Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU9593

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
242242/FT-RK 11.1863
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing schuldsaneringsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team insolventierecht

afwijzing schuldsanering

rekestnummer: 242242/FT-RK 11.1863

nummer verklaring: BOZ0111101867

uitspraakdatum: 28 december 2011

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoeker,

1. Het verloop van de procedure.

Het verzoekschrift met bijlagen.

2. Het geding.

Dit strekt ertoe te beoordelen of de schuldsaneringsregeling kan worden verleend.

3. De beoordeling.

Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 19 december 2011. Daarbij is verzoeker gehoord.

Ter zitting heeft verzoeker onder meer verklaard dat hij in 2010 een hennepkwekerij in zijn woning heeft gehad. Deze kwekerij is in juli 2010 door de politie ontdekt. Volgens verzoeker heeft hij maar één keer geoogst en daarmee heeft hij naar eigen zeggen een opbrengst van Euro 1.200,-- behaald. Verzoeker heeft voorts verklaard dat hij ter zake van de hennepkwekerij door de strafrechter is veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur. Daarnaast is hij veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de Staat ter ontneming van het voordeel dat verzoeker wederrechtelijk heeft verkregen met de hennepkwekerij. Blijkens het bij het verzoekschrift overgelegde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 november 2011 gaat het hier om een ontnemingsvordering van Euro 1.200,--. Volgens verzoeker heeft hij nog niets betaald op deze vordering, omdat het hof pas onlangs uitspraak heeft gedaan. Verder heeft verzoeker verklaard dat hij de werkstraf nog niet volledig heeft uitgevoerd; naar eigen zeggen moet hij nog ongeveer 30 uur werken.

Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij als gevolg van de hennepkwekerij een schuld aan het UWV heeft van Euro 2.274,40. Het gaat hier volgens verzoeker om een teruggevorderde ziektewetuitkering over een periode van tien weken in 2010. Het UWV vordert de door verzoeker ontvangen ziektewetuitkering over deze periode terug, omdat hij in die periode inkomsten had uit de hennepkwekerij.

Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker een schuld van Euro 1.200,-- heeft die voortvloeit uit een veroordeling als bedoeld in artikel 358 lid 4 onder b van de Faillissementswet, ter zake van een misdrijf. Nu deze veroordeling voorts pas zeer recentelijk onherroepelijk is geworden, moet het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 2 onder c van de Faillissementswet. De rechtbank heeft daarbij in ogenschouw genomen dat het onderhavige verzoekschrift op 15 november 2011 is ingediend, terwijl de veroordeling tot betaling van Euro 1.200,-- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel pas kort daarna onherroepelijk is geworden. Strikt genomen is er dus geen sprake van een veroordeling die onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar vóór de dag van het verzoekschrift, zoals in bovengenoemd wetsartikel is bepaald. De rechtbank is echter van oordeel dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt dat aan toepassing van de schuldsaneringsregeling ook in de weg staat een schuld die voortvloeit uit een strafrechtelijke veroordeling als de onderhavige welke veroordeling eerst kort na indiening van het verzoekschrift onherroepelijk is geworden. Dit geldt temeer nu in artikel 288 lid 2 onder c van de Faillissementswet is bepaald dat de rechter ook een langere termijn in acht kan nemen dan de periode van vijf jaar voorafgaande aan het verzoekschrift.

Tenslotte overweegt de rechtbank nog dat zij verzoeker niet te goeder trouw acht ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het UWV van Euro 2.274,40, aangezien deze schuld het gevolg is van een door verzoeker gepleegd misdrijf, te weten het exploiteren van een hennepkwekerij. Nu deze schuld voorts is ontstaan in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de indiening van het onderhavige verzoekschrift, is ten aanzien van verzoeker niet voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder b van de Faillissementswet. Het verzoek moet daarom ook op deze grond worden afgewezen.

4. De beslissing.

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hulskes, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 december 2011 in tegenwoordigheid van de griffier, zijnde de griffier buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.