Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU9134

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
11/3387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van een aantal omwonenden tegen een met vrijstelling verleende bouwvergunning voor de realisering van een basisschool met kinderopvang en twee gymzalen aan de [adres] te Breda. Naast enkele procedurele gebreken, heeft het college van B en W van Breda naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek gedaan naar de parkeersituatie en de verkeersveiligheid bij de nieuwe school. Verder moet aanvullend onderzoek plaatsvinden naar de luchtkwaliteit en archeologie, naar de gevolgen voor de flora en fauna en naar de gevolgen van het bouwplan voor de privacy en het woongenot van de omwonenden, waarbij ook akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Ten slotte moet nader onderzoek plaatsvinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan. Omdat de uitkomsten van deze onderzoeken kunnen leiden tot een ander besluit, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en draagt verweerder op opnieuw op de bezwaren te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 11 / 3387 WRO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[eiser 1],

[eiser 2],

[eiser 3],

[eiser 4],

[eiser 5],

[eiser 6],

[eiser 7],

wonende te Breda, eisers,

gemachtigde mr. F.H. Damen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda,

verweerder.

1. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 mei 2011 (bestreden besluit), inzake een vrijstelling van een bestemmingsplan en een verleende reguliere bouwvergunning aan de afdeling Bouwprojectmanagement en Onderhoud Gebouwen van de directie Stadsbedrijven van gemeente Breda (vergunninghouder) voor het oprichten van een basisschool met kinderopvang en twee gymzalen aan de [adres] te Breda.

Het beroep is tezamen met zaak 11/2202 behandeld ter zitting van 11 oktober 2011, waarbij aanwezig waren eisers en hun gemachtigde mr. F.H. Damen en namens verweerder [woordvoerder verweerder 1], [woordvoerder verweerder 2] en [woordvoerder verweerder 3]. Voorts waren aanwezig namens vergunninghouder [woordvoerder vergunninghouder 1] en [woordvoerder vergunninghouder 2].

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, waarop nog nadere stukken zijn ingediend. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek op 29 november 2011 gesloten.

2. Beoordeling

2.1 Op 24 juni 2008 heeft vergunninghouder aan verweerder gevraagd om verlening van een vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Breda Zuid” (bestemmingsplan) ten behoeve van het oprichten van een basisschool, kindercentrum en twee gymzalen aan de [adres] te Breda.

Het perceel [adres], waarop een voormalig postkantoor staat, heeft de bestemming “woondoeleinden”. Op het perc[adres] staat een - verouderd - schoolgebouw en semi-permanente huisvesting. Op dit perceel rust de bestemming “bijzondere doeleinden”. Deze locatie wordt aangemerkt als ontwikkelingslocatie, hetgeen inhoudt dat binnen de in het plan aangegeven randvoorwaarden verdichting, respectievelijk aanvullende bebouwing mogelijk is.

Het voornemen van verweerder om vrijstelling te verlenen is gepubliceerd op 1 oktober 2008 en belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende zes weken hun zienswijzen kenbaar te maken. Eisers hebben hun zienswijzen tijdig kenbaar gemaakt.

Verweerder heeft de door eisers ingediende zienswijzen tegen de verlening van de vrijstelling ongegrond verklaard. Bij besluit van 23 december 2009 (primair besluit I) heeft verweerder een vrijstelling conform artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend onder de voorwaarde dat er nog een archeologisch onderzoek wordt overgelegd en dat de aanbevelingen uit dit onderzoek worden opgevolgd.

Op 26 april 2010 heeft vergunninghouder een reguliere bouwvergunning voor de realisering van het bouwplan aangevraagd. Bij besluit van 16 augustus 2010 (primair besluit II) heeft verweerder de bouwvergunning verleend.

Eisers, allen eigenaars van percelen grenzend aan de bouwlocatie, hebben bezwaar gemaakt tegen het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning.

Bij bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers ten aanzien het aspect verkeersveiligheid gegrond verklaard en, onder verbetering van de motivering ten aanzien van de verkeersveiligheid, de primaire besluiten in stand gelaten. Daartoe heeft verweerder ten aanzien van het vrijstellingsbesluit in hoofdzaak aangevoerd dat het bouwplan, ook qua verkeersveiligheid, ruimtelijk inpasbaar is, de inspraak en terinzagelegging van stukken heeft voldaan aan de wettelijke normen en dat verweerder in de afweging van belangen een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het maatschappelijk belang van realisering van het bouwplan dan aan de individuele belangen van omwonenden. Ten aanzien van de verleende bouwvergunning heeft verweerder aangegeven dat de commissie Ruimtelijke kwaliteit een positief advies over het bouwplan heeft gegeven. Er is dus niet gebleken van strijd met de redelijke eisen van welstand. De bouwplannen zijn voorts niet in strijd met het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening. De bouwvergunning is dus terecht verleend.

2.2 Blijkens de gedingstukken en de behandeling ter zitting staan eisers op het standpunt dat de realisering van de school met kinderopvang en gymzalen in de door vergunninghouder voorgestane zin planologisch en stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is. Ook wijzen ze op een aantal tekortkomingen in de door verweerder gevolgde procedure. De besluitvorming, waaronder de wijze van inspraak die door verweerder is geboden en de terinzagelegging van stukken is onzorgvuldig geweest, verweerder heeft onterecht nagelaten alternatieven te onderzoeken en het besluit is onvoldoende gemotiveerd. Bovendien is vergunninghouder, anders dan in de aanvraag voor de bouwvergunning is aangegeven, geen eigenaar van het te bebouwen perceel.

Eisers wijzen op een aantal aspecten die, naar hun mening, tot gevolg heeft dat het thans ter discussie staande bouwplan niet op deze wijze en op die plaats in de wijk gebouwd zou moeten worden. Zij stellen dat de ruimtelijke onderbouwing deels onvoldoende en deels onjuist is. Het bouwplan biedt geen soulaas voor de beweerdelijke doeleinden, zoals het oplossen van een tekort aan leslokalen, gymzalen en kinderopvangfaciliteiten. De toename van het verkeer heeft invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Verweerder heeft deze gevolgen niet onderzocht. Daarnaast heeft verweerder onterecht geen aandacht besteed aan geluidsaspecten. Daarnaast betogen eisers dat de bouw en het gebruik van de in geding zijnde school zal leiden tot een onveilige verkeerssituatie en parkeeroverlast. Qua verkeerscirculatie leidt het plan tot een onaanvaardbare situatie, aldus eisers. Een financiële onderbouwing van het project ontbreekt in het geheel. Er is niet gekeken naar de invloed op flora en fauna. Voor zover er archeologisch onderzoek is gedaan, ontbreken de resultaten daarvan in de ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft bovendien onterecht geen rekening gehouden met het bestaande recht van overpad van eisers. Eisers komen tot de conclusie dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen in het besluit tot vergunningverlening. Zij voeren daartoe aan dat de te bouwen school een ontoelaatbare invloed zal hebben op hun woon- en leefomgeving, gelet op de schaduwwerking en de aantasting van hun privacy. Ten onrechte heeft verweerder de niet nader onderbouwde maatschappelijke belangen die gemoeid zijn met de realisatie van het plan laten prevaleren boven de belangen van eisers.

Eisers willen dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Eisers vragen de rechtbank daarnaast om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door hen gemaakte proceskosten.

2.3.1 Per 1 juli 2008 is de WRO vervallen en vervangen door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden, en bij die gelegenheid zijn de Wro en de Woningwet (Wonw) ingrijpend gewijzigd.

Verweerder heeft de thans ter discussie staande aanvraag om vrijstelling van het bestemmingsplan vóór 1 juli 2008 ontvangen. Daarom moet de vrijstelling worden getoetst aan de WRO en de Wonw zoals deze wetten op 30 juni 2008 golden.

Verweerder heeft de bouwvergunningsaanvraag van 26 april 2010 na 1 juli 2008 maar vóór

1 oktober 2010 ontvangen. Daarom moet de bij het bestreden besluit verleende bouwvergunning worden getoetst aan de Wonw zoals deze wet op 30 september 2010 gold.

Een en ander vloeit voort uit het overgangsrecht ingevolge de Wabo en de Wro.

2.3.2 Ingevolge artikel 40, eerste lid van de Wonw is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van de Wonw moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met respectievelijk de bouwverordening, een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld en redelijke eisen van welstand.

Artikel 46, zesde lid, van de Wonw bepaalt dat de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt geacht deel uit te maken van het besluit waarop zij betrekking heeft.

In artikel 59, eerste lid onder a, van de Wonw is, voor zover hier van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk kunnen intrekken indien blijkt dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend.

2.3.3 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO – voor zover hier relevant – kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

In artikel 19, tweede lid, van de WRO is, voor zover hier van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.3.4 Artikel 5.16, eerste lid aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer (Wm) bepaalt, voor zover hier van belang, dat bestuursorganen van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik maken van een of meer van de in dit artikel opgenomen gronden en zij maken daarbij aannemelijk dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin.

In artikel 2 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is, voor zover hier van belang, bepaald dat de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bijdraagt indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt.

2.3.5 Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening 2007 van de gemeente Breda moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag ontheffing kan verlenen van het bepaalde in het eerste en het vierde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- en stallingsruimte, dan wel laad- en losruimte is voorzien;

c. aan een ontheffing kan als voorwaarde worden verbonden dat de vergunninghouder verplicht is een door het bevoegd gezag vastgesteld bedrag in het parkeerfonds te storten, tenzij het bevoegd gezag van mening is dat op grond van gewichtige omstandigheden deze verplichting achterwege dient te blijven.

2.4 Aan de orde is of verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid van de WRO respectievelijk een bouwvergunning heeft mogen verlenen voor het voorliggende bouwplan aan de [adres] te Breda.

2.4.1 Ter inzage legging stukken

Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte een aantal stukken waarnaar verwezen wordt in de ruimtelijke onderbouwing niet ter inzage heeft gelegd. Verweerder heeft aangegeven dat volstaan kon worden met een samenvatting van de rapporten waarop de ruimtelijke onderbouwing is gebaseerd. Die samenvattingen geven voldoende inzicht, aldus verweerder.

De rechtbank volgt eisers in hun betoog. Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het (ontwerp van het) besluit, zodat zij kunnen bezien of zij daartegen willen opkomen. Daartoe dienden zij te beschikken over de stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpbesluit, omdat in de ruimtelijke onderbouwing daarnaar wordt verwezen en het besluit kennelijk mede daarop is gebaseerd.

Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat met de weergave van de conclusies van de betreffende stukken in de ruimtelijke onderbouwing is voldaan aan het bepaalde in artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat belanghebbenden, naar het oordeel van de rechtbank, aldus niet in staat worden gesteld zich zelfstandig een oordeel te vormen over de informatie die in deze stukken is vervat. Zij behoeven er juist immers niet op te vertrouwen dat de in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen resultaten en conclusies alle relevante informatie bevatten. Ter zitting is bovendien gebleken dat eisers nog steeds niet alle betrokken stukken ter inzage hebben gekregen.

Gelet op het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd. Ten behoeve van een finale geschilbeslechting zal de rechtbank in het hierna volgende de overige door eisers aangevoerde beroepsgronden bespreken.

2.4.2 Inspraak

Eisers hebben aangevoerd dat zij ten onrechte geen inspraak hebben gehad in het bouwplan, alvorens het ter inzage werd gelegd.

Verweerder heeft aangegeven dat er voldaan is aan de ter zake doende wettelijke verplichtingen.

Er zijn geen wettelijke bepalingen die verweerder verplichten tot het geven van inspraak op een ontwerp voor een bouwplan. Ook aan de stelling van eisers dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, gaat de rechtbank voorbij, nu uit de gedingstukken is gebleken dat er met de omwonenden overleg is gevoerd en het bouwplan nog is aangepast aan de hand van de opmerkingen van de omwonenden. De beroepsgrond slaagt niet.

2.4.3 Eigendom bouwperceel

Eisers hebben zich er voorts op beroepen dat in de aanvraag bouwvergunning van 26 april 2010 is aangegeven dat de Gemeente Breda eigenaar is van het perceel waarop gebouwd zal worden, terwijl dit niet het geval is.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat de gemeente ten tijde van de aanvraag en ook thans nog geen eigenaar van het perceel is, maar er is inmiddels wel een overeenkomst gesloten met [eigenaar perceel], de huidige eigenaar van het perceel. Thans zijn er onderhandelingen gaande over de datum van levering van het perceel aan verweerder. Levering zal zeker plaats gaan vinden.

De rechtbank constateert met eisers dat in de aanvraag voor de bouwvergunning is aangegeven dat er op eigen grond gebouwd zal worden en dat daarmee ten onrechte is gepretendeerd dat de gemeente Breda eigenaar is van het perceel is. Dat door een bestuurslichaam onjuiste gegevens zijn vermeld in de aanvraag acht de rechtbank kwalijk. Ingeval gesproken kan worden van een op grond van een onjuiste of onvolledige opgave verleende bouwvergunning, levert dit de intrekkingsgrond genoemd in artikel 59, eerste lid, Wonw op. Uit het enkele feit dat niet de juiste eigendomsverhouding is vermeld op het aanvraagformulier, volgt echter nog niet dat de bouwvergunning nimmer in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of voldoende (juiste) gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Mede gelet op de bezwaargronden had verweerder moeten onderzoeken of aannemelijk was dat het perceel aan vergunninghouder zou worden geleverd. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten.

2.4.4 De vrijstelling

De rechtbank constateert met partijen dat het bouwplan zich niet verdraagt met het bestemmingsplan. De basisschool met kinderopvang en gymzalen worden immers (mede) gesitueerd op gronden waaraan het bestemmingsplan de bestemming “Woondoeleinden” heeft gegeven. De aanvraag van 24 juni 2008 is door verweerder dan ook terecht aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan.

Niet in geding is dat aan de formele voorwaarden voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO is voldaan. Een door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant afgegeven verklaring van geen bezwaar was niet vereist. Met inachtneming hiervan spitst het geschil zich toe op de vraag of het onderhavige project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Ten aanzien van de vraag of de ruimtelijke onderbouwing als voldoende draagkrachtig beschouwd kan worden, stelt de rechtbank voorop dat artikel 19, tweede lid, van de WRO aan verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid geeft en dat de bestuursrechter het gebruik van deze vrijheid slechts terughoudend mag toetsen. Daarnaast heeft te gelden dat naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime groter is, er zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

Het bouwplan voorziet in de oprichting van een basisschool, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang en twee gymzalen aan de [adres] te Breda. Een deel van de voorzieningen zal gesitueerd worden in het bestaande schoolgebouw dat zich op het perceel bevindt. Het bouwplan is geprojecteerd op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Breda-Zuid” deels de bestemming “woondoeleinden” ([adres]) en deels de bestemming “bijzondere doeleinden” ([adres]) rust. Het bouwplan voorziet in een gebouw met drie bouwlagen aan de voorzijde met een hoogte van 11 meter. De gymzalen krijgen een hoogte van 7,5 meter. De overige bebouwing van de nieuwbouw bestaat grotendeels uit twee bouwlagen met een hoogte van 7,5 meter. Het kinderdagverblijf zal worden gehuisvest in het oude schoolgebouw. Gelet op een en ander maakt het bouwplan naar het oordeel van de rechtbank een betekenende inbreuk op de bestaande planologische regeling.

De ruimtelijke onderbouwing die aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag ligt is opgesteld door Compositie 5 Stedenbouw B.V. (Compositie 5). Eisers hebben niet betwist dat Compositie 5 Stedenbouw B.V. deskundig, onafhankelijk en onpartijdig is. Mede geleet hierop mocht verweerder bij de beslissing op het vrijstellingsverzoek in beginsel doorslaggevend gewicht toekennen aan de door Compositie 5 getrokken conclusies, tenzij het rapport van 21 december 2009 - de ruimtelijke onderbouwing waarop verweerder zich baseert - wat betreft de wijze van totstandkoming of inhoud ernstige gebreken vertoont.

De rechtbank zal de inhoudelijke gronden van eisers ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing die verweerder aan het besluit tot vrijstelling ten grondslag heeft gelegd per thema bespreken.

Doel van het bouwplan

Eisers stellen dat de plannen geen oplossing bieden voor beweerdelijke doeleinden. Het plan zal niet de huidige problemen van dependances en noodgebouwen wegnemen. Voorts is er geen sprake van groei van de populatie. De prognoses die verweerder in de onderbouwing hanteert, kloppen niet.

De nieuwbouw is niet bedoeld om de huidige problematiek betreffende de dependances en noodlokalen op te lossen, aldus verweerder. Prognoses wijzen op een aanzienlijk lokalentekort in de toekomst. Een school met kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang en gymlokalen op één locatie draagt bij aan de door verweerder gewenste integratie van voorzieningen.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen vaststaat dat de nieuwbouw niet zal voorzien in de het oplossen van de problematiek van meerdere locaties. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in voldoende mate heeft onderbouwd dat het bouwplan een bijdrage kan leveren aan het verminderen van het lokalentekort. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de nieuw te bouwen school niet alleen bestemd is voor kinderen uit de wijk, maar daarnaast ook voor kinderen uit andere wijken van Breda.

Alternatieven

Ook het betoog van eisers dat verweerder onderzoek had moeten doen naar eventuele alternatieven slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de AbRS op 8 september 2010, LJN: BN6179) kan, indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.

Parkeren

Eisers betogen dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare parkeeroverlast. Verweerder is van een te laag aantal benodigde parkeerplaatsen uitgegaan en de door verweerder aangevoerde oplossing, parkeren op h[alternatief], biedt geen soelaas. Bovendien is het verplicht om op eigen terrein parkeergelegenheid te scheppen. Verweerder had de mogelijkheden daartoe moeten onderzoeken. Door dit niet te doen heeft verweerder het in het eigen beleid opgenomen stappenplan niet gevolgd. Er wordt daarnaast onterecht geen compensatie gestort in het parkeerfonds van de gemeente.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op de voor het bestemmingsplan geldende parkeernormen, 2.0 parkeerplaats per leslokaal, gecreëerd moet worden waarvan de helft uit kiss & ride plaatsen bestaat die in openbaar gebied gerealiseerd kunnen worden. Voor de buitenschoolse opvang (BSO) is geen norm bepaald omdat de BSO valt onder de basisschool en het kinderdagverblijf. Voor een gymzaal geldt een norm van 2.0 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlakte. Er behoeft voorts alleen rekening gehouden te worden met de toename aan parkeerbehoefte, aldus verweerder. Er wordt in de ruimtelijke onderbouwing uitgegaan van een behoefte aan 24 parkeerplaatsen, waarin door middel van de parkeergelegenheid op het [alternatief] wordt voorzien. Volgens verweerder voldoet h[alternatief], omdat er op dit plein altijd ruimschoots voldoende parkeerruimte is en er voorts een ontheffing is verleend voor het parkeren op eigen terrein.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat in de nieuwe situatie 24 extra parkeerplaatsen benodigd zijn. De berekening die verweerder tijdens de bezwaarfase heeft overgelegd geeft daartoe onvoldoende onderbouwing. Verweerder heeft voorts niet inzichtelijk gemaakt op grond waarvan een aantal van 16 parkeerplaatsen voor kort parkeren (kiss & ride) voldoende zou zijn, nu niet is aangegeven op welke normen dit is gebaseerd. Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat op het nabijgeleg[alternatief] geparkeerd kan worden omdat daarvoor een ontheffing is verleend, stelt de rechtbank vast dat noch in de bouwvergunning, noch in de beslissing op bezwaar deze benodigde ontheffing daadwerkelijk is verleend.

Indien verweerder alsnog zou besluiten om een dergelijke ontheffing te verlenen, wijst de rechtbank erop dat volgens vast beleid van verweerder hiervoor een stappenplan moet worden gevolgd. Gelet hierop zal verweerder op inzichtelijke wijze duidelijk moeten maken hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden en daarbij een reële inschatting had moeten maken van het aantal kinderen dat dagelijks naar school wordt gebracht. Nu dit alles is nagelaten is het besluit verweerder op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. Het betoog van eisers slaagt.

Verweerder zal bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar nader dienen te bezien of de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, dan wel of bijzondere omstandigheden tot een ontheffing van het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening kunnen leiden, en daarbij het eigen stappenplan dienen te volgen.

Verkeersveiligheid

Eisers hebben betoogd dat uitvoering van het vergunde bouwplan zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de buurt, met name in de [adres]. Het ruimtelijk plan leidt tot een vanuit verkeersveiligheid en verkeerscirculatie onaanvaardbare situatie. De verkeersdruk en verkeerstoename is verkeerd ingeschat. Zo wordt de [adres] veelvuldig als sluiproute gebruikt, hetgeen tot piekdrukte leidt. Het door verweerder aangegeven principe van Shared Space leidt niet tot een veilige situatie omdat niet aan de randvoorwaarden daartoe is voldaan. Verweerder heeft voorts nagelaten zijn standpunt voldoende te motiveren. Ter onderbouwing van hun betoog hebben eisers een rapport van een verkeersdeskundige van Goudappel Coffeng B.V. (Coffeng) overgelegd. Deze deskundige komt tot de conclusie dat de toekomstige verkeerssituatie onoverzichtelijk is en risico’s kent van verkeersonveiligheid. Indien het bouwplan wordt gerealiseerd zullen er op die locatie elke ochtend rond half negen 800 tot 900 kinderen arriveren, te voet, per fiets of met de auto. Het betreft kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar. De kinderen uit de onderbouw moeten door de ouders tot in de klas worden gebracht. Nu verweerder heeft aangegeven dat personeel en ouders dienen te parkeren op h[alternatief] en verweerder niet voornemens is de omgeving van de school als scholenzone aan te wijzen of fietsstroken aan te leggen, noch om de situatie te plaatse overzichtelijker te maken, kan dit leiden tot verkeersonveilige situaties. De door verweerder voorgestane maatregelen zijn ontoereikend.

Verweerder bestrijdt dat er onvoldoende verkeersmaatregelen genomen zullen worden. Er zal een veilige oversteekplaats worden gerealiseerd en de stoep aan de zijde van de school zal worden verbreed. Ter zitting heeft verweerder (nogmaals) aangegeven de conclusies van het door eisers ingebrachte rapport van Coffeng niet te onderschrijven. Bovendien acht verweerder het bedrag dat Coffeng noemt om tot verbetering van de verkeersveiligheid ter plaatse te komen buitensporig.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de argumenten van eisers ten aanzien van de verkeersonveiligheid onvoldoende weersproken. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om een nadere onderbouwing van de te verwachten verkeersstromen, de daarbij behorende veiligheidsrisico’s en de concrete maatregelen te bevordering van de veiligheid ter plaatse te laten opstellen door een verkeersdeskundige. Nu dit achterwege is gebleven, en verweerder slechts in algemene bewoordingen de argumenten van eisers heeft weersproken, kan het bestreden besluit ook op dit punt de toets der kritiek niet doorstaan.

Nu eisers in de beroepsfase bovendien een deskundigenrapport hebben overgelegd waarin een aantal concrete aanbevelingen voor de verbetering van de verkeersveiligheid ter plaatse wordt gedaan, kan verweerder ook in deze fase van de procedure niet volstaan met het in algemene bewoordingen betwisten van dit rapport. Naar het oordeel van de rechtbank zal verweerder met een gedegen onderbouwd plan moeten komen waarin alle aspecten van de verkeersveiligheid bij de te verwachten verkeersstromen ter plaatse aan bod zullen moeten komen.

Luchtkwaliteit

Eisers hebben aangevoerd dat de ruimtelijke onderbouwing op het punt van de luchtkwaliteit niet voldoet. Er zullen meer verkeersbewegingen plaatsvinden op de toch al drukke locatie. Dit leidt, gecombineerd met de kap van een groot aantal bomen, tot een evidente verslechtering van de luchtkwaliteit.

Verweerder stelt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen niet in betekende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de norm NIBM weliswaar niet van toepassing is op schoolgebouwen, maar dat gezien de toename van het aantal verkeersbewegingen (met slechts 118) er wel sprake is van niet in betekenende mate bijdragen. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dus achterwege blijven.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit artikel 2, eerste lid, van het Besluit NIMB volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof of stikstofdioxide, indien de toename maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes of stikstofdioxide bedraagt. In de Regeling NIBM waarin categorieën van gevallen worden aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen, worden scholen niet genoemd. Dit betekent dat het beroep van verweerder op de Regeling NIBM niet kan slagen.

In artikel 2 van het Besluit NIBM is een drempelwaarde van 3% opgenomen. De vraag of nader onderzoek moet plaatsvinden is dan ook afhankelijk van de toename van het aantal verkeersbewegingen en de daaruit voortvloeiende toename van bovengenoemde waarden.

Verweerder zal derhalve het aantal te verwachten extra verkeersbewegingen moeten afzetten tegen de bestaande verkeersstroom. Dat is niet gebeurd, zodat de conclusie van verweerder dat geen specifiek luchtkwaliteitonderzoek is vereist, voorbarig is. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand uitgesloten dat de verleende vrijstelling in betekenende mate zal bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De beroepsgrond slaagt. Daarbij wijst de rechtbank erop dat hiervoor reeds is overwogen dat verweerder nader onderzoek zal moeten doen naar de te verwachten verkeersstromen. Pas nadat dat is onderzocht, kan worden beoordeeld of er sprake is van “niet in betekenende mate bijdragen”. Mocht door de toename van het aantal verkeersbewegingen de drempelwaarde van 3% overschreden worden, dan dient alsnog een onderzoek naar de luchtkwaliteit plaats te vinden.

Flora en fauna

Eisers stellen dat verweerder ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de flora en fauna in het gebied. Er is geen quickscan gedaan om te inventariseren welke soorten aanwezig zijn op het perceel. Veel van het aanwezige groen zal verdwijnen.

Verweerder stelt dat het perceel waarop het bouwplan is gesitueerd ook nu grotendeels verhard is en heeft daarin aanleiding gezien om een quickscan in het kader van de Flora- en faunawet achterwege te laten. Voorts geeft verweerder aan dat gesteld noch gebleken is dat op voorhand duidelijk is dat de Natuurbeschermingswet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan en daarmee het verlenen van vrijstelling in de weg stond. Bovendien blijft het structurele en openbare groen ter plaatse vrijwel onaangetast en zal realisatie van het bouwplan op het perceel groen worden teruggeplant.

De rechtbank overweegt dat de vraag of in het kader van de vrijstelling een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde kan komen in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het project had mogen verlenen, indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet de uitvoerbaarheid van het project in de weg zou staan (zo ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) op 21 mei 2008, LJN: BD2128). Voor een dergelijk oordeel kan een beperkt, verkennend onderzoek volstaan, zeker daar waar er geen andere aanwijzingen zijn dat een ontheffing van de Flora- en faunawet nodig is. Verweerder heeft echter ook zo’n beperkt, verkennend onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van een quickscan nagelaten. Zonder een dergelijke quickscan had verweerder niet op voorhand kunnen concluderen dat geen sprake is van schending van hetgeen is bepaald is in de Flora- en faunawet. De beroepsgrond slaagt.

Privacy

Eisers zijn van mening dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen waar het gaat om woongenot en privacy. Hun privacy wordt ernstig aangetast omdat ramen van de buitenschoolse opvang uitzicht bieden op hun percelen. Daarnaast zullen eisers last hebben van lichthinder door het avondgebruik van de gymlokalen. Als gevolg van de verleende vrijstelling zal op de erfgrens – op korte afstand van de woningen van eisers – een muur van 7,70 meter over de gehele lengte van het perceel gebouwd worden. Deze muur belemmert het uitzicht van eisers. Er is bovendien niet voldaan aan de richtafstanden tot andere bebouwing zoals opgenomen in de VNG-brochure ”Bedrijven en milieuzonering”. De afstand van de geplande bebouwing tot de gevels van eisers bedraagt slechts 12 meter. Verweerder had de richtafstand van 30 meter in acht moeten nemen. Verweerder heeft onterecht nagelaten te motiveren waarom die afstand niet in acht is genomen.

Verweerder zwijgt over de afstand tot de woningen van eisers en geeft verder aan dat verlies van uitzicht voor eisers vanwege de ligging van hun woningen in stedelijk gebied niet onaanvaardbaar wordt geacht.

De privacy van eisers is volgens verweerder niet in het geding want in de te bouwen gymlokalen zijn geen ramen gepland die rechtstreeks uitkijken op de percelen van eisers. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat er in de ruimten die bestemd zijn voor de buitenschoolse opvang wel ramen zijn gepland. Deze ramen zullen uitkijken op de woningen van eisers, maar dit wordt door verweerder niet bezwaarlijk geacht.

De rechtbank overweegt als volgt. De VNG-brochure waarop eisers zich beroepen heeft een indicatief en globaal karakter. Afwijking van de in deze brochure opgenomen afstanden is mogelijk, maar dient voldoende te worden gemotiveerd en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze normen, namelijk het voorkomen van milieuhinder in nieuwe situaties. De in de VNG-brochure aanbevolen minimale afstand tot een woning in een rustige woonwijk is 30 meter. De afstand van de woningen en de achtertuinen tot de geplande bebouwing bedraagt naar verweerder niet heeft weersproken echter ongeveer 12 meter. Er is niet gebleken dat verweerder de gevolgen van het toestaan van bebouwing met ramen aan de zijde van de woningen en tuinen van eisers in zijn afwegingen heeft betrokken. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat het besluit van verweerder op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het betoog van eisers slaagt.

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder noch in de ruimtelijke onderbouwing, noch in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op de belangen van omwonenden voor wat betreft woongenot en privacy. Een stedenbouwkundige visie over afstemming van het bouwplan op de omgeving ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Schaduw

Eisers hebben naar voren gebracht dat de in opdracht van verweerder opgestelde slagschaduwenstudie niet de juiste situatie weergeeft. De schaduw van bomen is onterecht even hard ingetekend als de schaduw van bebouwing. Bovendien liggen de gekozen tijdstippen waarop de huidige schaduwwerking van bebouwing en groen wordt vergeleken met de schaduwwerking in de nieuwe situatie niet voor de hand. Zo had de situatie ’s ochtends vroeg, als eisers in de aanbouwen in de achterzijde van hun perceel ontbijten, onderzocht moeten worden.

Verweerder heeft aangegeven dat er door een deskundige schaduwdiagrammen zijn opgesteld. Er zal schaduwwerking zijn van de nieuwe bebouwing in de achtertuinen van eisers, maar verweerder onderschrijft de conclusies van het slagschaduwenrapport dat ook de huidige situatie schaduw geeft op de percelen van eisers. De studie is niet gemotiveerd bestreden, noch is een tegenonderzoek overgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de opgestelde bezonningsstudie naar haar oordeel voldoende inzicht verschaft in de gevolgen van het project voor de daglichttoetreding in omliggende woningen. Verweerder heeft zich in het licht hiervan in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking op de woningen van eisers. Voor zover eisers betogen dat de gevolgen van het te realiseren bouwplan voor de schaduwwerking en lichtinval op hun percelen aanzienlijk groter zijn dan uit die schaduwberekeningen blijkt, hebben zij nagelaten dit standpunt nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door overlegging van een deskundig tegenadvies. De beroepsgrond slaagt niet.

Geluid

Eisers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de maximaal toegestane geluidsbelasting. De geluidsbelasting in het schoolgebouw is onterecht niet meegenomen.

Verweerder stelt dat er geluidsberekeningen zijn gemaakt en dat uit die berekeningen volgt dat er geen overschrijding van de toepasselijke normen plaats zal vinden.

De rechtbank constateert dat in de ruimtelijke onderbouwing weliswaar wordt gesteld dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidsoverlast, maar dat het onderliggende rapport ontbreekt. De in de ruimtelijke onderbouwing aangehaalde resultaten van de SRM2-berekening zijn derhalve niet controleerbaar. Verweerder heeft daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er geen sprake zal zijn van een overschrijding van de maximaal toegestane geluidsbelasting. De beroepsgrond slaagt. Verweerder zal de stelling dat door het realiseren van het bouwplan geen overschrijding plaats zal vinden van de daartoe gestelde normen moeten onderbouwen met een kenbare en verifieerbare akoestische rapportage.

Financiële onderbouwing

Eisers hebben naar voren gebracht dat een financiële onderbouwing van het project geheel ontbreekt.

Verweerder acht de financiële onderbouwing zoals deze in de ruimtelijke onderbouwing is gegeven voldoende. Tijdens de zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat, nu het gaat om een door de gemeente te bouwen school met kinderopvang en gymzalen, een nadere uitwerking van de financiële kant van de bouw niet nodig is. In de uitwerking van de plannen is een inschatting gemaakt van bijvoorbeeld eventuele planschade.

De rechtbank stelt met eisers vast dat in de ruimtelijke onderbouwing een financiële onderbouwing van het bouwplan ontbreekt. Zoals de AbRS in haar uitspraak van

14 december 2005 (LJN: AU7793) heeft overwogen is de uitvoerbaarheid van belang voor de rechtmatigheidstoets van een besluit tot het verlenen van vrijstelling in die zin dat, indien op voorhand moet worden getwijfeld aan de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan, de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Nu de financiële onderbouwing in zijn geheel ontbreekt, valt de financiële uitvoerbaarheid niet te beoordelen.

Verweerder zal de ruimtelijke onderbouwing op dit punt dienen aan te vullen. De inschatting van de eventueel uit te betalen planschade zal, evenals een raming van de kosten van de te nemen verkeersmaatregelen, deel uit moeten maken van die financiële onderbouwing.

Archeologie

De verplichte archeologische toets is nog niet uitgevoerd, zo geven eisers aan. Een dergelijk onderzoek had onderdeel moeten zijn van de ruimtelijke onderbouwing.

Verweerder erkent dat er nog geen volledige archeologische toets is uitgevoerd. Wel heeft een proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden. De volledige toets wordt pas uitgevoerd als ter plaatse de aanwezige bebouwing is gesloopt. Daarom is het uitvoeren van die toets als voorwaarde opgenomen in het vrijstellingsbesluit.

De rechtbank stelt vast dat tot op heden geen (volledige) archeologische toets heeft plaatsgevonden. Ter zitting werd duidelijk dat er wel een proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft echter nagelaten de resultaten van dit onderzoek in de ruimtelijke onderbouwing op te nemen. De rechtbank acht dit onzorgvuldig. Verweerder dient de resultaten van het archeologisch onderzoek voor zover deze thans reeds bekend zijn mee te nemen in de ruimtelijke onderbouwing.

Erfdienstbaarheid

Eisers hebben gesteld dat een recht van overpad op het perceel achter de woningen aan de [straatnaam] geldt. Verweerder heeft in het bouwplan onterecht geen rekening gehouden met deze erfdienstbaarheid.

Verweerder heeft aangegeven dat de situatie achter de woningen aan de [straatnaam + 4 huisnummers] wordt niet aangetast. Ter hoogte van [straatnaam + huisnummer 5] zal de situatie door het bouwplan wijzigen. Het betreft echter een privaatrechtelijke kwestie die buiten de onderhavige procedure valt.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het al dan niet bestaan van privaatrechtelijke belemmeringen van betekenis zijn bij een vrijstellingsbesluit. Gelet daarop moet verweerder onderzoek doen naar de gestelde erfdienstbaarheden. Noch uit de ruimtelijke onderbouwing, noch uit hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat verweerder een dergelijk onderzoek heeft uitgevoerd. Zo is verweerder niet bekend met de precieze omvang van de strook grond waarop het recht van overpad rust.

Wel heeft de rechtbank uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen en uit de na de zitting overgelegde stukken de indruk gekregen dat eisers, ook indien het bouwplan zoals dat thans voorligt wordt gerealiseerd, vrij toegang houden tot hun percelen via het pad waarop de erfdienstbaarheid rust. Dat de bewoners van [straatnaam + huisnummer 5] wellicht met hun auto vanaf en naar hun parkeerplaats op eigen terrein een moeilijke bocht moeten maken om op het pad te komen, levert geen onoverkomelijke privaatrechtelijke belemmering op. Voor een dergelijk oordeel is echter pas plaats nadat verweerder het hiervoor bedoelde gedegen onderzoek heeft uitgevoerd. Bij dat onderzoek zal verweerder duidelijkheid moeten scheppen over het bouwplan, met name aan de achterzijde van het perceel aan de [straatnaam + huisnummer 5].

Belangenafweging

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij door het mogelijk maken van het project onevenredig in hun belangen worden geschaad.

Verweerder geeft aan dat het maatschappelijk belang van de school met opvang en gymzalen prevaleert boven de belangen van omwonenden.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich bij de beoordeling van het bouwplan moet afvragen of de afwijking van het vigerende planologische regime tot een dusdanige aantasting van het woon- en leefklimaat en de privacy van eisers zou leiden dat om die reden vrijstelling hiervan niet zou kunnen worden verleend. Hierbij heeft als uitgangspunt voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de te verlenen vrijstelling te gelden hetgeen reeds op basis van het vigerende planologische regime is toegestaan. Daarnaast heeft op grond van vaste jurisprudentie als uitgangspunt te gelden dat enige hinder, beperkter uitzicht en verminderde privacy inherent zijn aan wonen in een binnenstedelijke omgeving.

Afgezet tegen de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan reeds biedt, kan niet ontkend worden dat het project voor omwonenden nadelen met zich brengt. De rechtbank kan bij deze stand van de procedure echter niet beoordelen of verweerder de belangen van omwonenden in voldoende mate heeft meegewogen. Verweerder dient zich nog nader uit te laten over een aantal deelaspecten van de ruimtelijke onderbouwing en wellicht op een aantal punten nog nader onderzoek te verrichten. Pas daarna kan de vereiste weging plaatsvinden.

2.4.5 De bouwvergunning

Eisen van welstand

Eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan qua omvang en massa niet past in de omgeving. Het is een lomp gebouw dat afbreuk doet aan de bijzondere sfeer in het Ginneken. Het gebouw voldoet niet zonder meer aan de redelijke eisen van welstand. Er zijn ten onrechte geen aanvullende of nieuwe welstandscriteria opgesteld.

Verweerder heeft verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing en naar het positieve welstandsadvies. Er is geen reden om aan te nemen dat er gebreken kleven aan dit advies. Er is bovendien geen tegenadvies ingebracht, noch is de bestrijding van het advies onderbouwd. De detaillering van het plan dient nog worden voorgelegd bij de bouwaanvraag.

Ter zake van de overige vereisten voor het verlenen van bouwvergunning op grond van artikel 44 van de Woningwet, overweegt de rechtbank het volgende. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet waarom het bouwplan stedenbouwkundig aansluit op de huidige bebouwing in de directe omgeving van het plangebied. Tevens acht de welstandscommissie het bouwplan in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand. Bij gebrek aan een onderbouwing van de stelling van eisers kan deze naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet.

2.4.6 Overige gronden

De overige door eisers aangevoerde beroepsgronden behoeven thans geen bespreking.

2.5 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank kan, gezien de aard en de omvang van de gebreken, het geschil thans niet definitief beslechten. De rechtbank ziet evenmin aanleiding tot toepassing van een bestuurlijke lus, aangezien het onzeker is welke gevolgen het door verweerder te verrichten nader onderzoek voor de juridische houdbaarheid van de beide primaire besluiten zal hebben. Dit betekent dat verweerder wederom op de bezwaren van eisers zal moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

2.6 Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank het volgende op. In de voorafgaande overwegingen heeft de rechtbank enkele beroepsgronden van eisers alsmede enkele standpunten van verweerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als de hierdoor getroffen partij wenst te voorkomen dat deze uitspraak op deze punten vast komt te staan, moet deze daartegen hoger beroep instellen.

2.7 Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit zal vernietigen, moet verweerder de betaalde griffierechten aan eisers vergoeden. Verder zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eisers tijdens de beroepsfase hebben gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 874,-.

Aldus gedaan door mr. Th. Peters, rechter, en door deze en A.M. van Gorp, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 19 december 2011