Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU8736

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
11/133
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ, objectafbakening

Na de overdracht van een gesloten kampeerterrein en een café/kantine is naar het oordeel van de rechtbank sprake van één object in de zin van de Wet WOZ in plaats van twee. De rechtbank vernietigt de afzonderlijke waardebeschikkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 288
FutD 2011-3179
V-N Vandaag 2011/3156
V-N 2012/8.32
V-N Vandaag 2012/571
Belastingblad 2012/200

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/133, 11/134 en 11/3179

Uitspraakdatum: 17 november 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de heffingsambtenaar van:

-2 december 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikkingen waarbij de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [het kampeerterrein] (hierna: het kampeerterrein) en [het cafe] (hierna: het café) te [woonplaats], zijn gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikkingen in één geschrift bekendgemaakte aanslagen onroerendezaakbelastingen 2010 (respectievelijk procedurenummer 11/133 en 11/134); en

-van 8 juni 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak [het cafe] is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekend gemaakte aanslag onroerendezaakbelastingen 2011 (procedurenummer 11/3179).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], alsmede namens de heffingsambtenaar, [gemachtigden]. De zaken met procedurenummers 11/133, 11/134 en 11/3179 zijn gezamenlijk behandeld.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-vernietigt de waardebeschikkingen;

-veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2,80;

-gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 600 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de volgende waarden vastgesteld:

- € 1.287.000 voor het kampeerterrein, per waardepeildatum 1 januari 2009, voor het tijdvak 1 januari 2010 tot 1 januari 2011;

- € 411.000 voor het café, per voornoemde waardepeildatum en voor voornoemd tijdvak;

- € 351.000 voor het café, per waardepeildatum 1 januari 2010 voor het tijdvak 1 januari 2011 tot 1 januari 2012.

In de desbetreffende geschriften zijn ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen 2009 en 2010 bekend gemaakt. In de uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarden gehandhaafd.

2.2.Belanghebbende is op [datum] 2008 eigenaar geworden van het kampeerterrein en het café. Het kampeerterrein was tot deze datum eigendom van mevrouw [X], het café van haar zoon. Tot aan de sluiting (op last van [de gemeente] (de gemeente)) in [datum] 2007 waren genoemde objecten in gebruik als camping. Belanghebbende is voornemens de camping te herontwikkelen tot een modern recreatieterrein waarbij onder andere tot sloop van het café zal worden overgegaan, dit met medewerking van de gemeente en na wijziging van het aldaar geldende bestemmingsplan.

2.3.In geschil zijn de waarden van het café en het kampeerterrein op de in 2.1 genoemde waardepeildata.

2.4.De objectafbakening is de eerste stap van de waardebepaling. De rechtbank beziet dan ook eerst of de objectafbakening in overeenstemming is met de in artikel 16 van de Wet WOZ opgenomen regels. In dit artikel wordt voor de toepassing van de wet, voor zover hier van belang, een samenstel van gebouwde en ongebouwde eigendommen die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen, als één onroerende zaak aangemerkt.

2.5.Belanghebbende heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het kampeerterrein en het café sinds [datum] 2007 zijn gesloten, de objecten als één geheel zijn verkocht, de percelen van het kampeerterrein en het café aan elkaar grenzen, het café moet worden gepasseerd om het kampeerterrein te bereiken, belanghebbende naast eigenaar ook enig gebruiker van het geheel is en zijn plannen inhouden dat op de plek van het kampeerterrein en het café een modern recreatieterrein wordt gerealiseerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze objecten als één onroerende zaak in de zin van de in 2.4 genoemde wetsbepaling moeten worden aangemerkt. De omstandigheid dat aan de vorige eigenaren ieder afzonderlijk een beschikking werd opgelegd, kan niet tot een andere uitkomst leiden. Ook overigens heeft de heffingsambtenaar geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat beide objecten naar de omstandigheden beoordeeld niet bij elkaar horen.

2.6.Nu voor de toepassing van de Wet WOZ van één groter object had moeten worden uitgegaan, dienen de beschikkingen te worden vernietigd. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003, 35 987, onder andere gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met kenmerk LJN AD6058, kan de heffingsambtenaar vervolgens voor het juist afgebakende object een nieuwe waardebeschikking geven.

2.7.Artikel 30, lid 2, van de Wet WOZ bepaalt dat, indien de WOZ beschikking en de aanslag(en) in de onroerendezaakbelastingen (OZB) in één geschrift zijn vastgesteld, het bezwaar tegen de beschikking mede wordt geacht de aanslag(en) te betreffen. De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraken op bezwaar verzuimd te beslissen ter zake van de aanslagen OZB. De rechtbank kan daarover dan ook geen uitspraak doen. De rechtbank zal de zaak niet terugwijzen naar de heffingsambtenaar om alsnog uitspraak te doen op de bezwaren tegen de aanslagen OZB omdat in artikel 18a van de AWR is bepaald dat een zodanige aanslag moet worden vernietigd indien de vernietiging van de WOZ-beschikking onherroepelijk komt vast te staan (zie hiervoor ook het in 2.6 aangehaalde arrest). De heffingsambtenaar zal dus op eigen initiatief de aanslagen OZB moeten vernietigen. Daar is geen rechterlijke uitspraak over die aanslagen voor nodig.

2.8.Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.

2.9.De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de reiskosten die belanghebbende in verband met het verschijnen ter zitting heeft moeten maken. Deze kosten zijn op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, € 2,80. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld.

Deze uitspraak is gedaan op 17 november 2011 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 17 november 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.