Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU9963

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
661335 cv 11-3750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering in conventie strekkende tot vergoeding van schade bestaande uit inkomensderving als gevolg van het gemis van een verhuurbare vissloep, op grond van onrechtmatige daad. Groepsaansprakelijkheid in de zin van art. 6:166 BW aangenomen. Het gedrag van gedaagden – het onbeheerd laten van het schip en het niet reageren op signalen - , dat in de zin van het Binnenvaartpolitiereglement (strafrechtelijk dus) slechts voor de “schipper” en zijn adjunct relevant is, is naar het oordeel van de kantonrechter ook onrechtmatig ten opzichte van de eigenaar van de sloep. De norm beoogt immers de veiligheid van schepen en opvarenden te waarborgen en aldus ook schade aan opvarenden en schepen te voorkómen. In die zin wordt door die norm ook de verhuurder beschermd tegen het onrechtmatig gedrag van zijn huurders. Wel slaagt het verweer van gedaagden dat sprake is van niet-nakoming van de inlichtingenplicht van verhuurder met betrekking tot de verzekering van risico’s. Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van verhuurder gelegen, om gedaagden meer dan hij heeft gedaan, op de aan het varen verbonden risico’s te wijzen, gedaagden mede te delen, dat alleen zijn casco-schade verzekerd was en dat mogelijke AVP-polissen het risico van bedrijfsschade niet dekken en hen de mogelijkheid van het sluiten van een verzekering te bieden. De gegrondheid van dit verweer behoort er, naar het oordeel van de kantonrechter toe te leiden, dat slechts de helft van de schade mag worden toegerekend aan de gedaagden en dat de andere helft voor rekening van verhuurder moet blijven. Vordering in reconventie afgewezen."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

team kanton Breda

zaak/rolnr.: 661335/CV/11-3750

vonnis d.d. 21 december 2011

inzake

[X],

wonende te [adres],

eiser, (in conventie ten aanzien van gedaagde sub 4),

verweerder in reconventie ten aanzien van gedaagde sub 4,

gemachtigde: mr. C.J. de Wit, advocaat te Vlissingen,

tegen:

1. [A],

wonende te [adres]

gedaagde,

gemachtigde: mr. T.R.M. van Bussel, werkzaam bij ARAG-Rechtsbijstand te Breda,

2. [B],

wonende te [adres],

gdaagde,

gemachtigde: mr. P.C.M. Dirven, advocaat te Etten-Leur,

in deze zaak procederend met een toevoeging onder nummer 1FC6685,

3. [C],

wonende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. Kortekaas, advocaat te Breda,

4. [D]

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. C.A.J.M. van Waes, advocaat te Den Haag.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a) het tussenvonnis van 29 juni 2011 en de daarin genoemde stukken;

b) de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte overlegging producties;

c) de brief d.d. 5 september 2011 van de gemachtigde van eiser met als bijlage het proces-verbaal van de Waterpolitie;

d) de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de comparitie van partijen van 23 september 2011;

e) de brief d.d. 30 september 2011 van de gemachtigde van eiser met als bijlage een USB-stick;

f) de akte van depot met betrekking tot genoemde USB-stick;

g) de brief van de gemachtigde van gedaagde [D] d.d. 5 oktober 2011;

h) de akte uitlating van gedaagde [A];

i) de akte uitlating van gedaagde [B];

j) de akte uitlating van gedaagde [C];

k) de akte uitlating van gedaagde [D];

l) de antwoordakte van eiser.

De inhoud van deze stukken moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De verder beoordeling in conventie en in reconventie

2.1.

De kantonrechter gaat er, gelet op de inhoud van de sub 1. k bedoelde akte van uit, dat de in de sub 1.g bedoelde brief neergelegde bezwaren tegen het in het geding brengen van de USB-stick niet langer worden gehandhaafd. Mocht die veronderstelling van de kantonrechter onjuist zijn, dan moeten die bezwaren worden verworpen. De USB-stick is blijkens het stuk 1 f ter griffie gedeponeerd en waar 3 van de 4 gedaagden en de kantonrechter in staat zijn geweest wel van de daarop geplaatste foto’s kennis te nemen, moet er van worden uitgegaan, dat [D] en zijn gemachtigde dit niveau ook konden/kunnen bereiken.

2.2.

Bij gelegenheid van de comparitie zijn door partijen nadere inlichtingen verstrekt over de gang van zaken bij de totstandkoming van de huurovereenkomst, de staat en het gebruik van de boot, het lot van de opvarenden en de boot na de aanvaring en de gestelde schade. Voor zover van belang is het volgende komen vast te staan, dan wel verklaard:

a) Het is [A] geweest, die telefonisch bij [X] de Anjo, dan wel een vissloep, heeft gereserveerd voor zaterdag 22 augustus 2009. Hij zelf verklaart, dat dat ongeveer een week tevoren is geweest en [X] verklaart, dat dat zou kunnen.

b) [A] verklaart, dat hij nooit eerder had gevaren, dus ook niet met een boot van [X]. Hij had het adres/telefoonnumer van een vriend, genaamd Willem. Die verklaring staat haaks op hetgeen hij volgens het proces-verbaal op 25 augustus 2009 heeft verklaard, namelijk dat hij in 2008 eerder met zo’n sloep is wezen varen, maar dat hij toen niet de verantwoordelijke was en ook haaks op wat [B] [A] had het plan verzonnen en gevraagd of ik ook mee wilde. [A] had het een paar keer eerder gedaan met andere vrienden”) en [D] (“Het was een initiatief van [A] (…) Niemand van ons heeft een vaarbewijs maar [A] heeft wel vaker gevaren geloof ik”) tegenover de politie verklaren. [X] zegt ter comparitie dat [A] hem heeft gezegd, dat hij een jaar eerder al bij [X] was geweest in verband met een vaartocht en dat varen (daarom) geen probleem was.

c) De huurprijs voor de Anjo bedroeg € 85,00 per dagdeel. Omdat er niet bij [X] gepind kon worden zijn [D] en [C], die onvoldoende contanten bij zich hadden, naar het dorp gegaan om daar te pinnen. Vast staat, dat alle 4 ruim € 20,00 hebben betaald aan [X]. Vast staat, dat [A] in een boekje, dat volgens [X] algemene voorwaarden bevatte en volgens [A] een kladje met daarop bedragen, zijn handtekening heeft geplaatst.

d) In de periode dat [D] en [C], die beiden, naar zij onweersproken verklaren, geen enkele vaarervaring hadden, afwezig waren om te pinnen, heeft [X] instructie gegeven aan [B] en [A]. [X] verklaart, dat hij goede tekst en uitleg heeft gegeven over zowel de boot als het vaargebied als de vaarregels, omdat hij dat altijd doet aan huurders, die nooit eerder of hooguit een enkele keer (zoals [A]) eerder zijn geweest. Die goede tekst en uitleg betroffen de bediening van de bedieningshendel (neutraal, vooruit en achteruit, zonder vergrendeling), de kaart van het gebied (visstekken en gevaarlijke plekken aangewezen, de vaarroute op de op een plank geplakte kaart aangegeven, varen in het gebied tussen groene en rode boeien aan weerszijden) en het hijsen van de ankerbol in geval van ankeren. [A] bevestigt, dat hem de kaart is uitgelegd, die aan boord was - die kaart was door inwerking van vocht wel minder leesbaar -, dat hem is gezegd dat hij tussen rood en groen moest blijven en dat het achter de boeien veilig was, en dat hem ook de werking van het anker is uitgelegd, maar hij weet niet meer, of er ook over de ankerbol is gesproken. Het onderwerp verzekering, in ieder geval verzekering tegen het risico van inkomensderving als gevolg van beschadiging van de boot, is, zo komt vast te staan, niet ter sprake gekomen.

e) [X] verklaart, dat de bedieningshendel en de motor in mei 2009 waren vernieuwd en dat de boot niets mankeerde. Er was nadien zo’n 30 á 40 keer mee gevaren. [A] en [B] (zij hebben de boot feitelijk in die volgorde gevaren, zo komt vast te staan) klagen over een los zittende kap van/onder de bedieningshendel, maar [B] verklaart ook, dat de hendel wel deed wat degene, die ‘m bediende, wilde. [A] vond de hendel wel moeilijk te hanteren. [B] en [A] verklaren, dat zij er van uitgingen, dat zij verzekerd waren tegen het risico van bedrijfsschade.

f) Als onweersproken staat vast, dat de Anjo na enige tijd varen, waarin door alle opvarenden of sommige ervan ook is gevist met de mee gehuurde hengels, is vastgelopen op een zandbank. De opvarenden slaagden er in de boot weer vlot te krijgen, zonder dat een of meer van hen daartoe van boord moesten. Een en ander wordt geweten aan een defecte dieptemeter.

g) Nadat de Anjo weer was vlot gekomen, hebben de opvarenden besloten niet langer te varen, maar voor anker te gaan. Volgens hun verklaring hebben zij dat gedaan buiten de vaargeul, dus terzijde van de boeien. Zij gingen er van uit, dat de bedieningshendel in de neutraal stand stond, en dat de motor dus niet voor voortstuwing zorgde. Het anker is, na het loskomen van de zandbank niet door [B] maar door [A] uitgegooid, zo verklaren zij.

h) Alle gedaagden verklaren, dat zij volkomen werden overvallen door de aanvaring, die naar onweersproken door [X] wordt gesteld, plaats vond op een plaats, ongeveer 10 km van de verhuurlocatie. Zij hebben niets gehoord of gezien van een naderende duwbak. Ten tijde van de aanvaring was geen van hen in de buurt van het bedieningspaneel. [D] zat wat afgezonderd te lezen, [B] en van Eck waren in of nabij de kajuit met elkaar aan het praten en [A] stond boven.

i) De Anjo is buiten aanwezigheid van partijen gelicht. Zij was volgens [X] zo zwaar beschadigd, dat herstel niet meer mogelijk was. [X] heeft besloten een privé boot om te bouwen voor de verhuur, maar het heeft alles bijeen een half jaar geduurd voordat deze boot, de Albatros, na een verbouwing en aanpassing verhuurklaar was.

j) Volgens [X] hield hij niet per boot een registratie bij van het aantal verhuringen. De huurprijzen van zijn boten variëren van € 85,00 t/m € 180,00 per dagdeel.

k) [X] zegt ter comparitie toe na te gaan of er proces-verbaal is opgemaakt van het lichten en, mogelijk, van een technisch onderzoek. In de sub 1 e bedoelde brief wordt gesteld, dat een dergelijk pv niet is opgemaakt, maar dat er wel foto’s beschikbaar zijn van de gelichte Anjo. Die worden overgelegd.

2.3.

In het incidentele vonnis van de Rechtbank Middelburg van 6 april 2011 wordt als vaststaand aangenomen, dat “gedaagden in de hoofdzaak” de Anjo hebben gehuurd. Mogelijk is de Rechtbank ontgaan, dat [C] zijn huurderschap bij antwoord heeft betwist. Wat daarvan zij, uit hetgeen hierboven sub 2.2. b en c is weergegeven, leidt de kantonrechter af, dat alle 4 gedaagden in gelijke mate hebben bijgedragen aan de huurprijs en dat zij alle 4 het genot van het gehuurde hebben gehad en dat er geen enkele aanwijzing is, dat de terbeschikkingstelling van de Anjo voor de een eerder zou eindigen dan de ander: het was “samen uit samen thuis”. Ook al lag het initiatief bij [A] en ook al heeft hij “getekend”, en ook al heeft [X] slechts [A] en [B] geïnstrueerd, de kantonrechter is van oordeel dat voor alle 4 gedaagden wordt voldaan aan het vereiste van huurderschap.

2.4.

De primaire grondslag van de vordering van [X] is onrechtmatige daad. Volgens [X] hebben de 4 gedaagden onrechtmatig jegens hem gehandeld door geen voorziening te treffen voor de uitkijk, nadat [B] van het roer was weggelopen en zich er niet van had vergewist of de bedieningshendel van de motor wel in de stand “neutraal” stond en door onoplettend en onachtzaam te zijn, toen de duwbak naderde en die nadering “meldde” via de intercom en via het afgeven van een geluidssignaal gedurende 30 seconden. Die onrechtmatige daad heeft geleid tot schade, te weten de teloorgang van de Anjo. Een deel van de schade (de waarde van het schip) is vergoed door de verzekeraar van [X], maar een ander deel, de inkomensderving als gevolg van het gemis van een verhuurbare vissloep, is niet verzekerd en behoort volgens [X] voor rekening van gedaagden te komen. Die schade wordt gesteld op € 5.250,00, te vermeerderen met een bedrag van € 385,00 aan buitengerechtelijke kosten.

2.5.

Door gedaagden, die elk een conclusie van antwoord hebben genomen, zijn deels dezelfde verweren gevoerd, maar er zijn ook verweren, die slechts door 1 of 2 van hen zijn gevoerd. In de kern betreffen de verweren:

1) de niet-nakoming van de inlichtingen- en instructieplicht van [X] bij aanvang van de verhuur, waar het gaat om de bediening van de boot, de vaarwegen en de vaarregels;

2) de niet-nakoming van de inlichtingenplicht van [X] met betrekking tot de verzekering van risico’s;

3) de onrechtmatigheid van het handelen of nalaten van het collectief van de gedaagden en van elke gedaagde afzonderlijk;

4) de staat van het gehuurde, in het bijzonder de bedieningshendel, de dieptemeter en het anker

5) de omvang en de toerekenbaarheid van de schade

6) de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten.

2.6.

De kantonrechter zal eerst het derde verweer behandelen. In het door [X] overgelegde proces-verbaal van de Waterpolitie wordt door de verbalisant verklaard, dat uit de radarbeelden van de post Wemeldinge blijkt, dat de vissloep wel vaart door het water liep en op het moment van de aanvaring in zuidwestelijke richting voer met een gemiddelde snelheid van 7 km per uur. De stroomsnelheid (het was hoog water) was 2 km per uur, de wind kwam uit het Noorden en bedroeg 3 Beaufort, en de Anjo voer gedeeltelijk voorstroom en gedeeltelijk tegenstroom. De sloep voer geen vaste koers. Eerst werd de Aanloop Wemeldinge overgestoken van west naar oost. Dan werd in noordwestelijke richting gevaren, dan in noordoostelijke richting en vervolgens weer in zuidwestelijke richting. Bij deze laatste koers zou weer de aanloop Wemeldinge overgestoken worden. De kantonrechter begrijpt uit hetgeen de verbalisant met betrekking tot de verklaring van [B] over de bedieningshendel opmerkt, dat aan het vaargedrag (het vaart lopen) van de Anjo een niet-neutrale stand van de hendel ten grondslag moet liggen en dat het voortstuwingsmechanisme van de boot feitelijk in werking was. Uit de verklaringen van de schipper van de duwboot, Eichhorn en de schipper van het zeiljacht, Houbolt, blijkt, dat de duwboot enige tijd voor de aanvaring langdurig (Eichhorn spreekt van 30 seconden) een geluidssignaal heeft afgegeven, omdat de Anjo de duwboot vanuit het noordoosten naderde (Eichhorn spreekt van een behoorlijke snelheid, Houbolt vond dat het sloepje niet hard voer), en niet blijkt van enige “reactie” op dat signaal van de Anjo.

Ook als [B] er van uitging – en van uit mocht gaan -, dat de bedieningshendel in de neutrale stand stond en dat de motor stationair draaide en ook als er van uitgegaan mag worden, dat het anker was uitgeworpen, dan nog mocht van [B] gelet op de aanwezige stroming, het drukke recreatieverkeer en de matige wind, worden verwacht, dat hij periodiek controleerde, of de boot inderdaad buiten de vaargeul lag, dan wel een of meer van zijn medeopvarenden vroeg zo nu en dan eens de positie van het schip te bekijken. Juist, omdat niet blijkt, dat de gedaagden onderling duidelijke afspraken hadden gemaakt over het schipperschap en [B] geen vaarervaring had, had ook van de anderen mogen worden verwacht, dat zij een minimale oplettendheid aan de dag legden. Uit de beschrijving van de verbalisant in het proces-verbaal kan geen andere conclusie worden getrokken, dan dat die minimale oplettendheid van de opvarenden er gedurende geruime tijd – waarin een behoorlijke afstand is overbrugd en het uitzicht vanaf de Anjo zich steeds moet hebben gewijzigd - niet is geweest en dat ook een langdurig geluidssignaal van de duwboot, dat door de tegemoetkomende Houbolt wel is gehoord, door de opvarenden van de van opzij komende Anjo niet, niet tot oplettendheid heeft geleid: de 4 werden door de aanvaring totaal overvallen.

Ook al hebben [C] en [D] bij het varen geen actieve betrokkenheid gehad, de omstandigheid, dat zij medehuurders waren en wisten, dat [B] geen en [A] een zeer beperkte vaarervaring hadden en hadden ervaren, dat het varen niet van een leien dakje ging (de Anjo had immers vastgezeten op een zandbank) verlangde van hen meer dan passiviteit. In de zin van art. 6: 166 B.W. is er, naar het oordeel van de kantonrechter, sprake van groepsaansprakelijkheid.

De vraag is vervolgens of het gedrag van gedaagden – het onbeheerd laten van het schip en het niet reageren op signalen - , dat in de zin van het Binnenvaartpolitiereglement (strafrechtelijk dus) slechts voor de “schipper” en zijn adjunct ([A] en [B]) relevant is, ook onrechtmatig is ten opzichte van [X] als eigenaar van de Anjo. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval. De norm beoogt immers de veiligheid van schepen en opvarenden te waarborgen en aldus ook schade aan opvarenden en schepen te voorkómen. In die zin wordt door die norm ook de verhuurder beschermd tegen het onrechtmatig gedrag van zijn huurders.

De conclusie moet luiden, dat het derde verweer moet worden verworpen, dat moet worden uitgegaan van de onrechtmatigheid van het gedrag van de gedaagden en dat de overige verweren moeten worden gelezen in het kader van de primaire grondslag van de vordering.

2.7.

Met betrekking tot het eerste verweer overweegt de kantonrechter, dat mogelijk de instructie op een aantal punten niet volledig is geweest – bv het hijsen van de ankerbol, de traceerbaarheid van zandbanken en de voorrangsregels op het water -, maar dat niet is gebleken, dat op het punt van de bediening van de bedieningshendel (vooruit, stationair en achteruit), het gebruik van het anker en de beboeiing, die instructie voor degenen, die feitelijk hebben gevaren, onvoldoende is geweest. Het zijn de laatste punten – en niet de eerst genoemde – die een rol hebben gespeeld bij de aanvaring.

Wat betreft het vierde verweer geldt in de kern hetzelfde. Het gestelde niet-functioneren van de dieptemeter verklaart wel het aan de grond lopen, maar is voor de aanvaring en het daaraan voorafgegane gedrag niet relevant. De eventuele roestigheid van het anker staat het functioneren van het anker niet in de weg. En de kap van/onder de hendel mag dan los hebben gezeten, het functioneren van de hendel stond dat niet in de weg. In het verband van de klachten over het functioneren van dieptemeter, hendel en anker is nog van belang, dat [B] volgens het proces-verbaal bij de politie verklaart, dat de gedaagden omstreeks 9.30 uur zijn gaan varen en dat zij rond 10.30 uur nog zijn terug geweest om cd’s uit de auto te halen. Als er iets niet naar behoren functioneerde had het voor de hand gelegen als gedaagden van de gelegenheid gebruik hadden gemaakt om [X] om reparatie of een “gebruiksaanwijzing” te vragen.

2.8.

Het tweede verweer van gedaagden snijdt daarentegen wel hout. Van de 4 jongemannen, die zich op 22 augustus 2009 rond 9.00 bij [X] vervoegden, beschikte er slechts 1 over een beperkte vaarervaring. Die ervaring was in de ogen van [X] zo beperkt, dat hij de volledige uitleg en instructie heeft gegeven. Niet blijkt, dat een van de drie anderen zich heeft voorgedaan als iemand met vaarervaring. [X] viel al aanstonds op, dat er het een en ander aan drank aan boord ging – overigens bleek bij de na de aanvaring afgenomen blaastesten, dat geen van de 4 meer had gedronken dan op het water toegestaan – en ook viel hem de luide muziek op. Het moet hem dus duidelijk zijn geweest, dat hij hier niet zo zeer te maken had met doorgewinterde vissers of watersporters, maar met jonge mannen, die zonder veel pretenties een mooie dag op het water wilden doorbrengen. Niet ongebruikelijk is, zo verklaarde [X] ter comparitie, dat huurders van zijn boten zich een eind van de thuishaven verwijderen, 10 km of verder. De Oosterschelde wordt ook door de beroepsvaart bevaren en niet ver van Yerseke, bij Wemeldinge, bevindt zich de monding van het Kanaal door Zuid-Beveland. Er zijn zandbanken en slikken. Vast staat, dat huurders niet over een vaarbewijs behoeven te beschikken. Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van [X] als verhuurder gelegen, om gedaagden meer dan hij heeft gedaan, op de aan het varen verbonden risico’s te wijzen, gedaagden mede te delen, dat alleen zijn casco-schade verzekerd was en dat mogelijke AVP-polissen het risico van bedrijfsschade niet dekken en hen de mogelijkheid van het sluiten van een verzekering te bieden.

De gegrondheid van dit verweer behoort er, naar het oordeel van de kantonrechter toe te leiden, dat slechts de helft van de schade mag worden toegerekend aan de gedaagden en dat de andere helft voor rekening van [X] moet blijven.

2.9.

Het resterende deel van het vijfde verweer stelt de vraag aan de orde, welke inkomsten [X] heeft gederfd als gevolg van het niet kunnen beschikken over de Anjo. De kantonrechter stelt voorop, dat geen van de gedaagden, na kennisneming van de beelden van de gelichte Anjo het standpunt inneemt, dat deze nog wel voor reparatie vatbaar was en dat daarmee veel minder tijd zou zijn gemoeid dan de 6 maanden, waarop [X] nu aanspraak maakt. [X] heeft volgens zijn verklaring een privé boot geschikt gemaakt voor de verhuur en de werkzaamheden hebben in totaal 26 weken in beslag genomen. Blijkens de website van [X] – door de kantonrechter op 6 december 2011 geraadpleegd - is de Albatros de enige van de 5 boten van [X], waarvan de huurprijs op aanvraag verkrijgbaar is. De andere 4 boten hebben een huurprijs, die iets of een stuk hoger ligt dan de € 85,00 voor de Anjo. Aannemelijk is, dat de “luxe” verbouw tot Albatros langer in beslag heeft genomen dan de verbouw van een boot tot een met de Anjo vergelijkbaar schip. De kantonrechter gaat uit van 4 maanden.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over de verhuurfrequentie van de Anjo in 2008 en 2009. Ook zijn geen gegevens verstrekt over de “pieken en dalen” in de verhuur. Aannemelijk acht de kantonrechter, dat het type huurders als gedaagden vooral ’s zomers voorkomt. Niet is gesteld of gebleken, dat er ook een type huurder is, dat niet in de zomer maar vooral in de late herfst en winter op een boot van [X] afkomt. Bovendien is nog van belang, dat inkomstenverlies niet hetzelfde is als omzetverlies, nu immers ook kosten worden bespaard. De kantonrechter acht aannemelijk, dat die bespaarde kosten beperkt zijn tot ruim 15 % van de huurprijs en dat de netto inkomsten per dagdeel € 70,00 bedragen.

Uitgaande van een “hoogseizoen” in de periode mei t/m augustus en van een door [X] ter comparitie genoemde verhuur in de periode eind mei t/m augustus van 35 keer, berekent de kantonrechter de derving van inkomsten op 75/100 x 4/3 x 35 x € 70, ofwel € 2.450,00.

2.10.

De conclusie moet luiden, dat toewijsbaar is een bedrag van € 1.225,00.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [X] de post buitengerechtelijke kosten voldoende onderbouwd en is deze post slechts door 1 van de gedaagden inhoudelijk weersproken. Toewijsbaar is een bedrag van € 150,00. Gedaagden zullen hoofdelijk worden veroordeeld. De kantonrechter wijst gedaagden, wellicht ten overvloede, op het bepaalde in het tweede lid van art. 166.

2.11.

Resteert de vordering in reconventie. Deze is gebaseerd op de stelling, dat [X] onrechtmatig heeft gehandeld door een niet volwaardige sloep te verhuren, geen goede instructies en vaarkaarten te verschaffen, hem niet te instrueren over de voorrangsregels te water en geen mogelijkheid tot verzekering te bieden en voorts dat [X] in strijd heeft gehandeld met zijn zorgplicht als verhuurder. Zijn schade bestaat uit de kosten, die voortkomen uit het verlies van sleutels en mobiele telefoon (€ 300,00) en uit verlies aan inkomen en immateriële schade (€ 1.700).

[X] bestrijdt zijn aansprakelijkheid en betwist de opgevoerde posten.

2.12.

Uit hetgeen in conventie is overwogen vloeit voort, dat de primaire grondslag niet deugdelijk is. Enerzijds is in conventie vastgesteld, dat niet kan worden gesproken van een onvolwaardige sloep en van het verzaken van de instructieplicht ten aanzien van het vaartuig zelf, de kaarten en de vaarregels. Anderzijds moet gelden, dat het niet bieden van de mogelijkheid tot verzekering niet in causaal verband staat tot het ontstaan van de door [D] gestelde schade.

Wat het goed verhuurderschap betreft: daarvoor geldt hetzelfde.

Dat betekent, dat de door [D] geleden schade voor zijn rekening moet blijven. In dit verband overweegt de kantonrechter nog wel, dat hem ter comparitie voldoende duidelijk is geworden, dat de aan-, of beter gezegd over-varing er bij de gedaagden behoorlijk heeft “ingehakt” en de kantonrechter acht aannemelijk, dat [D], die als eerste boven water kwam en enige tijd zijn maten miste, zeer is geschrokken. [X] doet daar wel wat erg luchtig over.

3. De kosten in conventie en in reconventie

Gelet op de uitkomst van deze procedure zal de kantonrechter gedaagden verwijzen in 50 % van de kosten in conventie van de procedure, aan de zijde van [X] gevallen, waarbij voor wat betreft het salaris wordt aangesloten bij het uiteindelijk toewijsbaar geoordeelde bedrag. De kosten in conventie zullen voor het overige worden gecompenseerd.

[D] zal worden verwezen in de kosten van de reconventie.

4. De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk zo dat wanneer de een betaalt de ander zal zijn bevrijd om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen een som van € 1.375,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 augustus 2011 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk zo dat wanneer de een betaalt de ander zal zijn bevrijd in 50% van de proceskosten, aan de zijde van eiser tot deze uitspraak in totaal begroot op

€ 470,83 waar¬onder € 300,-- als salaris voor de gemachtigde van eiser en veroordeelt gedaagden tot die helft, groot € 235,42 en compenseert de kosten voor het overige;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van verweerder tot deze uitspraak in totaal begroot op € 150,-- als salaris voor de gemachtigde van verweerder.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wallis en uitgesproken op de openbare terecht¬zitting van 21 december 2011.