Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU8135

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
665778-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Conflict tussen bij elkaar in de buurt wonende families ontaardt in ruzie. Na discussie en schermutselingen over en weer, slaat lid van de ene familie een lid van de andere familie met een glas in zijn gezicht. Het daardoor ontstane letsel levert zwaar lichamelijk letsel op. Beroep op noodweer wordt aanvaard, maar de dader is de grenzen van de noodzakelijke verdediging te buiten gegaan. Beroep op noodweerexces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 665778-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. C.W.J. Faber, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het wetboek van strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 november 2011. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak van [slachtoffer] (parketnummer 665777-11). De officier van justitie, mr. K.P.C.M. Gimbrère, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel [slachtoffer] heeft mishandeld ten gevolge waarvan hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende. Er is sprake geweest van een soort familievete tussen de families [verdachte] en [voornaam slachtoffer]. De getuigen van beide families proberen in hun verklaringen de gang van zaken zo gunstig mogelijk voor te stellen voor hun familielid en dit is ook wel begrijpelijk. In ieder geval staat vast dat het slachtoffer letsel heeft gekregen en dat hij daarvoor is behandeld in het ziekenhuis. Er is sprake van een wond die gehecht moest worden. Het litteken op de wang van het slachtoffer bestaat nog steeds. Uit de objectieve waarneming van de arts blijkt dat er sprake is van een snijwond. Het vallen op een krik kan geen snijwond in het gezicht opleveren. Het gezicht zou in dat geval misschien blauw zijn, maar er zou geen snijwond zijn ontstaan. Het slaan met een kapot bierglas levert blijvend aangezichtsletsel op en dit is in de jurisprudentie gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan.

Dat verdachte een glas in het gezicht van aangever zou hebben geslagen kan niet wettig en overtuigend bewezen worden, laat staan dat hij dat opzettelijk zou hebben gedaan. De verklaringen van de getuigen aan de zijde van aangever zijn onbetrouwbaar en ongeloofwaardig, omdat zij op onderdelen tegenstrijdig zijn. Deze getuigen hebben bovendien hun verklaringen op elkaar afgestemd, door met elkaar het politiedossier door te nemen. Deze verklaringen mogen dan ook niet bijdragen aan het bewijs.

Uitgegaan moet worden van de verklaringen van verdachte, die consistent en op hoofdlijnen aan elkaar gelijk zijn en waaruit blijkt dat aangever op de grond is gevallen, waarbij hij zichzelf kennelijk heeft verwond. Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van de ouders van verdachte en getuige Kuijpers.

Subsidiair doet de verdediging een beroep op (putatief) noodweer(exces) en wijst daarbij

– kort samengevat – op het volgende.

Verdachte heeft gezien dat aangever zich dreigend en agressief opstelde tegenover zijn moeder, waarbij aangever een ijzeren voorwerp, vermoedelijk een krik, in zijn handen had en aanstalten maakte om de moeder van verdachte daarmee op het hoofd te slaan. Verdachte heeft gemeend te moeten ingrijpen, omdat anders mogelijk (dodelijk) letsel bij zijn moeder zou zijn ontstaan. Verdachte heeft aangever slechts weggeduwd bij zijn moeder, zodat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging van zijn moeder niet heeft overschreden.

Mocht de rechtbank dit verweer niet volgen, dan stelt de verdediging dat verdachte uit putatief noodweer heeft gehandeld, nu hij in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat zijn moeder door aangever fysiek zou worden aangevallen.

Wanneer de rechtbank van oordeel is dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan beroept de verdediging zich op noodweerexces dan wel putatief noodweerexces. Verdachte is te ver gegaan bij de gerechtvaardigde verdediging van zijn moeder, maar dit handelen kwam voort uit een hevige gemoedsbeweging. Aangever was opgefokt en stond met een potentieel dodelijk wapen in zijn handen boven zijn hoofd geheven, terwijl de moeder van verdachte op relatief hoge leeftijd is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 27 juli 2008 omstreeks 21.30 uur kwam bij de meldkamer van de politie te Tilburg de melding binnen dat er in de [adres] een conflict was ontstaan, waarbij ook was geschoten . Ter plaatse bleek dat de Marokkaanse familie [voornaam slachtoffer] en de Nederlandse familie [verdachte] ruzie met elkaar hadden en tegen elkaar schreeuwden. De familie [voornaam slachtoffer] was aan het inpakken om op vakantie te gaan en was haar busje aan het inladen op het parkeerterrein dat grenst aan de tuin van de familie [verdachte]. De familie [verdachte] vierde die avond een feestje in de achtertuin. De moeder van verdachte is op enig moment de tuin uit gelopen en heeft foto’s gemaakt van de familie [voornaam slachtoffer] en/of het busje. Vervolgens is er een conflict tussen beide families ontstaan.

Verdachte heeft aan de verbalisanten ter plaatse verklaard dat hij had gezien dat een Marokkaanse man zijn moeder wilde slaan en dat hij deze Marokkaanse man had geslagen. Vervolgens zou de Marokkaanse man zijn weggerend om even later terug te keren met een zwart pistool, waarmee hij een aantal schoten zou hebben gelost . De Marokkaanse man, naar later bleek [slachtoffer] (hierna [voornaam slachtoffer]), zou volgens de verklaring van zijn moeder naar het ziekenhuis zijn gebracht vanwege een wond in zijn gezicht.

[voornaam slachtoffer] heeft verklaard dat hij aan de moeder van verdachte heeft gevraagd om geen foto’s van zijn familie te maken en dat hij mogelijk zijn arm heeft geheven om te voorkomen dat zij nog een foto kon maken. Vervolgens zag [voornaam slachtoffer] dat verdachte hem in zijn gezicht sloeg en dat verdachte daarna nog de onderste helft van een glas in zijn hand had. Het werd [voornaam slachtoffer] meteen zwart voor de ogen, hij voelde dat zijn linker oog dik werd en zag dat hij hevig begon te bloeden.

In deze zaak zijn veel getuigenverklaringen afgelegd. Het is zeer wel mogelijk dat de getuigen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, maar op grond van de verklaringen in het dossier lijkt dat zich aan beide kanten te hebben voorgedaan. De verdediging heeft aangevoerd dat moet worden uitgegaan van het scenario zoals geschetst in de verklaringen van verdachte. Verdachte zou [voornaam slachtoffer] slechts hebben geduwd, waardoor [voornaam slachtoffer] op de grond zou zijn gevallen en zichzelf zou hebben verwond aan bijvoorbeeld de krik, waarmee hij even daarvoor de moeder van verdachte zou hebben bedreigd, of glas dat op de grond lag. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu zij het onaannemelijk acht dat het enkele vallen op de grond, het vallen op een krik dan wel het vallen op de grond in glasscherven een snijwond oplevert zoals verdachte die heeft. Dat er sprake is van een snijwond blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de medische verklaring van de behandelend chirurg, waarin wordt gerept over een snijwond in de linker wang met een glasscherf. De redenering van de verdediging dat dit mogelijk de verklaring van [voornaam slachtoffer] zelf is en niet de constatering van de chirurg, volgt de rechtbank niet. De rechtbank gaat er van uit dat de chirurg niet in de medische informatie heeft opgenomen dat er sprake is van een snijwond door een glasscherf, wanneer het geconstateerde letsel daar niet bij past. De rechtbank acht, gelet op de aard en het uiterlijk van de verwonding, het slaan met een kapot glas ook het meest aannemelijk, zodat zij bewezen zal verklaren dat verdachte [voornaam slachtoffer] met een kapot glas tegen het gezicht heeft geslagen.

Verdachte heeft met een dergelijke ongecontroleerde slag met een glas tegen het gezicht bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het glas zou breken en er een snijwond met als gevolg blijvend aangezichtsletsel zou optreden. Daarmee staat het voorwaardelijk opzet op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel naar het oordeel van de rechtbank vast.

Nu er sprake is van blijvend aangezichtsletsel, kwalificeert de rechtbank het letsel van [voornaam slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel. Het primair ten laste gelegde zal dan ook bewezen worden verklaard.

Het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van de getuigenverklaringen aan de zijde van de familie [voornaam slachtoffer] behoeft geen bespreking, nu de rechtbank deze verklaringen niet voor het bewijs gebruikt.

De verdediging heeft zich voorts beroepen op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces. Op grond van de verklaring van verdachte bij de politie en de verklaring van de getuige C.M. van Achterberg acht de rechtbank het aannemelijk dat [voornaam slachtoffer], al dan niet met een voorwerp in zijn hand, een slaande beweging heeft gemaakt in de richting van de moeder van verdachte. Met de verdediging is de rechtbank dan ook van mening dat er sprake was van een noodweersituatie. Door met een glas in het gezicht van [voornaam slachtoffer] te slaan, heeft verdachte echter een buitensporige reactie vertoond, die niet noodzakelijk was.

De verdediging heeft zich vervolgens beroepen op noodweerexces. Dat verdachte bij het slaan van [voornaam slachtoffer] een heftige gemoedsbeweging zou hebben doorgemaakt, vindt naar het oordeel van de rechtbank echter geen steun in de bewijsmiddelen. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op (putatief) noodweer(exces).

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 27 juli 2008 te Breda aan een persoon genaamd [slacht[voornaam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (snijwond in de wang welke gehecht moest worden), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een kapot glas, tegen het gezicht te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet en is het beroep op noodweerexces eveneens verworpen.

Er zijn dan ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 150 uur, te vervangen door 75 dagen hechtenis als verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren uitvoert en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis rekening gehouden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, met de rol van de wederpartij in het geheel van de familieruzie en met het feit dat het ten laste gelegde dateert van 2008.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank, wanneer zij tot een strafoplegging besluit, een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen en geen (on)voorwaardelijke gevangenisstraf. De verdediging wijst erop dat de redelijke termijn in deze zaak is geschonden, nu het ten laste gelegde feit dateert van 2008 en de zaak voor het eerst op zitting kwam medio 2010. Daarnaast heeft verdachte gehandeld uit bescherming van zijn moeder en is niet uit het niets tot gewelddadig handelen overgegaan. Er is bovendien geen sprake van recidive, nu de laatste veroordeling voor een geweldsdelict 12 jaar geleden is geweest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, toen hij zag dat zijn moeder mogelijk door aangever zou worden geslagen, ingegrepen om zijn moeder te beschermen. Op zichzelf acht de rechtbank dit begrijpelijk. De reactie van verdachte is echter buiten proporties geweest, nu hij met een glas in het gezicht van aangever heeft geslagen. Verdachte had op een andere wijze kunnen en moeten reageren, bijvoorbeeld door zijn moeder achteruit te trekken of aangever weg te duwen. De door verdachte aangebrachte verwonding heeft blijvend letsel voor aangever opgeleverd, die altijd met een litteken in zijn gezicht zal blijven rondlopen.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte een straf is opgelegd en nu schuldig wordt verklaard aan een misdrijf voor die strafoplegging gepleegd.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de rol van aangever in het geheel van de ruzie tussen de twee families en met het gegeven dat er inmiddels ruim drie jaar is gepasseerd nadat het feit is gepleegd. Van overschrijding van de redelijke termijn is overigens geen sprake.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht. Nu aan verdachte bij eerdere veroordelingen reeds voorwaardelijke straffen zijn opgelegd, zal de rechtbank voor het onderhavige feit geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. Riemens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 november 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 juli 2008 te Breda aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (snijwond in de wang welke gehecht moest worden), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een (kapot) (bier)glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen het gezicht/hoofd te slaan/stompen/stoten;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juli 2008 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [voornaam slachtoffer] met een (kapot) (bier)glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt/gestoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juli 2008 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een (kapot) bier(glas), althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een snijwond in de wang welke gehecht moest worden), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.