Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BV0243

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
683912 mb 11-150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Mulder beroep. Volgens betrokkene sprake van laden en lossen op eigen terrein. Oordeel kantonrechter: sprake van parkeren op voor openbaar verkeer openstaande weg. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaaknummer: 683912 \ MB VERZ 11-150

cjib-nummer: 147390519

registratienummer: I88930

uitspraak: 24 november 2011

beslissing ex artikel 13 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)

in de zaak van:

betrokkene: [betrokkene]

adres: [adres]

1. Het verloop van de procedure

Bij initiële beschikking van 18 november 2010 is aan betrokkene een sanctie opgelegd van € 160,00, vermeerderd met € 6,00 administratiekosten, ter zake van “op een invalidenparkeerplaats parkeren anders dan met een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin duidelijk zichtbaar is aangebracht een geldige invalidenparkeerkaart”, begaan op woensdag 27 oktober 2010 om 10.40 uur te Zevenbergen, gemeente Moerdijk aan de Lindonk (feitcode R402B).

Tegen deze beschikking is betrokkene op 7 januari 2011 bij de officier van justitie in beroep gekomen.

De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is op 9 maart 2011 aan betrokkene verzonden.

Tegen deze beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene op 14 maart 2011 beroep aangetekend.

De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 november 2011, waar namens de officier van justitie de CVOM-vertegenwoordiger en betrokkene zijn verschenen.

2. Het standpunt van betrokkene

Betrokkene voert aan dat hij met een aanhangwagen op de parkeerplaats van het bedrijf waar hij werkzaam is, had geparkeerd. De gehele parkeerplaats was bezet, op twee vakken na. Dat betrof een gewoon parkeervak en een gehandicaptenparkeerplaats. Nu zijn werkgever het bedrijfspand en de bijbehorende parkeervakken huurt, gaat betrokkene ervan uit dat er sprake is van eigen terrein. Bovendien heeft hij niet geparkeerd, maar was er sprake van goederen lossen gedurende 15 minuten zonder activiteit buiten, aldus betrokkene.

Betrokkene heeft ter zitting zijn standpunt nader toegelicht.

3. De nadere zienswijze van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende overgelegd:

- Een op ambtseed op 6 september 2011 door [X], beëdigd Gemeentelijk Opsporingsambtenaar, opgemaakt proces-verbaal waarop – voor zover thans van belang – staat vermeld met betrekking tot de opmerking van betrokkene dat het een eigen terrein betreft:

“De parkeerplaats was normaal vrij toegankelijk vanaf de openbare weg, welke open stond voor het openbaar rij- en ander verkeer. Derhalve voldeed deze parkeerplaats aan de definitie zoals genoemd in artikel 1 van de wegenverkeerswet 1994”.

Met betrekking tot het verweer van betrokkene dat er geen sprake was van parkeren, maar van lossen heeft de verbalisant vermeld:

“Hierbij werd gedurende tenminste tien minuten door mij, verbalisant, geen enkele laad of losactiviteit bij dan wel met de auto of aanhangwagen waargenomen”.

- Een afschrift van de aankondiging van beschikking.

- Een zaakoverzicht.

De officier van justitie handhaaft het eerder ingenomen standpunt

4. De beoordeling

De termijnen en formaliteiten voor de beroepsprocedure tegen de beslissing van de officier van justitie zijn in acht genomen.

Tegen de initiële beschikking kon betrokkene binnen zes weken na verzending van die beschikking in beroep komen. Deze termijn is door betrokkene overschreden.

Ter rechtvaardiging van deze termijnoverschrijding heeft betrokkene aangevoerd dat hij wel tijdig beroep heeft ingesteld, maar de brief kennelijk niet door de officier van justitie is ontvangen. Betrokkene heeft telefonisch contact met het CVOM opgenomen om te vragen of zijn beroep is ontvangen, omdat hij geen bevestiging had ontvangen. Er zou een aantekening van het telefoongesprek gemaakt worden. Vervolgens heeft betrokkene nogmaals –hetzij na het verstrijken van de beroepstermijn - zijn beroepschrift ingediend en gerefereerd naar het telefonisch onderhoud met een medewerker van het CVOM.

Nu er zich een aantekening van genoemd telefoongesprek in het dossier van de officier van justitie bevindt en er geen datum van het telefoongesprek is vermeld, heeft de officier van justitie voorgesteld de termijnoverschrijding verschoonbaar de achten.

De kantonrechter zal de officier van justitie volgen en zal de termijnoverschrijding verschoonbaar achten. Dit brengt met zich mee dat de kantonrechter het beroepschrift van betrokkene verder inhoudelijk kan beoordelen.

De kantonrechter overweegt dat allereerst van belang is of het terrein waar de gedraging heeft plaatsgevonden al dan niet als een voor het openbaar verkeer openstaande weg is aan te merken.

Beslissend voor de vraag of het terrein waar de gedraging is geconstateerd als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden, zoals concrete maatregelen waaruit blijkt of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van het terrein (vlg. de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 1997, nr. 602-96-V).

Nu de locatie waar betrokkene stond geparkeerd voor een ieder vrij toegankelijk is, deze niet voorzien is van slagbomen en deze geenszins de functie hebben om bepaalde weggebruikers de toegang te ontzeggen, is de kantonrechter van oordeel dat het terrein waar betrokkene stond geparkeerd, dient te worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor wat betreft het verweer van betrokkene dat er geen sprake was van parkeren, maar van laden en lossen overweegt de kantonrechter als volgt.

Uit de weergave van de ambtsedige verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht blijkt dat de auto van betrokkene een aantal minuten is geobserveerd en dat gedurende die tijd rond de auto en aanhangwagen geen activiteit is waargenomen.

Parkeren is volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990): “het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uit laten stappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.”

Onder het begrip "onmiddellijk laden en/of lossen" moet worden verstaan: het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring in- en uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

Dit betekent dat het laden en/of lossen waarneembaar moet zijn en wel in die zin dat degene die de auto observeert, voortdurend iemand met goederen van enige omvang of gewicht heen en weer ziet lopen. Daarbij geldt dat de goederen na het uitladen achter de deur moeten worden gezet van het pand waarvoor ze bestemd zijn. Vervolgens dient de auto op een plaats te worden geparkeerd waar dit is toegestaan. Het opbergen van de goederen of het afwikkelen van eventuele formaliteiten (tekenen van bonnen etc. in geval van beroepsmatig laden en/of lossen) dient pas daarna afgewikkeld te worden. Uitzonderingen hierop zijn denkbaar, maar daarvoor is het op zijn minst noodzakelijk dat concrete feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waarom niet gehandeld had kunnen worden zoals hiervoor is beschreven.

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet aannemelijk geworden dat zich zulke uitzonderingen hebben voorgedaan en is voldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot matiging van de opgelegde sanctie, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard

5. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.E.M. Verjans en uitgesproken ter openbare zitting.

Wanneer de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer bedraagt dan € 70,00 staat ingevolge artikel 14 WAHV tegen deze uitspraak hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof te Leeuwarden. Het beroepschrift dient ingezonden te worden bij deze sector van de rechtbank (Postbus 118, 4600 AC Bergen op Zoom). De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.

Datum toezending: