Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1371

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
09/866
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV6192, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/866

Uitspraakdatum: 18 februari 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Thailand),

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 2 februari 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (aanslagnummer [nummer]H.56).

Zitting

Met schriftelijke toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.057;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 483;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende die de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft tot [datum] 2000 in Nederland gewoond. Vanaf [datum] 2000 is hij woonachtig in Thailand.

2.2.Belanghebbende is van [datum] 1968 tot [datum] 2002 werkzaam geweest bij de Rijksuniversiteit [X]. In 1992 is de Rijksuniversiteit [X] (hierna: [rijksuniversiteit]) op grond van Wet op het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) geprivatiseerd.

2.3.De regeling voor toekenning van een FPU-pensioen voor werknemers van de Rijksuniversiteit [X] is op [datum] 1997 ingevoerd. Eén van de voorwaarden om voor deze regeling in aanmerking te komen is een dienstverband van minimaal 10 jaren.

2.4.Belanghebbende ontvangt vanaf [datum] 2002 een (FPU)-pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: Stichting ABP) ter zake van zijn voormelde voormalige dienstverband. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende een (FPU)-pensioenuitkering van € 25.582 genoten waarop € 1.013 loonheffing is ingehouden.

2.5.Belanghebbende heeft zijn aangifte inkomstenbelasting over 2005 elektronisch ingediend door middel van EDITAX, naar een verzamelinkomen van nihil en heeft daarin geen melding gemaakt van het FPU-pensioen. Belanghebbende stelt dat hij de ingehouden loonheffing ad € 1.013 wel in zijn aangifte heeft vermeld, hetgeen had moeten resulteren in een teruggaaf van € 1.013.

2.6.Bij de aanslagregeling is het verzamelinkomen vervolgens vastgesteld op nihil, waarbij geen rekening is gehouden met ingehouden loonheffing. De aanslag is derhalve vastgesteld op nihil. De inspecteur bestrijdt dat in de aangifte de ingehouden loonheffing was vermeld.

2.7.Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar aangetekend omdat bij het opleggen van de aanslag geen rekening is gehouden met de te verrekenen voorheffing.

2.8.Bij uitspraak op bezwaar heeft vervolgens de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het heffingsrecht over de (FPU)-pensioenuitkering op grond van artikel 19 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 11 september 1975 (hierna: het Verdrag) aan Nederland is toegewezen. Het verzamelinkomen is vervolgens met een beroep op interne compensatie vastgesteld op € 25.582 met verrekening van € 1.013 loonheffing. De verschuldigde belasting bedraagt € 1.112, zodat geen recht bestaat op teruggaaf.

2.9.In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

-Is het heffingsrecht over de (FPU)-pensioenuitkering op grond van het Verdrag aan Nederland toegewezen?

-Is bij het opleggen van de aanslag ten onrechte geen rekening gehouden met de ingehouden loonheffing?

-Is sprake van een verkapte vorm van navordering, nu de inspecteur bij uitspraak op bezwaar het verzamelinkomen hoger heeft vastgesteld dan bij de vaststelling van de aanslag?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de overige vragen bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

2.10.Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende als buitenlands belastingplichtige in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) kwalificeert en dat belanghebbende niet op grond van het bepaalde in artikel 2.5 van de Wet heeft geopteerd voor toepassing van de regels van de Wet voor binnenlandse belastingplichtigen.

Heffingsrecht over de (FPU-)pensioenuitkering

2.11.Artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet bepaalt dat tot het inkomen uit werk en woning behoort het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid.

2.12.Partijen zijn verdeeld over de vraag aan welk land het heffingsrecht terzake van het pensioen toekomt. Belanghebbende stelt dat het heffingsrecht op grond van het bepaalde in artikel 18 van het Verdrag aan Thailand is toegewezen. De inspecteur is van mening dat het heffingsrecht op grond van het bepaalde in artikel 19 van het Verdrag aan Nederland is toegewezen.

2.13.Vaststaat dat de Rijksuniversiteit [X] in 1992 is geprivatiseerd. Op grond van artikel 1.8, tweede lid van de WHW, kwalificeert de [rijksuniversiteit] ook na privatisering nog altijd als een publiekrechtelijke instelling. Op grond van artikel 4.5, vierde lid van de WHW geldt de dienstbetrekking ook na de privatisering als niet zijnde een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Desondanks komt door de privatisering wel een einde aan het bewijzen van diensten in de uitoefening van overheidsfuncties (in gelijke zin HR 5 december 2008, nr. 43722, BNB 2009/199). Anders dan de inspecteur van mening is, kwalificeert de [rijksuniversiteit] overigens niet als een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam.

2.14.Gelet op hetgeen in 2.2 en 2.3 is overwogen, dient de stelling van belanghebbende dat het recht op de (FPU)-pensioenuitkering volledig is opgebouwd in private dienstbetrekking te worden verworpen. Het feit dat de FPU-regeling eerst in het leven is geroepen in 1997, neemt niet weg dat deze gedeeltelijk betrekking heeft op de dienstjaren verricht vóór 1992 in overheidsdienst. Anders dan belanghebbende verdedigt, heeft de door hem genoten uitkering dus mede betrekking op de jaren 1968 tot en met 1992, aangezien niet aannemelijk is dat hij gedurende die periode geen pensioen zou hebben opgebouwd.

2.15.Vertaald naar het verdrag met Thailand betekent het voorgaande dat belanghebbende van 1968 tot en met 1992 pensioen heeft opgebouwd in overheidsdienst, hetgeen tot gevolg heeft dat de inspecteur op grond van artikel 19 van het Verdrag 24/34e deel van de (FPU-)pensioenuitkering in de grondslag van de Nederlandse belastingheffing mag betrekken (in gelijke zin HR 23 november 1994, nr. 29935, BNB 1995/117 en HR 5 december 2008, nr. 43722, BNB 2009/199). Het heffingsrecht voor de overige 10/34e deel is op grond van artikel 18 van het Verdrag toegewezen aan Thailand. Dientengevolge dient over 10/34e deel van € 25.582 of € 7.525 belastingheffing in Nederland achterwege te blijven. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt derhalve € 25.582 min € 7.525 of € 18.057.

Ten onrechte geen rekening gehouden met de ingehouden loonheffing

2.16.Belanghebbende heeft voorts met het enkel overleggen van een afschrift van één pagina van het belastingaangiftenprogramma van Elsevier, waarop de “Berekening inkomen en belasting 2005” staat vermeld, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat in de via Editax ingeleverde aangifte een bedrag aan ingehouden loonheffing van € 1.013 stond vermeld. Met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag is het gelijk aan de inspecteur.

Is sprake van een verkapte vorm van navordering

2.17.Ook met betrekking tot de derde in geschil zijnde vraag is het gelijk aan de inspecteur. Van een verkapte vorm van navordering is geen sprake. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur bij de aanslagregeling reeds over de jaaropgaaf waarop de (FPU)-pensioenuitkering en de ingehouden loonheffing stond vermeld, beschikte, zodat hiermee bij de aanslagregeling al rekening kon worden gehouden. Deze stelling kan belanghebbende niet baten. Van navordering kan geen sprake zijn, nu onderhavige aanslag een primitieve aanslag betreft, zodat de inspecteur bij het doen van uitspraak op bezwaar niet gebonden is aan de in artikel 16 van de AWR gestelde eisen.

2.18.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 483 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Aldus gedaan door mr. D. Hund, rechter, en door deze en mr. M. van Es-Hinnen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 25 februari 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.