Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU7553

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
700041-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurder reed dronken, zonder rijbewijs en met te hoge snelheid. Hij kon zijn auto niet onder controle houden en veroorzaakt ongeval waarbij bijrijder, vriend van bestuurder, om het leven komt. Bijrijder droeg geen gordel en wordt uit de auto geslingerd. Bewezenverklaring van art 6 WVW. Op basis van uitleg van art 175 WVW en de mate van verwijtbaarheid van de tenlastegelegde gedragingen, komt rechtbank tot oordeel dat de combinatie van feiten geen roekeloosheid oplevert. Wel hoge mate van onvoorzichtigheid.

Rechtbank betrekt bij hoogte van de strafmaat de gedragingen en keuzes van de bijrijder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 700041-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende [adres]

GBA-adres: onbekend

eerder opgegeven adres: [adres]

raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 november 2011, waarbij de officier van justitie, mr. K.P.C.M. Gimbrère, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: door zijn schuld, na gebruik van alcohol en rijdend met te hoge snelheid met een auto een ongeval heeft veroorzaakt waarbij een ander is omgekomen, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs, dan wel onder deze omstandigheden gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd, dan wel een auto heeft bestuurd na het gebruik van alcoholhoudende drank, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs, dan wel een auto heeft bestuurd onder zodanige invloed van alcohol, dat hij wist of zou moeten weten dat deze de rijvaardigheid zou beïnvloeden;

feit 2: zonder toestemming van de eigenaar een auto op de weg heeft gebruikt;

feit 3: een auto heeft bestuurd, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op het eindproces-verbaal.

Ten aanzien van de schuldgradatie overweegt de officier van justitie het volgende. Het weggedrag van verdachte voorafgaand aan het ongeval moet worden gekwalificeerd als ‘roekeloos’, hetgeen als strafverzwarende omstandigheid is vastgelegd in artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Er moet niet alleen worden gelet op het moment van onbewustheid direct voorafgaande aan de botsing met de boom, maar ook op het verdere gedrag van verdachte dat aan het ongeval vooraf ging. Het nuttigen van veel te veel glazen bier, het joyriden en het veel harder rijden dan toegestaan wijst sterk op een vorm van het lichtzinnig wegwuiven van gevaren in het wegverkeer, met de kennelijke gedachte dat het toch wel goed zal gaan. Deze gedragingen geven blijk van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid en duiden erop dat door verdachte welbewust onaanvaardbare risico’s zijn genomen.

De officier van justitie acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 2 en 3 heeft begaan en baseert zich daarbij de op de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte van [naam aangever] namens Smesch Marketing Group en het proces-verbaal van relaas, waaruit blijkt dat aan verdachte geen rijbewijs is afgegeven.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich niet tegen een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, maar voert verweer tegen hetgeen de officier van justitie ten aanzien van de schuldgradatie heeft overwogen.

De verdediging voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan.

Er is geen sprake van de meest ernstige mate van schuld, te weten ‘roekeloosheid’. De vaststaande feiten dat verdachte geen rijbewijs heeft, dat hij alcohol heeft genuttigd en dat hij te hard heeft gereden, leveren zowel op zichzelf als in onderling verband geen roekeloosheid op. De verklaring van de getuige [getuige 1] kan niet dienen als bewijs voor het bepalen van de mate van schuld, nu deze verklaring intern tegenstrijdig is, onjuistheden bevat en in nevelen is gehuld.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat op 28 november 2010 op de Kasteellaan te Loon op Zand een ongeval plaats vond, waarbij de door verdachte bestuurde auto van de weg raakte en de bijrijder, [naam bi[slachtoffer/bijrijder]], als gevolg van het ongeval om het leven kwam. Op grond van de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en zijn verklaring afgelegd ter zitting2 alsmede het proces-verbaal verkeersongeval analyse van de dienst forensische opsporing (hierna FTO) en de hierna verder te noemen bewijsmiddelen, staat naar het oordeel van de rechtbank het volgende vast.

Verdachte en [slachtoffer/bijrijder] zijn op de avond van 27 november 2010 met een aantal vrienden gaan stappen in Tilburg. Op een gegeven moment besluiten verdachte en [slachtoffer/bijrijder] om naar huis te gaan. Toen verdachte hoorde dat [slachtoffer/bijrijder] in zijn eigen auto naar huis wilde rijden, heeft verdachte aangeboden om hem naar zijn huis in Loon op Zand te brengen omdat hij degene was die het minst gedronken had van hen tweeën. Hij bood toen aan om te rijden in een auto van het bedrijf waar hij werkte, wetende dat, zo verklaarde verdachte, hij zelf ongeveer 10 glazen bier op had en dat het gebruik van alcoholhoudende drank de rijvaardigheid kan beïnvloeden. Verdachte was bezig met rijlessen, maar beschikte niet over een rijbewijs. Dat verdachte die avond alcohol had gedronken, blijkt behalve uit zijn eigen verklaring ook uit de analyse van het op 28 november 2010 bij verdachte afgenomen bloedmonster, dat een alcoholpromillage van 1,31 laat zien . Na eerst in Moergestel gekeken te hebben of daar een café open was, zijn verdachte en [slachtoffer/bijrijder] op weg gegaan naar het huis van [slachtoffer/bijrijder] in Loon op Zand. Verdachte was steeds bestuurder. Al rijdend zijn zij op de Kasteelweg naar Loon op Zand gekomen.

Verdachte herinnert zich blijkens zijn verklaringen weinig van de toedracht. Hij kan zich niet meer herinneren dan dat hij te snel gereden had, in een slip raakte en tegen een boom is gebotst. Deze weergave stemt overeen met hetgeen in het proces-verbaal verkeersongeval analyse naar voren komt, met het proces-verbaal bevindingen van de politie en met hetgeen een getuige ter plaatse verklaart. De getuige verklaart dat op een moment dat zij 80 km per uur reed op de Kasteellaan, een auto voor haar opeens gas gaf, waardoor de afstand groter werd, terwijl zij 80 km per uur bleef rijden. Kort daarna zag zij een auto in de sloot liggen. Verbalisanten treffen ter plaatse een blauwe Renault Clio aan die in de sloot langs de weg ligt. De door FTO ter plaatse aangetroffen sporen, een slipspoor na de snelheidsremmende verkeersluis op de Kasteellaan van de asstreep van de weg in de richting van een boom, en de beschadiging aan de boom, tonen aan dat de auto van verdachte komend van de linkerzijde van de weg na een slip tegen een boom is gebotst. Gelet op de stand van de auto heeft de auto daarna een rotatie gemaakt en is naast de weg in de sloot tot stilstand gekomen. Onderzoek van de airbag uit de auto geeft aan dat de snelheid van de auto 0,9 seconde voor het inwerking treden van de airbags, 95,96 km per uur bedroeg. Het ongeval is volgens het onderzoek van FTO niet te wijten aan enig technisch gebrek.

[slachtoffer/bijrijder] werd door dit ongeval uit de wagen geslingerd. Hij werd aangetroffen naast het voertuig. Blijkens de bevindingen van de politie had de aanwezige GG&D broeder de dood geconstateerd. Als doodsoorzaak wordt een niet natuurlijke dood aangegeven, vermoedelijk een schedelbasisfractuur.

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte na gebruik van alcohol, met een promillage van 1,31, zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs en met een snelheid van ongeveer 96 km per uur, na het passeren van de snelheidsremmende verkeerssluis, niet het verloop van de weg is blijven volgen, waarna hij op de verkeerde weghelft is terecht gekomen, in een slip is geraakt, tegen een boom is gebotst en in de sloot tot stilstand is gekomen. Als gevolg van dat ongeval werd [slachtoffer/bijrijder] uit de auto geslingerd en gedood.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden welke gradatie van schuld dit gedrag oplevert. Roekeloos rijden, zoals de officier van justitie heeft betoogd, of een vorm van onachtzaam rijden, zoals de raadsman heeft betoogd.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan een verkeers¬ongeval in de zin van artikel 6 WVW, dient acht te worden geslagen op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen alsmede de overige omstandigheden van het geval. Aan verdachte kunnen diverse grove overtredingen van de Wegenverkeerswet worden verweten, welke elk afzonderlijk, zij het in meer of mindere mate, hebben bijgedragen aan de noodlottige afloop. Elk van die verwijten komt echter in zaken als deze vele malen in ernstigere vorm voor, ook in combinatie, en derhalve in een grotere mate van verwijtbaarheid en daarmee in zeer veel gevallen zonder enige twijfel roekeloos. Er moet voor gewaakt worden om niet elke combinatie van verwijten als deze als roekeloos te betitelen. Dat kan leiden tot verwatering van het begrip roekeloos. Met de term roekeloosheid in de zin van artikel 175 WVW wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld. Het gaat daarbij om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag, waarbij welbewust onaanvaardbare risico's zijn genomen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake.

De snelheid waarmee verdachte reed was weliswaar te hoog, maar kan niet als roekeloos rijgedrag worden betiteld of als een ernstige overschrijding van de toegestane snelheid. Ook het rijden zonder rijbewijs valt daar niet onder, gelet op de rijlessen die verdachte had gevolgd. Het rijden met te veel alcohol op maakt op zichzelf evenmin dat het rijgedrag als roekeloos kan worden bestempeld. De wetgever heeft blijkens de redactie van art 175 WVW het enkele feit van het veroorzaken van een ongeval waarbij iemand om het leven komt, terwijl wordt gereden met een ernstige mate van overschrijding van de maximumsnelheid of onder invloed van alcohol, ook niet als roekeloos willen bestempelen. Die twee feiten op zich leiden niet tot het strafmaximum dat geldt bij roekeloos rijgedrag, waarbij een ongeval is veroorzaakt waarbij een ander wordt gedood. Het zijn strafverzwarende omstandigheden.

Weliswaar zou een combinatie van alle feiten tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van roekeloos rijgedrag, maar in dit geval doen zich geen omstandigheden voor die tot het oordeel leiden dat daarvan sprake is. Met name de welbewustheid van het nemen van onaanvaardbare risico’s ontbreekt. De combinatie van alle verwijten tezamen die verdachte worden gemaakt, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als in hoge mate onvoorzichtig en, gelet op het in een slip geraken, tevens als ondeskundig.

Feit 2

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting2

- de aangifte van Smesch Marketing Group BV.

Feit 3

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting2

- de rijbewijsindex betrekking hebbend op verdachte.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 28 november 2010, in de gemeente Loon op Zand, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Renault), daarmede rijdende over de weg, de Kasteellaan,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, mate onvoorzichtig en onachtzaam en onnadenkend en ondeskundig,

na het gebruik van alcoholhoudende drank en/of zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs,

met een snelheid van ongeveer 96 kilometer per uur, rijdend met dat motorrijtuig en naderend een, in die weg gelegen, zogeheten "middengeleider/snelheidsremmende verkeerssluis",

met dat motorrijtuig, niet de snelheid van dat motorrijtuig (voldoende) te verminderen en/of niet het verloop van die, in die weg gelegen, "middengeleider/snelheidsremmende verkeerssluis" te gaan en/of te blijven volgen,

doch via die "middengeleider/snelheidsremmende verkeerssluis" op het weggedeelte van die weg, bestemd voor het hem, verdachte over die weg, die Kasteellaan, tegemoetkomende verkeer is gaan rijden,

waarna hij, verdachte, de macht over het stuur van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Renault) heeft verloren,

tengevolge waarvan, dat motorrijtuig is gaan slippen/schuiven en vervolgens draaiend/in achterwaartse richting bewegend tegen een (gezien in de richting Loon op Zand), "rechts", in de berm van die weg staande, boom, is gebotst en tot stilstand is gekomen,

waardoor een persoon, genaamd [slachtoffer/bijrijder] (bijrijder van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig), werd gedood,

zulks terwijl hij, verdachte, toen daar, dat motorrijtuig (personenauto, Renault), heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b en/of vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994, 1.31 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en hij, verdachte, dat motorrijtuig (personenauto, Renault) heeft bestuurd zonder rijbewijs.

2.

in de gemeente Tilburg en/ in de gemeente Loon op Zand, op of 28 november 2010, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto, Renault), toebehorende aan "Smesch Marketing Group BV" (te Tilburg), als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Madeliefstraat (te Tilburg) en de weg de Kasteellaan (te Loon op Zand);

3.

op 28 november 2010, in de gemeente Tilburg en/of in de gemeente Loon op Zand, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Madeliefstraat (te Tilburg) en/of de weg de Kasteellaan (te Loon op Zand), zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen:

voor feit 1 primair: 3 jaar gevangenisstraf waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaar;

voor feit 2: een geldboete van € 500,--, bij niet betalen te vervangen door 10 dagen hechtenis;

voor feit 3: een geldboete van € 280,--, bij niet betalen te vervangen door 5 dagen hechtenis.

De officier van justitie stelt bij de formulering van de strafeis rekening te hebben gehouden met het volgende. Verdachte had niet de opzet om een dodelijk ongeval te veroorzaken, maar heeft wel een enorm gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel gehad. Dit blijkt uit het gegeven dat hij zonder enige schroom onder invloed van alcohol en zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs aan het verkeer heeft deelgenomen. Het leed dat verdachte heeft veroorzaakt voor de nabestaanden van het slachtoffer is niet te beschrijven. Vervolging van verdachte kan dit leed niet ongedaan maken. Wat rest is het belang van naleving van de verkeersregels te onderstrepen. De binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten en de door het Openbaar Ministerie gepubliceerde richtlijnen zijn daarbij van belang. Daarnaast wegen mee de persoon van verdachte, zijn leeftijd, zijn documentatie en het feit dat hij een eigen bedrijf heeft. Wat opvalt is dat verdachte brieven en e-mails heeft verzonden aan de nabestaanden, zij het dat ze wat afstandelijk ogen en zo heeft de familie en de vriendin van het slachtoffer het ook ervaren. Ook heeft verdachte zich als vrijwilliger gemeld bij Veilig Verkeer Nederland, Stiva en het Trimbos Instituut.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafoplegging voor het primair onder feit 1 tenlastegelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat een gevangenisstraf in deze zaak opportuun noch noodzakelijk noch passend is en dat een werkstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging voor een (lange) duur recht doet aan de situatie.

De verdediging heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft oprecht spijt van het door zijn handelwijze ontstane drama en hij gaat gebukt onder de gevolgen daarvan. Hij heeft zijn spijt en medeleven willen betuigen aan de nabestaanden van het slachtoffer door het versturen van brieven en e-mails en verdachte is nog steeds bereid met hen in gesprek te gaan. Ook heeft verdachte zich gemeld bij Veilig Verkeer Nederland, Stiva en het Trimbos Instituut om voorlichting te kunnen geven. Voorts moet opgemerkt worden dat het slachtoffer er zelf voor heeft gekozen om bij verdachte in te stappen in de wetenschap dat hij had gedronken en geen rijbewijs had. Het slachtoffer heeft bovendien geen gordel gedragen. Bij het hanteren van de oriëntatiepunten voor straftoemeting moet worden uitgegaan van een alcoholgehalte van minder dan 570 ug/l, nu verdachte zich met een alcoholgehalte van 1,31 milligram per milliliter bloed op de scheidslijn bevindt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Het ongeval waarbij [slachtoffer/bijrijder] door het rijgedrag van verdachte het leven verloor heeft in de eerste plaats en vooral groot leed toegebracht bij de ouders, familie en vriendin van het slachtoffer. Leed dat nooit zal helen, dat hoogstens in de loop der tijd in meer of mindere mate verwerkt zal kunnen worden, maar dat op vele vlakken van het leven nog tot in lengte van jaren zich zal doen gevoelen. Dat gevolg kan bovendien door verdachte op geen enkele wijze ongedaan worden gemaakt en dus kan aan de positie van de slachtoffers ook op geen andere wijze worden recht gedaan. Onder die omstandigheden is in beginsel zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.

Echter ook verdachte draagt blijkens de behandeling ter zitting de gevolgen van het ongeval met zich. Door zijn toedoen heeft een vriend het leven verloren en dat gevolg heeft zijn leven zowel qua werk als sociaal veranderd. De rechtbank is ervan overtuigd dat het verdriet van verdachte ter zitting oprecht is geweest. Dat aspect dient bij de beoordeling van de op te leggen straf in enige mate een rol te spelen. Verdachte heeft verder een blanco strafblad.

De rechtbank kan er bij die beoordeling niet aan voorbij gaan dat bij de dood van het slachtoffer ook omstandigheden aan de kant van het slachtoffer van invloed zijn geweest. Het slachtoffer heeft , zo mag op basis van de vaststaande feiten worden geconcludeerd, er voor gekozen bij iemand in de wagen te stappen van wie hij wist dat die nog geen rijbewijs had en bovendien had gedronken. Bovendien droeg het slachtoffer zijn gordel niet, hetgeen, naar algemeen bekend is, in aanzienlijke mate bijdraagt aan de kans op zwaar letsel of zelfs de dood bij een ongeval. Aspecten die invloed dienen te hebben op de op te leggen straf.

Al deze omstandigheden tezamen, gevoegd bij het feit dat naar het oordeel van de rechtbank, in tegenstelling tot het uitgangspunt van de officier van justitie, er geen sprake is van roekeloos rijgedrag, leiden tot het oordeel dat weliswaar een gevangenisstraf passend en geboden is en dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van verdachte, niet met een werkstraf kan worden volstaan, maar dat de duur daarvan aanzienlijk lager dient te zijn dan hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 maanden passend en geboden. Wanneer alleen wordt gekeken naar de impact die dit ongeval op verdachte heeft gehad, heeft een voorwaardelijk deel ten aanzien van verdachte zelf geen waarde. De rechtbank zal dat echter wel opleggen om daarmee de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen. Gelet op de aard en de ernst van de overtreding zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke rijontzegging opleggen voor de duur van 3 jaar.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] (namens de nabestaanden van [slachtoffer/bijrijder]) vordert een schadevergoeding van € 7.376,16 voor feit 1.

Verdachte heeft geen verweer gevoerd tegen de ingediende vordering. Ter zitting is door de benadeelde partij toegelicht dat [slachtoffer/bijrijder] geen vermogen had, behoudens een rekening met een saldo van een paar honderd euro. Onder deze omstandigheden en nu de vordering de rechtbank onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, zal zij deze geheel toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 6, 11, 107, 175, 177, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b en vierde lid van deze wet en niet in het bezit was van een rijbewijs;

feit 2: overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Maatregel

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 36 maanden;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [moeder slachtoffer], wonende [adres] van € 7.376,16 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [moeder slachtoffer] (feit 1), € 7.376,16 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 71 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Dekker en mr. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr.drs. Riemens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 november 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 28 november 2010, in de gemeente Loon op Zand, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto,

Renault), daarmede rijdende over de weg, de Kasteellaan,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig,

na het gebruik van alcoholhoudende drank en/of zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs,

met een snelheid van ongeveer 96 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de toen daar geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, rijdend met dat motorrijtuig en naderend een, in die weg gelegen, zogeheten "middengeleider/snelheidsremmende verkeerssluis",

met dat motorrijtuig, niet de snelheid van dat motorrijtuig (voldoende) te verminderen en/of niet het verloop van die, in die weg gelegen, "middengeleider/snelheidsremmende verkeerssluis" te gaan en/of te blijven volgen,

doch (via die "middengeleider/snelheidsremmende verkeerssluis"), op het weggedeelte van die weg, bestemd voor het hem, verdachte over die weg, die Kasteellaan, tegemoetkomende verkeer is gaan rijden,

waarna hij, verdachte, (na een te abrupte stuurcorrectie) de macht/controle over het stuur van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Renault) heeft verloren,

tengevolge waarvan, althans mede tengevolge waarvan, dat motorrijtuig is gaan slippen/schuiven en/of (vervolgens) (draaiend/in achterwaartse richting bewegend) tegen een (gezien in de richting Loon op Zand), "rechts", in de berm van die weg staande, boom, is gebotst/gereden en/of tot stilstand is gekomen,

waardoor een persoon, genaamd [slachtoffer/bijrijder] (inzittende/bijrijder van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig), werd gedood,

zulks terwijl hij, verdachte, toen daar, dat motorrijtuig (personenauto, Renault), heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde en/of vierde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.31 milligram, in elk geval hoger dan 0.2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en hij, verdachte, dat motorrijtuig (personenauto, Renault) heeft bestuurd zonder rijbewijs,

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 28 november 2010, in de gemeente Loon op Zand, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Renault),

daarmede met een snelheid van ongeveer 96 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de, toen daar ,geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur rijdend op de weg, de Kasteellaan,

zulks na het gebruik van alcoholhoudende drank en/of zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs

en naderend een, in die weg, die Kasteellaan, gelegen, zogeheten "middengeleider /snelheidsremmende verkeerssluis",

op een zodanige wijze en/of met een zodanig(e) (hoge) snelheid die, in die weg gelegen, "middengeleider/snelheidsremmende verkeerssluis", is in- en/of doorgereden, dat hij, verdachte, met dat motorrijtuig, op de weghelft van die weg, bestemd voor het hem, verdachte, over die weg, die Kasteellaan, tegemoetkomende verkeer is gaan rijden,

waarna hij, verdachte (na een te abrupte stuurcorrectie), de macht over het stuur van dat motorrijtuig heeft verloren en/of waarna dat motorrijtuig is gaan slippen/schuiven en/of en/of (vervolgens) (draaiend/in achterwaartse richting bewegend), tegen een (gezien in de richting Loon op Zand), "rechts", in de berm van die weg staande, boom, is gebotst/gereden en/of tot stilstand is gekomen, waarbij een inzittende (genaamd [slachtoffer/bijrijder]) van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig werd gedood,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 28 november 2010, in de gemeente Loon op Zand, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde en/of vierde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.31 milligram, in elk geval hoger dan 0.2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

derde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 28 november 2010, in de gemeente Loon op Zand, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2.

hij, in de gemeente Tilburg en/of in de gemeente Loon op Zand, op of omstreeks 28 november 2010, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto, Renault), toebehorende aan "Smesch Marketing Group BV" (te Tilburg), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Madeliefstraat (te Tilburg) en/of de weg de Kasteellaan (te Loon op Zand), in elk geval op (een) weg(en);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij, op of omstreeks 28 november 2010, in de gemeente Tilburg en/of in de gemeente Loon op Zand, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Madeliefstraat (te Tilburg) en/of de weg de Kasteellaan (te Loon op Zand), zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.