegaan) wordt, als onvoldoende gemotiveerd gesteld verworpen, omdat dit uitgangspunt niet strookt met het oordeel van UWV over de omvang van de arbeidsongeschiktheid, dat blijkens de overgelegde stukken ook in rechte gehandhaafd is en waartegen geen hoger beroep is ingesteld, zoals [eiser] ter zitting heeft verklaard. Het feit dat [eiser] voornemens is om een herkeuring aan te vragen, zoals door hem ter zitting is verklaard, blijft zonder betekenis, omdat dit niet de situatie was ten tijde van het ontslag of op dat moment reeds bekend had kunnen of moeten zijn. Bovendien is onzeker of herziening zal leiden tot aanpassing van het eerdere percentage, zodat daarop niet vooruit gelopen kan worden.

c) Rabobank De Langstraat zag zich vervolgens geconfronteerd met de situatie dat terugkeer van [eiser] binnen Rabobank De Langstraat geen reële optie meer was. Dat geeft Rabobank De Langstraat een rechtens te respecteren belang bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Van Rabobank De Langstraat hoeft niet gevraagd te worden dat zij de arbeidsovereenkomst met [eiser] handhaaft als er feitelijk geen zicht meer is op hervatting van het werk.

d) Wel heeft te gelden dat Rabobank De Langstraat op minimale wijze elders binnen de Rabobankorganisatie herplaatsing heeft onderzocht. Weliswaar is [eiser] formeel slechts bij Rabobank De Langstraat in dienst, zoals zij terecht stelt, doch Rabobank De Langstraat maakt deel uit van de veel grotere Rabobankorganisatie. In de arbeidsovereenkomst heeft Rabobank De Langstraat zich het recht voorbehouden [eiser] bij bijzondere omstandigheden elders in de Rabobankorganisatie werkzaamheden op te dragen. Keerzijde daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter dat [eiser] mag vragen dat Rabobank De Langstraat in die grotere organisatie op zoek gaat naar een passende functie als de langdurige arbeidsongeschiktheid van [eiser] leidt tot de bijzondere situatie, dat hij niet langer bij Rabobank De Langstraat in dienst kan blijven. Dit klemt te meer daar waar [eiser] reeds 27 jaar op diverse plaatsen in de Rabobankorganisatie gewerkt heeft. De visie van Rabobank De Langstraat dat haar verplichting niet verder ging dan de organisatie van Rabobank De Langstraat zelf getuigt van een te beperkte opvatting van haar verantwoordelijkheid. Rabobank de Langstraat had derhalve wel een belang bij de beëindiging, maar is tekortgeschoten voor wat betreft de herplaatsingsinspanningen.

e) Ook in het kader van de re-integratie valt Rabobank De Langstraat wel enig verwijt te maken. Met name verwijt de kantonrechter Rabobank De Langstraat dat niet tijdig en nauwkeurig genoeg onderzoek is gedaan naar de passendheid van de functie van Bedrijfsadviseur B, waarop de re-integratie in overwegende mate gericht is geweest. Daardoor is ook naar het oordeel van de kantonrechter te lang geprobeerd [eiser] te re-integreren in de functie die eigenlijk toch te zwaar voor hem was. Illustratief in dit verband is dat [eiser] op enig moment in het re-integratieproces 16 uur verlof diende op te nemen om formeel 32 uur per week te kunnen werken, terwijl hij kennelijk eenvoudigweg niet in staat was om 32 uur per week te gaan werken. Ook UWV verwijt - weliswaar achteraf - Rabobank De Langstraat in de kern genomen dat onvoldoende en niet tijdig is bekeken of de functie waarin re-integratie plaatsvond wel passend was.

f) Gelet op de leeftijd van [eiser] en zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid beoordeelt de kantonrechter de mogelijkheden om ander passend werk te vinden als moeilijk. Rabobank De Langstraat wijst weliswaar op de ruime ervaring van [eiser] in de bankwereld, maar het feit dat Rabobank De Langstraat, niettegenstaande de kennis van [eiser] zelf geen mogelijkheden meer ziet voor plaatsing op één van de in haar organisatie voorkomende functies, toont al aan dat die ervaring en kennis van beperkte betekenis zijn. Als hoofdregel mag er van uit gegaan worden dat de arbeidsmarktpositie van [eiser] als oudere werknemer (55+) minder gunstig is dan die van een jongere, waarbij in dit geval ook de medische beperkingen bijdragen aan een ongunstiger uitgangspositie.

g) De beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidt direct tot nadelige gevolgen voor [eiser], doordat hij onder andere niet langer kan profiteren van personeelscondities voor verzekeringen en hypotheekrente, zoals door hem onbetwist gesteld is.

h) De pensioenregeling van de Rabobankorganisatie die ook voor [eiser] geldt kent een aanvullingsregeling ingeval van arbeidsongeschiktheid, doch een uitkeringsrecht ontstaat bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid pas indien de resterende verdiencapaciteit benut wordt waarmee “het gaan werken”gestimuleerd wordt. Feitelijk heeft [eiser] thans niets aan deze regeling.

3.4.4 De hier genoemde punten leiden tot de conclusie dat Rabobank De Langstraat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte medewerker met een relatief hoge leeftijd heeft ontslagen, zonder dat Rabobank De Langstraat een voorziening getroffen heeft voor de nadelige gevolgen daarvan. Partijen zijn het er over eens dat de aanvullingsregeling uit de pensioenregeling voor [eiser] thans zonder gevolg blijft. Ten tijde van het ontslag was niet te voorzien dat dit spoedig zou veranderen. Nu voorts geoordeeld moet worden dat Rabobank De Langstraat zowel in het kader van de re-integratie als de herplaatsingsinspanningen niet de maximale inspanning betracht heeft, die mede gelet op de leeftijd van [eiser] en diens arbeidsverleden binnen de Rabobankorganisatie wel van haar mocht worden verwacht, maakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het ontslag kennelijk onredelijk doen zijn. Dat wordt niet anders door het gegeven dat het risico van de arbeidsongeschiktheid als zodanig die aan het ontslag ten grondslag ligt in de risicosfeer van [eiser] ligt en Rabobank De Langstraat een te respecteren belang heeft bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

3.4.5 Het feit dat sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging maakt dat een schadevergoeding zou kunnen worden toegekend.

3.4.6 Wat betreft de vergoeding stelt de kantonrechter voorop dat die begroot moet worden als schade die [eiser] als gevolg van het kennelijk onredelijk ontslag lijdt. Artikel 6:97 BW geeft als algemene regel dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest in overeenstemming daarmee is en laat de rechter de vrijheid de omvang van de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Gelet op het feit dat de schade in belangrijke mate bepaald zal worden door onzekerheden over toekomstige ontwikkelingen, zoals het vinden van ander werk, de uitkomst van een eventuele herkeuring, rente ontwikkeling op de kapitaalmarkt (oa voor wat betreft gevorderde hypotheekrenteschade), zal de kantonrechter de schade hieronder schatten.

3.4.7 Het staat naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate vast dat [eiser] door het verlies van zijn arbeidsplaats bij Rabobank De Langstraat inkomenschade lijdt, aangezien hij thans aangewezen is op een uitkering. [eiser] becijfert zijn schade echter ten onrechte op het verschil tussen het inkomen uit arbeid en de WGA-uitkering tot zijn pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Op de eerste plaats gaat [eiser] daarbij voorbij aan het mogelijke recht dat hij heeft op een WW-uitkering voor wat betreft het percentage waarvoor hij arbeidsgeschikt wordt geacht, zoals Rabobank De Langstraat terecht heeft gesteld. [eiser] had zijn schade moeten (proberen) te beperken door een WW-uitkering aan te vragen. Op de tweede plaats acht de kantonrechter het voor [eiser] – gelet op onder meer zijn opleiding en ervaring – moeilijk, maar niet geheel onmogelijk om op enig moment in de tienjarige periode tussen de ontslagdatum en zijn pensioengerechtigde leeftijd ander passend werk te vinden, ook al houdt [eiser] naar alle waarschijnlijkheid zijn medische beperkingen. Om die reden zal de kantonrechter ook voor de pensioenschade en de schade die ontstaat door het mislopen van de personeelscondities uitgaan van een periode die in duur beperkt is. Bovendien heeft een arbeidsovereenkomst niet het karakter van een levensverzekering, in die zin dat de voordelen uit een arbeidsovereenkomst in het oneindige gegarandeerd dienen te worden. Niet alleen wordt daarmee miskend dat iedere arbeidsovereenkomst voortijdig kan eindigen, maar ook dat arbeidsvoorwaarden aan wijzigingen onderhevig kunnen zijn.

3.4.8 Op basis van de hierboven aangegeven punten wordt de totale schade voor de door [eiser] in zijn vordering onderscheiden posten geschat op een bedrag van € 150.000,00 bruto. Daarbij is rekening gehouden met een aanzienlijke periode van werkloosheid waarin zowel inkomenschade als pensioenschade optreedt. Niet valt uit te sluiten dat deze periode de in dit verband te verwachten WW-periode zal overtreffen. De inkomenschade betreft het verschil tussen het laatst verdiende inkomen en het inkomen uit uitkering over de bedoelde periode van werkloosheid(WGA en WW bij elkaar opgeteld). Voor wat de pensioenschade is rekening gehouden met de werkgeversbijdrage van € 13.201, zoals die volgens Rabobank De Langstraat laatstelijk betaald is, gerelateerd aan een aanzienlijke periode van werkloosheid, waarin geen opbouw plaatsvindt. Verder is rekening gehouden met een bedrag aan extra hypotheekschade die ontstaat door het moeten betalen van een hogere hypotheekrente door het missen van de personeelscondities en de hogere verzekeringslasten door het missen van die personeelscondities. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de hogere hypotheeklasten tot aan de eerst rentevervaldatum per 31 december 2015, welke datum naar verwachting niet uitzonderlijk zal verschillen van de thans nog te verwachten periode van werkloosheid, € 16.147,01 bedragen en de extra verzekeringskosten € 100,-- per maand.

3.4.9 De hoogte van de op artikel 7:681 lid 1 juncto lid 2 aanhef en onder b BW gebaseerde vergoeding, die ten laste van Rabobank De Langstraat gebracht kan worden, dient vervolgens te worden vastgesteld na afweging van de omstandigheden aan de zijde van beide partijen en is mede afhankelijk van de duur van het dienstverband, de leeftijd van [eiser] en zijn kans op het vinden van ander passend werk. Bovendien is de toe te kennen vergoeding gerelateerd aan de aard en de ernst van het tekortschieten van Rabobank De Langstraat in haar verplichting om als goed werkgever te handelen en aan de daaruit voortvloeiende nadelen voor [eiser]. De in artikel 7:681 lid 1 BW bedoelde schadevergoeding heeft een bijzonder karakter en dient er vooral toe aan de benadeelde – in dit geval [eiser] – een zekere mate van genoegdoening (een pleister op de wonde) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van in dit geval Rabobank De Langstraat. Dit brengt met zich mee dat hierboven becijferde schade niet volledig aan Rabobank De Langstraat toegerekend hoeft te worden.

3.4.10 Als eerder overwogen ligt de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid in de risicosfeer van [eiser]. Voor het gedeelte dat [eiser] door het UWV als blijvend arbeidsongeschikt is beoordeeld, geldt verder dat de loondoorbetalingsverplichting na de eerste 104 weken van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid in ieder geval geëindigd zou zijn. Dat betekent dat de inkomenschade ten minste gedeeltelijk ook zonder ontslag zou zijn ontstaan en derhalve voor dat deel niet als gevolg van de opzegging aan de Rabobank De Langstraat kan worden toegerekend.

3.4.11 Zoals hierboven ook reeds is overwogen zijn de aan Rabobank De Langstraat te maken verwijten beperkt van aard. Uit alles blijkt dat door beide partijen veel is gedaan en dat ingezet is op terugkeer van [eiser] in een (weliswaar lagere) functie bij Rabobank De Langstraat. De stelling van [eiser] dat geen overleg met zijn behandelend artsen heeft plaatsgevonden, blijkt feitelijk onjuist zoals onder andere volgt uit productie 12 bij dagvaarding. Het had ook op de weg van [eiser] gelegen een second opinion over het verloop van het re-integratietraject te vragen indien hij zich niet met de adviezen van de bedrijfsarts kon verenigen op welke mogelijkheid [eiser] anders dan door hem is gesteld, zoals uit de overgelegde producties blijkt, een aantal maal geattendeerd is. [eiser] heeft daarover ter comparitie verklaard geen conflict met Rabobank De Langstraat te willen krijgen, maar Rabobank De Langstraat kan niet verweten worden dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van zijn mogelijkheden om het re-integratieproces bij te sturen. [eiser] had op dit punt ook een eigen verantwoordelijkheid en daaraan zelf – eventueel gesteund door zijn artsen – invulling kunnen geven. Ook de beperktheid van het te maken verwijt, maakt dat de schade slechts beperkt kan worden toegerekend.

3.4.12 Anderzijds geldt dat door de leeftijd van [eiser] en de periode waarin hij binnen de rabobankorganisatie gewerkt heeft, de schade wat ruimer kan worden toegerekend dan het te maken verwijt alleen als zodanig zou rechtvaardigen.

3.4.13 Gelet op de aard van de aansprakelijkheid en het te maken verwijt, het karakter van de vergoeding en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van [eiser], waaronder slechte arbeidsmarktpositie door leeftijd en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, oordeelt de kantonrechter, uitgaande van de toerekening van 1/3 van de schade, dat Rabobank De Langstraat veroordeeld dient te worden tot het betalen van € 50.000,-- bruto te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, zoals gevorderd, vanaf 20 mei 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.4.14 De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II – worden afgewezen. Niet is gebleken dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4. De kosten

Rabobank De Langstraat dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Rabobank De Langstraat om aan [eiser] te betalen de somma van € 50.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verwijst Rabobank De Langstraat in de kosten van het geding en veroordeelt die partij derhalve tot betaling van deze kosten aan de zijde [eiser] gevallen en tot op heden begroot op € 1.200,00, als salaris voor de gemachtigde van [eiser];

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 30 november 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.